Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1771

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
200.360.093/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag op staande voet wegens weigering werkzaamheden vanuit Nederland te verrichten

Werknemer, werkzaam als accountmanager buitendienst, verhuisde naar Spanje en wilde daar permanent blijven werken. Werkgever stond dit niet toe en gaf herhaaldelijk aan dat werknemer zijn werkzaamheden vanaf 1 februari 2025 vanuit Nederland moest hervatten. Na weigering van werknemer volgde ontslag op staande voet.

De kantonrechter wees het verzoek van werknemer tot vernietiging van het ontslag en toekenning van transitievergoeding af. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof oordeelde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was omdat werknemer zonder instemming van werkgever zijn functie niet vanuit Spanje mocht voortzetten en hij herhaaldelijk de geboden mogelijkheden om vanuit Nederland te werken niet heeft benut.

Het hof overwoog dat de persoonlijke omstandigheden van werknemer, zoals leeftijd en dienstverband, niet tot een ander oordeel leiden. Ook was de mededeling van het ontslag onverwijld en duidelijk. De transitievergoeding werd geweigerd omdat werknemer ernstig verwijtbaar handelde. De proceskosten werden aan werknemer opgelegd.

Uitkomst: Het hof bevestigt het ontslag op staande voet en wijst de transitievergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.360.093/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11641162 / RP VERZ 25-50276
Beschikking van 26 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] , Spanje,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. K.P.D. Vermeulen, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[naam] Verpakking B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. L.A. Schreuder, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] en [verweerster] .

1.De zaak in het kort

Werknemer, accountmanager verkoop buitendienst, verhuist naar Spanje en wil daar zijn werkzaamheden voortzetten. Zijn werkgever vindt dat niet goed. Na herhaald verzoek om weer vanuit Nederland te gaan werken, waar werknemer geen gevolg aan geeft, volgt ontslag op staande voet. De kantonrechter laat het ontslag in stand. Het hof bevestigt dat oordeel.

2.Procesverloop in hoger beroep

Bij beroepschrift met producties, ter griffie ingekomen op 2 oktober 2025, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 4 juli 2025.
[verweerster] heeft een verweerschrift met producties ingediend.
Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft mr. Vermeulen namens [verzoeker] bij brief van 19 februari 2026 om uitbreiding van het petitum verzocht en nog de producties O tot en met R ingediend.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 3 maart 2026. [verzoeker] heeft een persoonlijke verklaring voorgelezen en overgelegd. De advocaten van partijen hebben hun spreekaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.
Naar aanleiding van de mondelinge behandeling hebben partijen overleg gevoerd. Bij brief van 17 maart 2026 heeft mr. Dijkstra het hof bericht dat partijen afspraken hebben kunnen maken over het concurrentie- en relatiebeding en dat [verzoeker] zijn verzoeken intrekt, met uitzondering van de verzoeken VII (transitievergoeding) en XI (proceskosten) uit het beroepschrift. Hij verzoekt het hof alleen nog op deze onderdelen te beslissen.
Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[verzoeker] , geboren 12 augustus 1986, is op 15 oktober 2007 in dienst gekomen bij (een rechtsvoorganger van) [verweerster] . De functie van [verzoeker] was Accountmanager Verkoop Buitendienst voor 40 uur per week tegen een loon van € 8.150,41 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en maandelijkse bonus. [verzoeker] was minimaal l/3e van zijn werkweek bij klanten van [verweerster] .
3.2
[verzoeker] heeft in de loop van 2024 bij [verweerster] gemeld dat hij vanuit Nederland naar Spanje zou verhuizen. Hij heeft met [verweerster] vanaf medio 2024 overleg gevoerd of en in hoeverre hij zijn werkzaamheden vanuit Spanje zou kunnen blijven verrichten.
3.3
Bij e-mail van 11 oktober 2024 heeft [verweerster] aan [verzoeker] geschreven:
“Hi [verzoeker] .
Ik heb intern overleg gehad maar ik ben bang dat 1 februari echt de max is. Ze gaan volgende week communiceren dat mensen minder mogen gaan reizen in verband met het besparen van kosten etc. Daarnaast hebben ze nu afgegeven dat mensen minimaal 3 dagen op kantoor werkzaam moeten zijn.
Ik kan er helaas niets anders van maken.
Laat even weten waar dan je voorkeur naar uit gaat, aanblijven tot 1 feb of sneller uit dienst gaan.”
3.4
[verzoeker] heeft zijn leaseauto op 25 oktober 2024 bij [verweerster] ingeleverd en is naar Spanje verhuisd.
3.5
Bij e-mail van 5 november 2024 heeft [verzoeker] aan [verweerster] geschreven dat hij bij [verweerster] in dienst zou willen blijven. [verweerster] heeft hierop geantwoord bij e-mail van 8 november 2025:
“Jij hebt de gelegenheid gekregen om tijdelijk tot 1 februari 2025 jouw werkzaamheden af te ronden, klanten over te dragen en jouw leven in Spanje voort te zetten. Niet voor niets is gesproken over 1 februari 2025 als einddatum. Er is toen ook duidelijk aangegeven dat het gelet op je functie niet wenselijk en niet mogelijk is dat je permanent niet meer op kantoor werkzaam en aanwezig bent. Wij zijn hier ook nooit mee akkoord gegaan.
Daarnaast is aangegeven door [betrokkene] dat reizen beperkt wordt en van werknemers een minimale aanwezigheid (van 3 dagen p/w) op kantoor verlangd wordt. Daar past werken vanuit huis, en al helemaal niet vanuit Spanje, niet in. In je bericht van 5 november schreef je dat je in overleg wil als dit een heel groot probleem zou zijn. Dat probleem is er dus. Overleg is wat ons betreft prima, maar voorafgaand daaraan ontvangen we graag uiterlijk 14 november a.s. per mail van je wat een oplossing voor dit, door jou gecreëerde, probleem zou kunnen zijn.”
3.6
Op 17 januari 2025 heeft [verweerster] [verzoeker] per e-mail de werkinstructie gegeven om vanaf 1 februari 2025 zijn werk in Nederland te hervatten.
3.7
[verzoeker] heeft op 23 januari 2025 aan [verweerster] Verpakking geschreven niet in staat te zijn om zijn werkzaamheden vanaf 1 februari 2025 vanuit Nederland voort te zetten:
“Al zou ik het willen, dan nog ligt het niet in mijn vermogen terug te keren per 1 februari 2025 naar NL op zo'n korte termijn”.
3.8
Bij e-mail van 29 januari 2025 heeft [verweerster] [verzoeker] twee opties geboden: hij meldt zich op maandag 3 februari 2025 om 10.00 uur op kantoor in [vestigingsplaats] en hervat zijn werkzaamheden of hij zegt met ingang van 1 februari 2025 zijn arbeidsovereenkomst op. Verder heeft [verweerster] geschreven: “
Indien jij je niet uiterlijk 3 februari 2025 om 10:00 uur op ons hoofdkantoor meldt, laat jij ons geen andere keuze dan jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen door middel van een 'ontslag op staande voet'”.
3.9
Bij e-mail van 31 januari 2025 heeft [verzoeker] aan [verweerster] geschreven dat het hem praktisch niet gaat lukken op maandag 3 februari 2025 op kantoor te verschijnen, dat ze zouden kunnen overleggen over een andere datum en dat hij zal reageren op het aanstaande ontslag op staande voet, dat hij dan maar afwacht.
3.1
Bij e-mail van 1 februari 2025 heeft [verweerster] geantwoord dat als [verzoeker] tegen enkele kleine praktische problemen zou zijn aangelopen om tijdig terug te zijn, hem één laatste mogelijkheid wordt geboden om dat op te lossen, en hem wordt toegestaan enkele vakantiedagen op te nemen om er voor te zorgen dat hij zijn structurele terugkeer kan afronden, onder de voorwaarde dat hij uiterlijk 3 februari 2025 voor 10:00 uur toezegt dat hij - kort gezegd - op 6 februari 10.00 uur wél op kantoor aanwezig zal zijn en vanaf die datum structureel zijn werkzaamheden vanuit Nederland en kantoor zal blijven verrichten. Zonder de tijdige schriftelijk bevestiging zal het aangekondigde ontslag op staande voet worden geëffectueerd.
3.11
Op 3 februari 2025 heeft [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief heeft [verweerster] geschreven: “
Wij menen dat het bovenstaande los van elkaar maar zeker in samenhang gezien, een dringende reden oplevert op grond waarvan wij u op staande voet hebben ontslaan. U had de keuze om (uiteindelijk) op 3 februari op kantoor te verschijnen of om zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen. U kiest ervoor geen van beide te doen en te volharden in uw verblijf in Spanje, terwijl u weet dan wel had moeten begrijpen dat dit niet mag (wij hebben u zelfs geïnstrueerd weer vanuit [vestigingsplaats] te werken). U was bovendien op de hoogte van de sanctie die zou volgen op het blijven volharden van de door u in het leven geroepen situatie: het werken vanuit Spanje.
De wijze waarop u halsstarrig aan die situatie hebt vastgehouden is bovendien uitermate dubieus: in correspondentie verdraait u feiten en ons telefoongesprek van 3 februari weigert u halsstarrig klare wijn te schenken en zelfs te vertellen waar u woont. U lijkt een spelletje met ons te spelen. Het vertrouwen dat wij als werkgever kunnen en mogen hebben in een medewerker, heeft u ernstig geschonden. Hierdoor zijn wij ieder vertrouwen in een verdere samenwerking met u verloren. Dat betekent dat wij u met ingang van heden op staande voet ontslaan. Uw persoonlijke omstandigheden, voor zover bekend bij [verweerster] Verpakking, doen niet af aan onze afweging u op staande voet te ontslaan”.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
In zijn inleidend verzoekschrift heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is maar dat hij in het ontslag berust. Daarin heeft hij de kantonrechter verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van:
  • een transitievergoeding van € 93.226,64 bruto;
  • een gefixeerde schadevergoeding van € 44.012,21 bruto;
  • een billijke vergoeding van € 1.000,- bruto;
  • de eindafrekening onder overlegging van deugdelijke specificaties, op straffe van een dwangsom;
  • met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.
4.2
[verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] , met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
4.3
De kantonrechter heeft de verzoeken van [verzoeker] afgewezen en [verzoeker] in de proceskosten veroordeeld.

5.Verzoek in hoger beroep

Het verzoek van [verzoeker] in hoger beroep - na intrekking van zijn overige verzoeken – strekt ertoe dat het hof:
  • hem een transitievergoeding van € 93.226,64 bruto met wettelijke rente zal toekennen;
  • met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten van beide instanties,
en de beschikking van de kantonrechter in zoverre zal vernietigen.
5.1
[verweerster] heeft opnieuw geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] en verzocht om veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten (met wettelijke rente).

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Hoewel [verzoeker] zijn verzoek in hoger beroep heeft beperkt tot toekenning van de transitievergoeding en veroordeling van [verweerster] in de proceskosten, ziet het hof aanleiding zijn oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet. Dat oordeel is van belang voor de beoordeling van zowel de aanspraak van [verzoeker] op de transitievergoeding als de beoordeling van de kostenveroordeling in eerste aanleg.
6.2
[verzoeker] heeft zes beroepsgronden tegen de beschikking aangevoerd. Beroepsgrond A richt zich tegen een aantal aannames van de kantonrechter. Met deze bezwaren zal het hof hierna rekening houden. De beroepsgronden B en C betogen dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet, niet op grond van geschaad vertrouwen en niet op grond van werkweigering. Het ontslag is verder niet geldig gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] en omdat het niet onverwijld is gegeven (beroepsgrond D). Beroepsgrond E richt zich tegen de afwijzing van de transitievergoeding, billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding. Beroepsgrond F ten slotte ziet op de veroordeling van [verzoeker] tot betaling van de proceskosten.
Vereisten ontslag op staande voet
6.3
Het hof stelt het volgende voorop. Ontslag op staande voet is een ingrijpende maatregel die alleen mag worden genomen wanneer voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer kan worden verlangd. Aan het ontslag op staande voet worden eisen gesteld. Er moet sprake zijn van 1) een dringende reden, die leidt tot 2) onverwijlde opzegging, onder 3) gelijktijdige mededeling van die reden. Voor de werkgever geldt verder als vereiste dat deze 4) rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.
6.4
Bij de beoordeling van de aanwezigheid van een dringende reden moeten in aanmerking worden genomen de omstandigheden van het geval bezien in onderling verband en samenhang. Daartoe behoren in de eerste plaats de aard en ernst van wat de werkgever als dringende reden aanmerkt en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor de werknemer meebrengt.
6.5
De ratio van de mededelingseis is dat de werknemer zijn standpunt over het ontslag kan bepalen, meer in het bijzonder teneinde de werknemer ervan op de hoogte te brengen met welke ontslaggrond deze in een eventueel rechtsgeding wordt geconfronteerd. De aldus meegedeelde reden fixeert in beginsel de ontslagreden en bepaalt de bewijslast van de werkgever. De onverwijlde mededelingseis strekt ertoe dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk wordt welke eigenschappen of gedragingen de werkgever hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De werknemer moet zich na deze mededeling er namelijk over kunnen beraden of hij de opgegeven reden als juist erkent en als dringend aanvaardt. De mededeling hoeft niet steeds met zoveel woorden te zijn gedaan, maar kan ook besloten liggen in gedragingen waarover bij de wederpartij geen enkele twijfel kan bestaan. Ook als voor de werknemer direct duidelijk is welke dringende reden ten grondslag ligt aan het ontslag, hoeft deze niet te worden meegedeeld. Aan de letterlijke tekst van een ontslagbrief komt niet steeds doorslaggevende betekenis toe voor de vraag welke dringende reden aan de wederpartij is meegedeeld, het gaat er uiteindelijk om of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval.
Het ontslag
6.6
Voor de beoordeling van de geldigheid van het ontslag op staande voet van 3 februari 2025 neemt het hof de volgende feiten in aanmerking.
  • i) [verzoeker] vervulde de functie van Accountmanager Verkoop Buitendienst en was - blijkens zijn eigen stellingen - minimaal l/3 van zijn werkweek bij klanten van [verweerster] . [verzoeker] was tot eind oktober 2024 werkzaam vanuit Nederland.
  • ii) [verzoeker] heeft zelf besloten om - eind oktober 2024 - naar Spanje te verhuizen en heeft met [verweerster] overlegd over voortzetting van zijn werkzaamheden vanuit Spanje;
  • iii) [verweerster] heeft [verzoeker] op 6 september en 11 oktober 2024, dus nog voor zijn verhuizing, schriftelijk laten weten dat hij tot uiterlijk 1 februari 2025 vanuit Spanje werkzaamheden kon verrichten;
  • iv) Bij e-mail van 8 november 2025 heeft [verweerster] nogmaals bevestigd dat [verzoeker] alleen tijdelijk - tot 1 februari 2025 - gelegenheid kreeg om vanuit Spanje zijn werkzaamheden af te ronden en klanten over te dragen.
  • v) Toen bleek dat [verzoeker] niet (langer) van plan was om zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen per 1 februari 2025, heeft [verweerster] hem bij e-mail van 17 januari 2025 geïnstrueerd om vanaf 1 februari 2025 zijn werk in Nederland te hervatten. Toen dat op problemen stuitte, heeft [verweerster] hem nog bij e-mail van 29 januari 2025 gelegenheid geboden om zijn werk op 3 februari 2025 te hervatten, bij gebreke waarvan ontslag op staande voet zou volgen.
  • vi) Uiteindelijk heeft [verweerster] nog een laatste mogelijkheid geboden bij e-mail van 1 februari 2025, waarbij [verzoeker] - kort gezegd - uiterlijk op 3 februari 2025 zou toezeggen dat hij dan 6 februari om 10.00 uur wél op kantoor aanwezig zou zijn en vanaf die datum structureel zijn werkzaamheden vanuit Nederland en kantoor zou verrichten, en dat anders ontslag op staande voet zou volgen.
6.7
In de functie van Accountmanager Verkoop Buitendienst was [verzoeker] (onbetwist) verantwoordelijk voor het realiseren van de voor hem geldende omzet- en margedoelstellingen door het realiseren en optimaliseren van de verkopen bij bestaande en/of nieuwe klanten. Deze functie werd altijd vanuit Nederland verricht. [verzoeker] was minimaal l/3e van zijn werkweek bij klanten van [verweerster] . Hij moest dus een substantieel deel van zijn werktijd bij klanten van [verweerster] zijn. Die klanten zijn veelal gevestigd in Nederland, België en Duitsland. [verweerster] heeft [verzoeker] zowel voor als na zijn verhuizing bevestigd dat hij zijn werkzaamheden, tijdelijk, tot 1 februari 2025, vanuit Spanje kon afronden en overdragen. Zij was hierbij in de veronderstelling dat [verzoeker] , zoals met hem besproken, de arbeidsovereenkomst in verband met zijn verhuizing naar Spanje zelf zou opzeggen. [verweerster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij er, ook gelet op de reisafstand vanuit Spanje, een gerechtvaardigd belang bij heeft dat [verzoeker] in zijn functie van Account Manger Buitendienst de klanten van [verweerster] vanuit Nederland bedient en dat het voor haar, vanwege de organisatie van het werk, onwenselijk is als [verzoeker] niet meer (regelmatig) op kantoor in [vestigingsplaats] aanwezig kan zijn. Van [verweerster] kon dan ook niet in redelijkheid worden gevergd dat zij alsnog zou instemmen met een wijziging van de functie van [verzoeker] in die zin dat hij na 1 februari 2025 op permanente basis zijn werkzaamheden vanuit Spanje zou gaan verrichten.
6.8
[verweerster] heeft [verzoeker] - die 17 jaar voor haar gewerkt heeft en die zij als een gewaardeerde werknemer beschouwde - alsnog aangeboden om zijn werkzaamheden vanuit Nederland te komen verrichten, eerst vanaf 1 februari 2025, daarna vanaf 3 februari 2025 en ten slotte vanaf 6 februari 2025, en daarbij laten weten dat bij gebreke daarvan de consequentie zou zijn dat ontslag op staande voet zou volgen. [verzoeker] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt; hij is blijven volharden in zijn weigering en heeft [verweerster] evenmin zicht geboden op een datum dat hij wel bereid en in staat zou zijn om zijn werkzaamheden vanuit Nederland te komen verrichten. Het valt [verzoeker] in ernstige mate te verwijten dat hij [verweerster] voor een voldongen feit heeft gesteld door naar Spanje te verhuizen en eenzijdig en zonder instemming van [verweerster] te bepalen dat hij zijn werkzaamheden permanent vanuit Spanje kon verrichten, en niet gebruik heeft gemaakt van de meermalen geboden gelegenheid om de werkzaamheden vanuit Nederland te komen verrichten. Hierdoor heeft [verweerster] begrijpelijkerwijs haar vertrouwen in [verzoeker] en in een verdere samenwerking met hem verloren. Daarom kan van haar niet worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer met hem voortzet. Evenmin kon van [verweerster] worden gevergd dat zij nog een poging zou hebben gedaan om het geschonden vertrouwen te herstellen, zoals [verzoeker] nog heeft betoogd.
6.9
De persoonlijke omstandigheden die [verzoeker] aanvoert, zoals zijn leeftijd (38 jaar ten tijde van het ontslag), de lange duur van het dienstverband en de goede wijze waarop hij het dienstverband heeft vervuld, maken dat niet anders. [verzoeker] heeft een eenzijdig arbeidsverleden bij [verweerster] en heeft geen diploma’s, maar zag aanvankelijk mogelijkheden om in Spanje in de makelaardij aan de slag te gaan en daar een toekomst op te bouwen. Toen dit moeilijker bleek te zijn dan aanvankelijk gedacht, had hij de mogelijkheid kunnen benutten om alsnog, zoals [verweerster] hem begin 2025 meermaals had aangeboden, vanuit Nederland zijn werkzaamheden te hervatten. Dat hij dit niet heeft gedaan, en daardoor vanaf de ontslagdatum geen aanspraak kan maken op een uitkering, komt voor zijn rekening.
6.1
[verzoeker] heeft in dit verband betoogd dat het werken op afstand een arbeidsvoorwaarde was geworden (‘thuiswerken is thuiswerken, waar dat thuis ook is’). [verweerster] heeft dit met recht bestreden. Zij is er ook voor de verhuizing duidelijk over geweest dat het werken vanuit Spanje tijdelijk was, tot uiterlijk 1 februari 2025, dit ter afronding en overdracht van de werkzaamheden. [verweerster] heeft er dan ook niet op mogen vertrouwen dat hij ook nadien, op permanente basis, zijn werkzaamheden in dienst van [verweerster] vanuit Spanje zou mogen voortzetten.
6.11
[verzoeker] heeft verder nog betoogd dat [verweerster] zijn terugkomst naar Nederland ten onrechte koppelde aan een eenzijdige wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden, namelijk dat hij niet langer vanuit huis (in Nederland) mocht werken. [verweerster] heeft dit betwist. Het hof is van oordeel dat [verweerster] weliswaar haar algemene thuiswerkbeleid had aangescherpt (maximaal twee dagen op een thuiswerklocatie, de overige dagen op kantoor of onderweg naar / bij klanten), maar dat raakte niet de kern van de discussie tussen [verzoeker] en [verweerster] . Die ging erover dat [verweerster] niet wilde dat [verzoeker] de functie van Accountmanager Verkoop Buitendienst permanent vanuit Spanje zou gaan verrichten. [verzoeker] heeft ook niet in de correspondentie kenbaar gemaakt dat hij wel vanuit Nederland wilde werken maar zich niet bij het aangescherpte thuiswerkbeleid kon neerleggen. Dit betoog wordt dan ook verworpen.
Mededelingseis/Onverwijldheid
6.12
De door het hof aanwezig geacht dringende reden (zie onder 6.8) heeft [verweerster] in de ontslagbrief van 3 februari 2025 meegedeeld, en heeft [verzoeker] gelet op de bewoordingen van die brief - met daarin een samenvatting van wat er sinds medio 2024 tussen partijen was voorgevallen – ook zo kunnen en moeten begrijpen. Daarmee is aan de mededelingseis voldaan. Daarnaast voert [verzoeker] nog aan dat het ontslag niet onverwijld is gegeven omdat hij al op 5 november 2024 aan [verweerster] had duidelijk gemaakt dat hij niet per 1 februari 2025 bij [verweerster] wilde vertrekken. Dit betoog gaat niet op. [verweerster] wist inderdaad sinds 5 november 2024 dat [verzoeker] zijn werkzaamheden vanuit Spanje op permanente basis wilde voortzetten en niet (langer) zelf de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. [verweerster] heeft er echter – zoals van een goed werkgever mag worden verwacht gelet op de lange duur van het dienstverband en het feit dat [verzoeker] een gewaardeerde medewerker was - alles aan gedaan om [verzoeker] te bewegen van zijn standpunt terug te komen. Ook na ontvangst van de e-mail van [verzoeker] van 31 januari 2025 - waar mogelijk in gelezen kon worden dat er alleen een praktisch probleem was waardoor [verzoeker] niet naar Nederland kon komen en hervatting toch tot de mogelijkheden behoorde (“
Maandag aanstaande gaat praktisch gezien niet lukken om op kantoor te verschijnen. Een andere notk datum zouden we kunnen overleggen.”) - heeft [verweerster] hem nog een kans willen bieden. Toen echter bleek dat [verzoeker] op 3 februari 2025 voor de derde keer niet van de geboden gelegenheid gebruik wilde maken om zijn werkzaamheden weer vanuit Nederland te verrichten (dan wel dat te bevestigen) en [verzoeker] dit bleef weigeren en het vertrouwen van [verweerster] in [verzoeker] , definitief was verdwenen, was er sprake van een dringende reden die het gegeven ontslag op staande voet rechtvaardigde. [verweerster] had dit al aangekondigd en heeft dit verder bevestigd in de ontslagbrief van 3 februari 2025. Het bieden van een laatste mogelijkheid aan [verzoeker] om op zijn schreden terug te keren kan ook in het kader van de onverwijldheidseis niet aan [verweerster] worden tegengeworpen.
6.13
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet terecht heeft afgewezen. Voor een transitievergoeding is geen plaats, omdat het hof van oordeel is dat [verzoeker] van zijn handelen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Verder is het hof van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake is van een situatie dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn
6.14
Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat er niets ten bewijze is aangeboden dat tot een andere uitkomst zou kunnen leiden.
Conclusie en proceskosten
6.15
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoeker] niet slaagt en de kantonrechter [verzoeker] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg heeft veroordeeld. Daarom zal het hof de beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen bekrachtigen. Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.16
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 851,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II à € 1.290,- per punt)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.620,-.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 4 juli 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
  • veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 3.620,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.D. Ruizeveld, mr. R.J.F. Thiessen en mr. A.J.P. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.