Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
“Al zou ik het willen, dan nog ligt het niet in mijn vermogen terug te keren per 1 februari 2025 naar NL op zo'n korte termijn”.
Indien jij je niet uiterlijk 3 februari 2025 om 10:00 uur op ons hoofdkantoor meldt, laat jij ons geen andere keuze dan jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen door middel van een 'ontslag op staande voet'”.
Wij menen dat het bovenstaande los van elkaar maar zeker in samenhang gezien, een dringende reden oplevert op grond waarvan wij u op staande voet hebben ontslaan. U had de keuze om (uiteindelijk) op 3 februari op kantoor te verschijnen of om zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen. U kiest ervoor geen van beide te doen en te volharden in uw verblijf in Spanje, terwijl u weet dan wel had moeten begrijpen dat dit niet mag (wij hebben u zelfs geïnstrueerd weer vanuit [vestigingsplaats] te werken). U was bovendien op de hoogte van de sanctie die zou volgen op het blijven volharden van de door u in het leven geroepen situatie: het werken vanuit Spanje.
4.Procedure bij de kantonrechter
- een transitievergoeding van € 93.226,64 bruto;
- een gefixeerde schadevergoeding van € 44.012,21 bruto;
- een billijke vergoeding van € 1.000,- bruto;
- de eindafrekening onder overlegging van deugdelijke specificaties, op straffe van een dwangsom;
- met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.
5.Verzoek in hoger beroep
- hem een transitievergoeding van € 93.226,64 bruto met wettelijke rente zal toekennen;
- met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten van beide instanties,
6.Beoordeling in hoger beroep
- i) [verzoeker] vervulde de functie van Accountmanager Verkoop Buitendienst en was - blijkens zijn eigen stellingen - minimaal l/3 van zijn werkweek bij klanten van [verweerster] . [verzoeker] was tot eind oktober 2024 werkzaam vanuit Nederland.
- ii) [verzoeker] heeft zelf besloten om - eind oktober 2024 - naar Spanje te verhuizen en heeft met [verweerster] overlegd over voortzetting van zijn werkzaamheden vanuit Spanje;
- iii) [verweerster] heeft [verzoeker] op 6 september en 11 oktober 2024, dus nog voor zijn verhuizing, schriftelijk laten weten dat hij tot uiterlijk 1 februari 2025 vanuit Spanje werkzaamheden kon verrichten;
- iv) Bij e-mail van 8 november 2025 heeft [verweerster] nogmaals bevestigd dat [verzoeker] alleen tijdelijk - tot 1 februari 2025 - gelegenheid kreeg om vanuit Spanje zijn werkzaamheden af te ronden en klanten over te dragen.
- v) Toen bleek dat [verzoeker] niet (langer) van plan was om zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen per 1 februari 2025, heeft [verweerster] hem bij e-mail van 17 januari 2025 geïnstrueerd om vanaf 1 februari 2025 zijn werk in Nederland te hervatten. Toen dat op problemen stuitte, heeft [verweerster] hem nog bij e-mail van 29 januari 2025 gelegenheid geboden om zijn werk op 3 februari 2025 te hervatten, bij gebreke waarvan ontslag op staande voet zou volgen.
- vi) Uiteindelijk heeft [verweerster] nog een laatste mogelijkheid geboden bij e-mail van 1 februari 2025, waarbij [verzoeker] - kort gezegd - uiterlijk op 3 februari 2025 zou toezeggen dat hij dan 6 februari om 10.00 uur wél op kantoor aanwezig zou zijn en vanaf die datum structureel zijn werkzaamheden vanuit Nederland en kantoor zou verrichten, en dat anders ontslag op staande voet zou volgen.
Maandag aanstaande gaat praktisch gezien niet lukken om op kantoor te verschijnen. Een andere notk datum zouden we kunnen overleggen.”) - heeft [verweerster] hem nog een kans willen bieden. Toen echter bleek dat [verzoeker] op 3 februari 2025 voor de derde keer niet van de geboden gelegenheid gebruik wilde maken om zijn werkzaamheden weer vanuit Nederland te verrichten (dan wel dat te bevestigen) en [verzoeker] dit bleef weigeren en het vertrouwen van [verweerster] in [verzoeker] , definitief was verdwenen, was er sprake van een dringende reden die het gegeven ontslag op staande voet rechtvaardigde. [verweerster] had dit al aangekondigd en heeft dit verder bevestigd in de ontslagbrief van 3 februari 2025. Het bieden van een laatste mogelijkheid aan [verzoeker] om op zijn schreden terug te keren kan ook in het kader van de onverwijldheidseis niet aan [verweerster] worden tegengeworpen.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 4 juli 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 3.620,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.