Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:179

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/286
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbArt. 7:28 AwbArt. 2 BpbArt. 1 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep bij naheffingsaanslag loonheffingen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten van €9 die in rekening waren gebracht bij een naheffingsaanslag loonheffingen. De Ontvanger liet deze kosten vervallen na bezwaar. Belanghebbende stelde beroep in wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar, waarna de Rechtbank de proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep vaststelde op respectievelijk €161,75 en €453,50.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de toegepaste wegingsfactor van 0,25 in de bezwaarfase te laag was gezien de extra proceshandelingen en fouten van de Ontvanger. Het Hof erkende dat de zaak bewerkelijker was dan door de Ontvanger gesteld, maar matigde de proceskostenvergoeding vanwege het geringe financiële belang van de aanmaningskosten.

Het Hof stelde vast dat de proceskostenvergoeding uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en dat afwijking van de tarieven alleen in bijzondere omstandigheden mogelijk is. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur werden niet geschonden omdat de aanmaningskosten reeds waren vervallen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en wijst het hoger beroep af met matiging van de proceskostenvergoeding in bezwaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/286

Uitspraak van 3 februari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N.A. Gangadin)
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 maart 2025, nummer SGR 24/4253.

Procesverloop

1.1.
De inspecteur van de Belastingdienst (de Inspecteur) heeft aan belanghebbende voor de periode 1 november 2023 tot en met 30 november 2023 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd naar een bedrag van € 74 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een verzuimboete opgelegd van € 50 (de beschikking belastingrente).
1.2.
De Ontvanger heeft aan belanghebbende een schriftelijke aanmaning gezonden ter invordering van de onbetaald gebleven naheffingsaanslag, waarbij aanmaningskosten van € 9 in rekening zijn gebracht (de aanmaningskosten).
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de aanmaningskosten bezwaar gemaakt, waarna belanghebbende de Ontvanger in gebreke heeft gesteld wegens het uitblijven van de uitspraak op bezwaar.
1.4.
Belanghebbende heeft met dagtekening 28 mei 2024 beroep bij de Rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bewaar tegen de aanmaningskosten. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 51 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding;
- stelt de aan eiser te vergoeden proceskosten in bezwaar vast op een bedrag van
€ 161,75;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep van eiser tot een bedrag van
€ 453,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 143 geheven. De Ontvanger heeft een nader stuk aangeduid als verweerschrift ingediend. Op 19 juni 2025 is nog een nader stuk van de Ontvanger ingekomen. Belanghebbende heeft op 7 november 2025 een nader stuk ingediend, alsmede een pleitnota voorafgaand aan de zitting.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
De naheffingsaanslag vermeldt als uiterste betaaldatum 6 februari 2024.
2.2.
Op 9 februari 2024 heeft belanghebbende het openstaande bedrag van de naheffingsaanslag voldaan en op 12 februari 2024 heeft belanghebbende tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
2.3.
Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de Ontvanger op 17 februari 2023 een schriftelijke aanmaning aan belanghebbende gezonden, waarbij € 9 aanmaningskosten in rekening zijn gebracht.
2.4.
Belanghebbende heeft op 28 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanmaningskosten. Op 13 mei 2024 heeft belanghebbende de Ontvanger in gebreke gesteld vanwege de verstreken wettelijke termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar en om een dwangsom verzocht. Vervolgens heeft belanghebbende op 28 mei 2024 beroep bij de Rechtbank ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
2.5.
Op 6 juni 2024 heeft de Ontvanger uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de in rekening gebrachte aanmaningskosten zijn komen te vervallen. De uitspraak op bezwaar vermeldt, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende:

“Beoordeling van het bezwaar

Uw cliënt heeft bezwaar gemaakt tegen bovengenoemde aanslag. De verzending van de aanmaning en de ontvangst van het bezwaar en ook de betaling van uw cliënt van 9 februari 2024 hebben elkaar gekruist, waardoor uw cliënt per abuis de aanmaning ontvangen heeft. Conform artikel 75.6 Leidraad Invordering 2008 zijn kosten niet verschuldigd, indien de betaling ontvangen is op of voorafgaand aan de dagtekening van de aanmaning.
De ontvanger had al geconstateerd dat de aanmaning onterecht verzonden is en heeft daarom de aanmaningskosten uiteindelijk niet in rekening gebracht.”
2.6.
De Ontvanger heeft in de uitspraak op bezwaar van 6 juni 2024 zijn beslissing op het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten als volgt toegelicht:

“Forfaitaire vergoeding rechtsbijstand

Uw cliënt heeft recht op onderstaande forfaitaire vergoeding voor het inschakelen van rechtsbijstand.
Indienen van het bezwaar: 1 punt
Vergoeding per punt € 310,00
Wegingsfactor van dit bezwaar (zeer licht) 0,25
*---------
€ 77,50
Wegingsfactor
Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid.
De uitkomst van de beoordeling dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.
Ik ben van mening dat dit een zaak is met een zeer licht gewicht, omdat u als gemachtigde had kunnen volstaan met een verwijzing naar de nog lopende procedure tegen de betreffende aanslag.
Gelet op de inhoud en de omvang van het bezwaar ben ik van mening dat er sprake is van een geringe werkbelasting. Ik heb de wegingsfactor vastgesteld op 0,25. (…)”
2.7.
Bij beslissing van 11 juni 2024 heeft de Ontvanger aan belanghebbende een dwangsom toegekend van € 207.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:
“8. In geschil is enkel de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase voor het indienen van het bezwaarschrift.
9. Eiser voert daartoe aan dat op basis van jurisprudentie recht bestaat op een hogere proceskostenvergoeding in de bezwaarfase en dat verweerder ten onrechte 0,25 punt voor de
proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend.
10. De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 juli 2024[1] bepaald dat de kosten voor het bezwaar met toepassing van het hogere tarief worden vergoed. Verweerder heeft dit standpunt in beroep ook bevestigd. Omdat de uitspraak van de rechtbank in 2025 wordt gedaan, moet daarbij het tarief van
€ 647 per punt worden toegepast dat in 2025 is vastgesteld in het Bpb.
11. Verder heeft verweerder volgens eiser in de bezwaarfase ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 gehanteerd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De gemachtigde van eiser heeft een bezwaarschrift ingediend waarin, afgezien van de verwijzing naar het eerdere bezwaar tegen de naheffingsaanslag, ook is volstaan met de grond dat de naheffingsaanslag reeds was betaald en de aanmaningskosten ten onrechte in rekening waren gebracht. Op basis hiervan zijn de aanmaningskosten ook komen te vervallen. Aannemelijk is daarom dat de werkbelasting voor de gemachtigde zeer beperkt was en mocht verweerder uitgaan van een wegingsfactor in de bezwaarfase van 0,25 (zeer licht). De vergoeding van de proceskosten in bezwaar voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt dan € 161,75 (1 procespunt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde van € 647 per punt en een wegingsfactor 0,25 (zeer licht)). Verweerder dient het verschil tussen het toegekende bedrag en bovengenoemd bedrag aan eiser toe te kennen.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.
13. Eiser heeft voorts gesteld dat het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Eiser heeft met zijn summiere onderbouwing dat hij de aanmaning tijdig heeft voldaan en hij (daarom) niet geconfronteerd mag worden met extra invorderingskosten als gevolg van een fout van het bestuursorgaan, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schending van voornoemde dan wel andere beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep is in zoverre ongegrond.
14. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 procespunt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 907 per punt en een wegingsfactor 0,25 (zeer licht)). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor zeer licht omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend voortvloeit uit de toekenning van het hogere tarief op grond van het na de uitspraak op bezwaar gewezen arrest van de Hoge Raad.
(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Rechtbank de (proces)kostenvergoeding voor bezwaar en beroep naar het juiste bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Ontvanger bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de kostenvergoeding en tot veroordeling van de Ontvanger in de (proces)kosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep, primair met toepassing van wegingsfactor 1 en subsidiair met toepassing van wegingsfactor 0,5.
4.3.
De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Kostenvergoeding voor de bezwaarfase
5.1.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Ontvanger voor de bezwaarfase ten onrechte een kostenvergoeding heeft toegekend met wegingsfactor 0,25 (zeer licht), omdat belanghebbende meerdere inhoudelijke proceshandelingen heeft verricht. Zo heeft belanghebbende diverse keren telefonisch contact met de Belastingdienst gehad, waarbij aan hem is meegedeeld dat de aanmaningskosten slechts kunnen worden afgeboekt indien formeel bezwaar wordt gemaakt. Voorts heeft belanghebbende, naast het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanmaningskosten, de Ontvanger in gebreke moeten stellen alsmede beroep moeten instellen wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. Vanwege deze extra werkbelasting, hetgeen het gevolg is van meerdere fouten van de Ontvanger tijdens de invorderingsprocedure, dient een wegingsfactor van 1 dan wel 0,5 te worden gehanteerd, aldus belanghebbende.
5.2.
De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat het geschil in de onderhavige procedure enkel ziet op de aanmaningskosten, omdat de ingebrekestelling en het instellen van beroep bij de Rechtbank wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar betrekking hebben op een geheel andere door belanghebbende aanhangig gemaakte procedure. Gelet op het feit dat de Ontvanger de aanmaningskosten heeft laten vervallen, is de werkbelasting voor belanghebbende beperkt gebleven en is terecht een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
5.3.
Het Hof stelt voorop dat het als beoordelende instantie op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de zaak valt (vgl. HR18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915, r.o. 3.3.3). Hierbij moet per fase van de procedure worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is (HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2). Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, r.o. 3.3).
5.4.
Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de onderhavige zaak bewerkelijker is geweest dan de Ontvanger stelt, doordat de Ontvanger in de onderhavige zaak diverse fouten heeft gemaakt. Zo zijn de aanmaningskosten ten onrechte aan belanghebbende in rekening gebracht, aangezien het verschuldigde bedrag van de naheffingsaanslag reeds was voldaan en bezwaar was gemaakt tegen de naheffingsaanslag, zodat op grond daarvan uitstel van betaling had moeten worden verleend (zie artikel 25.2.1 van de Leidraad Invordering 2008). Belanghebbende heeft verder – onvoldoende gemotiveerd bestreden – gesteld dat hij diverse keren telefonisch contact met de Belastingdienst heeft gehad, waarbij aan hem is meegedeeld dat de aanmaningskosten niet kunnen worden afgeboekt zonder formeel bezwaar te maken. Voorts heeft belanghebbende de Ontvanger in gebreke gesteld en beroep bij de Rechtbank moeten instellen wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Voornoemd samenstel van handelingen leidt naar het oordeel van het Hof ertoe dat de zaak in de bezwaarfase bewerkelijker en gecompliceerder is geweest dan de Ontvanger stelt, hetgeen een wegingsfactor van 1 rechtvaardigt.
5.5.1.
Het voorgaande leidt echter niet ertoe dat aan belanghebbende een hogere (proces)kostenvergoeding dient te worden toegekend, op grond van het hierna overwogene.
5.5.2.
Artikel 1, aanhef en letter a, Bpb luidt, voor zover van belang:
“Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, (…)”
5.5.3.
Artikel 2 Bpb Pro luidt, voor zover van belang:
“1. Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief;
(...)
3. In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.”
5.5.4.
De aanhef van de bijlage bij het Bpb luidt, voor zover van belang:

TARIEF als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten
Bestuursrecht
Het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C).”
5.5.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, het volgende geoordeeld over de toekenning van een proceskostenvergoeding:
“4.3. Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het gaat niet alleen erom dat de kosten zelf redelijk moeten zijn, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn.[1] Een integrale vergoeding van de kosten die aan deze zogenoemde dubbele redelijkheidstoets voldoen, heeft de wetgever echter niet beoogd.[2] De proceskostenvergoedingen zijn naar de bedoeling van de wetgever slechts bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten.[3] De wetgever achtte het verder een te grote werklast voor de bestuursrechter als in ieder individueel geval een beoordeling op grond van de dubbele redelijkheidstoets zou moeten plaatsvinden.[4]
4.4.
Met het oog op deze doelstellingen zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nadere regels opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een situatie die zich zelden voordoet. Voldoende is dat het omstandigheden betreft die naar hun aard bijzonder zijn. De rechter die toepassing geeft aan artikel 2, lid 3, van het Besluit, dient deze beslissing te motiveren.[5]
(...)
4.6.
Verder staat het de rechter vrij om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit in het geheel geen proceskostenvergoeding toe te kennen indien het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand in de omstandigheden van het geval niet redelijk is. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het gaat om herstel van een evidente rekenfout die met een eenvoudige melding kan worden hersteld.[6] Ook kan daarvan sprake zijn indien, zoals in de bezwaarprocedure in dit geval, het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat kan anders zijn indien de beslissing die daarover in de voorliggende zaak wordt genomen, ook van belang kan zijn voor de beslissing in andere – al dan niet toekomstige – zaken.
(…)
[1]
Kamerstukken II1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151 en 153.
[2]
Kamerstukken II1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151-152, en nr. 6, blz. 58.
[3]
Kamerstukken II1992/93, 22 164, nr. 13, blz. 13.
[4]
Kamerstukken II1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 153.
[5] HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7913, rechtsoverweging 3.2, en HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3865, rechtsoverweging 3.4.
[6]
Kamerstukken II1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 7.”
5.5.6.
Het bedrag van de proceskosten wordt bepaald op basis van het tarief bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a, Bpb en de bijlage bij het Bpb, waarvan de wegingsfactor deel uitmaakt (zie 5.5.3 en 5.5.4). Onder bijzondere omstandigheden kan van deze bepaling worden afgeweken op grond van artikel 2, lid 3, Bpb, hetgeen kan resulteren in een vermindering van het totaalbedrag van de proceskosten.
5.5.7.
Het Hof ziet, gelet op de hoogte van het bedrag van de in rekening gebrachte aanmaningskosten (€ 9), aanleiding om de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en letter a, Bpb en artikel 2, lid 3, Bpb te matigen aangezien het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Het Hof matigt de kostenvergoeding tot de door de Rechtbank toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase ten bedrage van € 161,75. Vanwege het zeer geringe financiële belang is de toegekende kostenvergoeding (gelet op het hiervoor in 5.5.5 aangehaalde arrest van de Hoge Raad) immers eerder te hoog dan te laag vastgesteld. De verwijzing naar de uitspraken van de Rechtbank van 25 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23359, en van 28 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14062, kan belanghebbende niet baten, aangezien het aan een zaak toekomende gewicht en de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding in elke procedure afzonderlijk dient te worden beoordeeld.
5.6.
Belanghebbende stelt voorts dat de Ontvanger, door aan belanghebbende een aanmaning te verzenden, in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts heeft belanghebbende ter zitting het standpunt ingenomen dat de toepassing van de Leidraad Invordering 2008 exceptief dient te worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het Hof gaat aan deze stellingen voorbij, omdat het aan de verzochte toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, noch aan exceptieve toetsing van de Leidraad Invordering 2008 toekomt omdat de aanmaningskosten bij uitspraak op bezwaar reeds zijn komen te vervallen.
5.7.
Ten slotte heeft belanghebbende zich beklaagd dat de Rechtbank heeft verzuimd te motiveren waarom zij afwijkt van haar eigen rechtspraak in vergelijkbare zaken. Dit vormt volgens haar een zelfstandige vernietigingsgrond. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. De Rechtbank heeft alle essentiële stellingen van belanghebbende beoordeeld en inzicht verschaft in haar gedachtegang. Zij was niet gehouden daarbij in te gaan op haar uitspraken in eerdere zaken die door belanghebbende waren aangehaald, aangezien iedere zaak – zoals hiervoor in 5.5.7 reeds is overwogen – op haar eigen merites dient te worden beoordeeld. Daarbij komt dat schending van het motiveringsbeginsel slechts tot gevolg heeft dat de rechter, zo deze de uitspraak bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen (vgl. HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668, r.o. 3.2).
Proceskostenvergoeding in de beroepsfase
5.8.
De Rechtbank heeft bij het bepalen van de wegingsfactor voor de beroepsprocedure ten onrechte niet meegewogen dat belanghebbende beroep heeft moeten instellen wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Het Hof stelt de wegingsfactor voor de beroepsprocedure daarom op 0,5, maar matigt de proceskostenvergoeding op grond van hetgeen in 5.5.1 tot en met 5.5.7 is overwogen tot de door de Rechtbank voor de beroepsprocedure toegekende proceskostenvergoeding van € 453,50.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd met verbetering van de gronden.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.