ECLI:NL:GHDHA:2026:1814

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
BK-25/122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BPMArt. 10 Wet BPMArt. 10b Wet BPM
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm ondanks betwisting taxatierapport en koerslijstmethode

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm van €6.380 ontvangen na aangifte van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline. De naheffingsaanslag is gebaseerd op een waardebepaling door de Inspecteur, waarbij het taxatierapport van belanghebbende niet werd geaccepteerd vanwege formele en materiële gebreken.

De rechtbank oordeelde dat het taxatierapport niet bruikbaar was voor de waardebepaling, mede omdat een groot deel van de schade niet deugdelijk was onderbouwd en de handelsinkoopwaarde onverklaard laag was ten opzichte van de aankoopprijs. Ook de koerslijstmethode kon niet worden toegepast vanwege verschillen tussen de auto en het referentiemodel.

Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat het taxatierapport als uitgangspunt moest dienen en dat de Inspecteur zich niet op interne compensatie mocht beroepen vanwege het vertrouwensbeginsel. Het Hof verwierp deze argumenten, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de naheffingsaanslag niet te hoog was vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de Inspecteur zijn standpunt niet ondubbelzinnig had prijsgegeven en het Hof geen schending van de goede procesorde zag.

De belastingrente werd eveneens bevestigd, en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding werd afgewezen. Het Hof zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm van €6.380 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-25/122

Uitspraak van 30 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 februari 2025, nummer SGR 23/6944.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.380 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 10 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 1 november 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 3.539 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 15 juli 2021. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 200 gram/km.
2.2.
Belanghebbende heeft de auto op 13 oktober 2022 aangekocht in Duitsland voor een bedrag van € 29.700 (inclusief omzetbelasting) met een tellerstand van 49.575.
2.3.
Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld 31 oktober 2022, als land van herkomst van de auto Bondsrepubliek Duitsland, als CO2-uitstoot 200 gram/km, als massa bedrijfsklaar Europees (kg) 1.690 kilogram, als netto maximaal vermogen 180 kW, en als tellerstand 50.328 kilometer. Tevens staat hierop vermeld als eerste toelatingsdatum 15 juli 2021 en het Duitse kenteken van de auto [Duits kenteken 1] .
2.4.1.
In de aangifte (zie 2.1) is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). De auto is op 27 oktober 2022 door [naam taxateur] getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 50.265 en een CO2-uitstoot van 200 gram/km. In het taxatierapport van 28 oktober 2022 is de historische nieuwprijs (historische consumentenprijs incl. opties) van de auto vastgesteld op € 66.484 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat (aan de hand van de gemiddelde vraagprijs voor referentievoertuigen minus ongeveer 40%) op € 34.500. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport in mindering gebracht een bedrag van in totaal € 24.500 (corresponderend met 87% van het totaalbedrag uit de onder 2.4.2 vermelde schadecalculatie). In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat bepaald op € 10.000.
2.4.2.
Tot het taxatierapport behoort onder meer een schadecalculatie, waarin de reparatiekosten zijn bepaald op € 28.132,20 (inclusief omzetbelasting). In deze schadecalculatie is onder meer begrepen een bedrag van € 4.000 wegens “vergoeding ivm ex verhuur vrt.” en een bedrag van € 85 wegens “uitlijnen”.
2.4.3.
Voorts hoort tot het taxatierapport onder meer een afschrift van Zulassungsbescheinigung Teil II, gedateerd 17 juni 2022, op naam van [Autoverhuurbedrijf] (de Zulassung). De Zulassung vermeldt onder code A (Amtliches Kennzeichen) “ [Duits kenteken 2] ”.
2.4.4.
In het taxatierapport is onder “SCHADEGEGEVENS” onder meer vermeld:
“Schade bevindt zich
:
RONDOM + INTERIEUR
Gezien door expert
:
JA
Schadeoorzaak
:
NIET ONDERZOCHT”
Onder “OPMERKINGEN” is in het taxatierapport, voor zover van belang, vermeld:
“Door de taxateur werd geen nader onderzoek ingesteld naar de schadeoorzaak cq. de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen en of niet functionerende onderdelen. (…)
(…)
De huidige inkoopwaarde bij inkoop door handelaren van particulieren in onbeschadigde toestand bedraagt in nederland: € 34.500,00 (incl. btw, incl. bpm) inclusief opties.
Bij het bepalen van de bovengenoemde waarde is o.a. rekening gehouden met de feiten dat het object een onbekend schadeverleden heeft en een niet te controleren kilometerstand heeft (geen nap mogelijk).
In geval van totaal verlies schade of diefstal wordt bij dergelijke automobielen de dagwaarde lager vastgesteld door schade-experts.
(…)
Een voertuig met een soortgelijk aantal kW’s (180 kW) is destijds niet geleverd in Nederland, wij hebben het meest vergelijkbare voertuig aangehouden.
Bovengenoemd voertuig heeft meer dan normale gebruiksschade.
Wij zijn van mening dat de waardevermindering voor het taxeren van het voertuig hoger is dan de vastgestelde norm, dit motiveren wij met deugdelijk fotomateriaal en onze schadecalculatie, derhalve trekken wij het volledige schadebedrag van de handelswaarde af.
(…)”
Verder is in het taxatierapport onder de objectgegevens de “Toestand object” als “matig * behoudens de hierna omschreven beschadigingen” omschreven en is daarin onder de opmerkingen vermeld:
“Toestand bovenstaand voertuig:
Technisch
:
Redelijk
Onderstel
:
Redelijk
Carrosserie
:
Redelijk
Interieur
:
Redelijk
Banden
:
Redelijk
(…)
De gemiddelde vraagprijs van dit voertuig (…) betreft € 57.500,00.
Wij hebben in verband met de te hanteren handelsinkoopwaarde ongeveer 40% van de vraagprijs afgetrokken.
Berekening waarde voertuig € 57.500,00 – 40% = ong. € 34.500,00.”
2.5.1.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende per e-mailbericht van 3 november 2022 verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie op 8 november 2022 om 13.00 uur. DRZ heeft de bevindingen ten aanzien van de auto neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling) van 9 november 2022. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 66.705, de netto catalogusprijs op € 38.696 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 37.008 (koerslijst AutotelexPro). De aftrek wegens schade is vastgesteld op € 8.888 (72% van een schadecalculatie op € 12.344), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 28.120 bedraagt. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 200 gram/km en een opgegeven kilometerstand RDW van 50.238 km.
2.5.2.
Onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” is in het rapport onderzoek waardebepaling DRZ ten aanzien van een aantal in de schadecalculatie van belanghebbende opgevoerde schadeposten vermeld dat sprake is van “geen schade” of dat deze “valt onder gebruikersschade” en zijn ook de daarin vermelde nevenwerkzaamheden besproken en beoordeeld. Daarbij zijn de in de schadecalculatie van belanghebbende opgenomen “vergoeding ex huur” en “uitlijnen” “op basis van reparatielogica afgewezen”. Onder het kopje “Overige opmerkingen” is vermeld:
“Het aangegeven voertuig is op de datum 1e toelating niet in Nederland leverbaar geweest en dus ook niet te selecteren in een koerslijst. Hierdoor hebben wij voor de typeselectie gebruikt gemaakt van het meest overeenkomstige model. (motorvermogen)”
2.5.3.
Tot het dossier behoort een “Calculatie reparatiekosten” opgemaakt door DRZ, die optelt tot het eerdergenoemde bedrag van (afgerond) € 12.344.
2.6.
De SilverDAT VIN-informatie van de auto vermeldt als model en sub-model de “Tiguan (…) R-Line 4Motion”.
2.7.1.
Op 2 januari 2023 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
Voor de bepaling van de inkoopwaarde in onbeschadigde staat ga ik uit van de koerslijst AutoTelex Pro, zoals opgemaakt door DRZ. Omdat het aangegeven voertuig op datum eerste toelating niet leverbaar was in Nederland heeft DRZ de koerslijst opgemaakt op basis van het meest overeenkomende model. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde
in onbeschadigde staat van € 37.008.
Schade
(…)
Er is door uw taxateur onterecht 87,1% van de schade als waardevermindering aangemerkt. Het betreft een voertuig uit 2021 met 50.328 kilometer op de teller. Mijns inziens is uw taxateur ten onrechte van 87,1% waardevermindering vanwege schade uitgegaan zonder hier een deugdelijke onderbouwing voor te geven. (…)
(…).”
2.7.2.
Met dagtekening 24 februari 2023 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van het onder 2.5 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 6.380.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“(…)
Historische nieuwprijs, handelsinkoopwaarde en schade
8. Eiseres stelt dat, gelet op het arrest van 22 december 2023[2], de historische nieuwprijs van de auto € 70.356 (€ 38.696 (netto catalogusprijs DRZ) + € 8.126 btw + € 23.534 bruto Bpm) bedraagt en dat dit, uitgaande van de door DRZ gebruikte handelsinkoopwaarde van € 28.120, tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.500 (€ 28.120 handelsinkoopwaarde DRZ -/- € 4.085 ex-huurverleden = € 24.035 handelsinkoopwaarde), dan wel € 5.867 leidt.
9. Verweerder heeft op dit punt - kort samengevat - aangevoerd dat het taxatierapport wegens diverse formele- en materiële gebreken niet kan dienen om de waarde dan wel de (omvang van de) schade van de auto te bepalen, en dat, nu er tussen de auto en de referentieauto uit de door DRZ gebruikte koerslijst diverse verschillen bestaan, ook geen gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode. De verschuldigde Bpm had daarom aan de hand van de forfaitaire tabel moeten worden vastgesteld, hetgeen meebrengt dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is, aldus verweerder.
10. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiele gebreken van het taxatierapport kan het taxatierapport van eiseres niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het taxatierapport zonder nadere toelichting 87% van de gecalculeerde schade inclusief een niet nader onderbouwde stelpost van € 4.000 wegens huurverleden in mindering is gebracht. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met (normale) gebruikersschade. Verder wordt in het taxatierapport de algemene toestand van de auto als matig aangemerkt, terwijl in het taxatierapport de toestand van de onderdelen van de auto afzonderlijk (technisch, onderstel, carrosserie, interieur en banden) als redelijk is aangemerkt. Dit is in tegenspraak met de door de taxateur vastgestelde schade van € 28.132. Daarnaast acht de rechtbank het opmerkelijk dat de auto slechts een handelsinkoopwaarde van € 10.000 zou hebben, terwijl eiseres, een professionele autohandelaar, de auto voor € 29.700 heeft gekocht. Eiseres heeft voor dit verschil geen verklaring gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder aannemelijk gemaakt dat de hogere historische nieuwprijs van de auto in het onderhavige geval niet resulteert in een verlaging van de naheffingsaanslag, omdat bij de aanslagoplegging van een te lage handelsinkoopwaarde is uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er geen koerslijst van de auto bestaat en dat tussen de auto en de referentieauto uit de door DRZ gebruikte koerslijst diverse verschillen bestaan. Zo heeft de auto een CO2-uitstoot van 200 gr/km, een motorvermogen van 180 KW en een gewicht van 1.690 kg, terwijl de referentieauto een CO2-uitstoot heeft van 201 gr/km, een motorvermogen van 169 KW en een gewicht van 1.595 kg. Daarnaast blijkt uit de SilverDAT VIN-informatie van de auto in het DRZ-rapport dat de auto een ander model, namelijk een R-Line 4Motion, betreft dan het model van de referentieauto, een 4Motion Highline. Verweerder heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat niet alleen de historische nieuwprijs maar óók de handelsinkoopwaarde van de onderhavige auto hoger zal zijn dan die van de referentieauto en dat daarom de koerslijstmethode niet kan worden toegepast.
12. Eiseres heeft ter zitting nog aangevoerd dat verweerder op grond van het vertrouwensbeginsel alsnog de handelsinkoopwaarde van de referentieauto van de door DRZ gebruikte koerslijst dient toe te passen. Dit vanwege de omstandigheid dat tot het onder 8. vermelde arrest de handelsinkoopwaarde niet in geschil was en het thans voor verweerder te laat is om in deze procedure nog op de handelsinkoopwaarde terug te komen. Ook heeft verweerder volgens eiseres in strijd met zijn eigen beleid gehandeld door niet de handelsinkoopwaarde van de referentieauto toe te passen, omdat de verschillen tussen de auto en de referentieauto niet dusdanig van elkaar verschillen dat dit toepassing van de koerslijstmethode in de weg staat. Eiseres heeft hiervoor verwezen naar een interne e-mail van verweerder van 15 april 2024 met als titel “Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten”.
13. Voormeld beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Het staat verweerder in beginsel vrij in de procedure voor de rechtbank ter ondersteuning van de door hem opgelegde naheffingsaanslag een ander standpunt in te nemen dan hij in de bezwaarfase heeft ingenomen. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde.[3] Dat doet zich thans evenwel niet voor. Uit het verweerschrift valt namelijk duidelijk op te maken dat de handelsinkoopwaarde van de auto wel degelijk in geschil was en dat verweerder zich daarover in het verweerschrift heeft uitgelaten. Van een expliciete standpuntbepaling aan de zijde van verweerder is dan ook geen sprake. Ook anderszins valt niet in te zien dat sprake zou zijn van schending van de goede procesorde, aangezien eiseres ter zitting in de gelegenheid is gesteld om zich hierover uit te laten, hetgeen eiseres ook heeft gedaan.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenmin een standpunt ingenomen dat in strijd is met zijn eigen beleid. In de door eiseres ingebrachte e-mail is door verweerder slechts aangegeven dat het niet de bedoeling is om in individuele gevallen de koerslijstwaarde ter zijde te stellen met een beroep op de stelling dat de koerslijst niet is gebaseerd op handelstransacties, en verder dat verweerder wel dient te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met de auto uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot. Gelet op de hiervoor onder 11. genoemde verschillen in motorvermogen, gewicht en het type model is naar het oordeel van de rechtbank sprake van meer dan verdergaande afwijkingen als hiervoor bedoeld. Dat betekent dat verweerder in deze procedure niet in strijd heeft gehandeld met zijn eigen beleid. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook in zoverre niet.
15. Gelet op het vorenstaande kan van de koerslijstmethode geen gebruik worden gemaakt. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Eiseres heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
Rentebeschikking
16. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de rentebeschikking. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie
17. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schade

18. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 1 maart 2023 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van 10 februari 2025. De redelijke termijn is dus niet overschreden. Eiseres komt dan ook niet voor een vergoeding van immateriële schade in aanmerking.
Proceskosten
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[3] vgl. Hoge Raad 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt:
  • tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
  • tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
  • primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
  • subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 24.035 (€ 28.120 conform rapport onderzoek waardebepaling DRZ minus € 4.000 wegens ex-rental correctie en € 85 correctie wegens uitlijning), de historische nieuwprijs op € 70.356, de verschuldigde bpm op € 8.039 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.500;
  • meer subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 28.120 (conform rapport onderzoek waardebepaling DRZ), de historische nieuwprijs op € 70.356, de verschuldigde bpm op € 9.406 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 5.867,
en tot dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikking.
Verder verzoekt belanghebbende het Hof een (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase toe te kennen.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt primair dat het van haar zijde ingediende taxatierapport als uitgangspunt moet worden genomen en dat zij in aanmerking komt voor een vermindering van de handelsinkoopwaarde wegens schade, het huurverleden (ex-rental) en het uitlijnen van de auto tot het daarvoor in totaal in aanmerking genomen bedrag in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport (€ 24.500; zie 2.4.1). Mocht het Hof tot de conclusie komen dat het taxatierapport niet kan dienen ter bepaling van de handelsinkoopwaarde, doet belanghebbende een beroep op het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ, waarbij de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is bepaald op € 28.120. In dit kader beroept belanghebbende zich (ook) op het vertrouwensbeginsel, nu de Inspecteur eerst in de beroepsfase de stelling heeft betrokken dat sprake is van essentiële gebreken, terwijl in de naheffingsfase wel rekening is gehouden met een (lagere) vermindering wegens schade, en daarmee een beroep doet op interne compensatie. Het vertrouwensbeginsel staat volgens belanghebbende aan een beroep op interne compensatie in de weg. Op het bedrag van € 28.120 moet dan nog een vermindering wegens het huurverleden en het uitlijnen van de auto plaatsvinden tot een bedrag van € 4.085. Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur de historische nieuwprijs op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
5.2.
De Inspecteur stelt dat het taxatierapport van belanghebbende om meerdere redenen niet concludent is en niet kan dienen als bewijs van de gehele daarin geclaimde vermindering van in totaal € 24.500. Er is, aldus de Inspecteur, buiten het taxatierapport geen enkel (aanvullend) bewijs ter onderbouwing van de hogere voorgestane vermindering ingebracht, terwijl in het taxatierapport en daarbij horende schadecalculatie ook normale gebruiksschade of slijtage is meegenomen die niet voor aftrek in aanmerking komt. Verder is in de schadecalculatie essentiële schade verwerkt, die eerst hersteld had moeten worden. Ook heeft belanghebbende volgens de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ex-rental en dat, zo hier al sprake van zou zijn, in dit geval een waardevermindering van uit gaat. Verder geldt voor uitlijnen dat dit kwalificeert als onderhoud en niet als schade in aftrek kan komen. De Inspecteur beroept zich op interne compensatie, omdat wegens de formele en materiële gebreken aan het taxatierapport de naheffingsaanslag berekend had moeten worden met toepassing van de forfaitaire tabel nu tussen de auto en de referentieauto in de koerslijst diverse verschillen bestaan en om die reden ook geen gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode en verder om reden van het verschil tussen de door belanghebbende betaalde aankoopsom voor de auto (€ 29.700), de door de taxateur van belanghebbende gehanteerde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat (€ 10.000) en de door de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag gehanteerde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat (€ 28.120). Belanghebbende is een autohandelaar en het is niet te rijmen dat deze bij aankoop van de auto een veelvoud van de door haar taxateur vastgestelde handelsinkoopwaarde betaalt en aangifte doet naar deze lagere waarde. De naheffingsaanslag is, aldus de Inspecteur, eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
5.3.
Het Hof is van oordeel dat het taxatierapport van de zijde van belanghebbende niet kan dienen. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij overweging 10 van de Rechtbank en voegt daar nog het volgende aan toe. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen verklaren waar de op de gemiddelde vraagprijs voor referentievoertuigen in mindering gebrachte handelsmarge van 40% op is gebaseerd. Verder heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting desgevraagd onderkend dat het kenteken dat is vermeld op de onder 2.4.3 vermelde Zulassing, dat is overgelegd ten bewijze van een huurverleden van de auto, niet lijkt overeen te komen met het kenteken van de auto en heeft hij op zitting niet kunnen verklaren of onderbouwen dat deze Zulassung desondanks op de auto betrekking heeft, hetgeen overigens zonder die onderbouwing ook niet aannemelijk is. Nog daargelaten dat de vermelding van [Autoverhuurbedrijf] op deze Zulassung, gelijk de Inspecteur ter zitting heeft gesteld en de gemachtigde van belanghebbende niet heeft weersproken, ook kan zien op andere activiteiten van [Autoverhuurbedrijf] , zoals langdurige verhuur, of lease of dat sprake kan zijn van een bedrijfsauto die aan de werknemers ter beschikking is gesteld. Evenmin heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting (voldoende) weersproken dat in de schadecalculatie ook normale gebruiksschade in aanmerking is genomen en dat uitlijnen als onderhoud is te beschouwen, terwijl deze posten wel in de schadecalculatie zijn opgenomen. Een en ander maakt dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de bpm niet kan worden vastgesteld op basis van het taxatierapport.
5.4.
Door belanghebbende is aangifte gedaan van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4motion Highline, terwijl het volgens de SilverDAT VIN-informatie van de auto (zie 2.6) om een “Tiguan (…) R-Line 4Motion” gaat. Partijen zijn het erover eens dat de auto niet in een koerslijst voorkomt, nu de auto op de datum eerste toelating niet in Nederland leverbaar is geweest en een niet op de Nederlandse markt verkrijgbaar model betreft. Om die reden heeft DRZ bij het onderzoek waardebepaling voor de typeselectie binnen de koerslijstmethode gebruik gemaakt van het “meest overeenkomstige model” qua motorvermogen (zie 2.5.2).
5.5.
Belanghebbende doet een beroep op het rapport onderzoek waardebepaling, en de daarbij toegepaste koerslijst, voor het geval het taxatierapport van zijn zijde niet kan dienen. Voor zover nodig doet zij hierbij een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur stelt dat de forfaitaire tabel moet worden toegepast, omdat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen. Het rapport onderzoek waardebepaling, en de daarin gebruikte koerslijst, kan niet als uitgangspunt worden genomen, nu vaststaat dat meerdere verschillen tussen de auto en het referentievoertuig bestaan (onder andere uitvoering, CO2-uitstoot, vermogen en gewicht). Belanghebbende komt daarom geen beroep toe op het rapport onderzoek waardebepaling.
5.6.
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. Het is aan belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door haar verdedigde waardedaling. Daartoe heeft belanghebbende onvoldoende ingebracht. De auto komt niet voor in enige koerslijst. De koerslijsten gaan uit van Nederlandse modellen en uitvoeringen die niet overeenkomen met de auto. De auto wijkt onder meer wat betreft uitvoering, vermogen en gewicht af van de referentieauto. Het ongewijzigd overnemen van de koerslijstwaarde van de referentieauto is om deze reden al niet aan de orde. Het Hof acht het niet aannemelijk dat geen waardevermeerderende of waardeverminderende factoren in aanmerking hoeven te worden genomen omdat, zoals de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof nog heeft gesteld, het neutraal uitwerkt. Het Hof gaat er, gelet op de stukken van het geding, vanuit dat de handelsinkoopwaarde minimaal op een dusdanig bedrag moet worden gesteld, dat de afschrijving (met inachtneming van de hogere historische nieuwprijs) vergelijkbaar is met die van de referentieauto. De naheffingsaanslag is dan ook hoogstwaarschijnlijk eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
5.7.
Ook een beroep op het vertrouwensbeginsel kan belanghebbende niet baten. Zij stelt dat de Inspecteur eerst in de beroepsfase heeft gesteld dat de handelsinkoopwaarde moet worden verhoogd. Nu in het rapport van de hertaxatie en in de naheffingsfase wel rekening is gehouden met een bepaalde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van een koerslijst en een vermindering wegens schade, is het volgens belanghebbende in strijd met het vertrouwensbeginsel dat de Inspecteur zich nu op interne compensatie beroept. De
Inspecteur heeft in de bezwaar- en beroepsfase echter geen enkel standpunt ingenomen als gevolg waarvan hij zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie, zou hebben prijsgegeven. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is in de kennisgeving van de naheffingsaanslag geen bewuste standpuntbepaling te lezen. Verder geldt dat de Inspecteur geen toezegging heeft gedaan dat bepaalde standpunten, zoals bijvoorbeeld het bestaan van essentiële gebreken of de door belanghebbende betaalde aankoopprijs, niet zou worden betrokken in het verloop van de procedure. Het staat de Inspecteur dan ook vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Dit geldt eens te meer nu belanghebbende bij het doen van aangifte, met het bijbehorende taxatierapport, de feiten anders heeft gepresenteerd dan ze in werkelijkheid waren (zie 5.3 en 5.4). Deze stelling faalt derhalve.
Belastingrente
5.8.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.