ECLI:NL:GHDHA:2026:1841

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.335.605/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:84 lid 2 BWArt. 3:253 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep rekening-courantvordering en pandrecht tussen vastgoedvennootschappen

In deze civiele procedure vordert RBR I betaling van een schuld uit hoofde van een rekening-courantverhouding van VDH. VDH betwist de vordering met een beroep op een dividendvordering die zij zou kunnen verrekenen en op een pandrecht dat inning van de rekening-courantschuld zou blokkeren.

Het hof stelt vast dat de pandakte niet duidelijk en toereikend is om een pandrecht op vorderingen van RBR I op VDH te vestigen. Daarnaast is de dividendvordering van VDH slechts toekomstig en niet afdwingbaar, zodat verrekening niet mogelijk is. De rechtbank heeft de vordering van RBR I eerder toegewezen, maar het hof vernietigt het vonnis voor zover het de rente betreft en wijzigt dit in het voordeel van RBR I.

Verder wijst het hof de overige grieven van VDH af, waaronder het beroep op misbruik van recht en het betoog dat de procedure niet rechtsgeldig is gestart. Het hof veroordeelt VDH tot betaling van de hoofdsom met gewijzigde rente en in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: VDH wordt veroordeeld tot betaling van de rekening-courantschuld met gewijzigde rente en in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.335.605/02
Zaaknummer rechtbank : C/09/642815 / HA ZA 23-151
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
VDH Participatiemij B.V.,
gevestigd in Nijmegen,
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. A. al Mansouri, kantoorhoudend in Nijmegen,
tegen
RBR Real Estate I – [straatnaam] B.V.,
gevestigd in Hillegom,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. D. Sjouke, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof zal partijen hierna VDH en RBR I noemen.

1.De zaak in het kort

1.1
RBR I is een vennootschap waarin een vastgoedproject wordt ontwikkeld. VDH is aandeelhouder van RBR I. Tussen VDH en RBR I bestaat een rekening-courantverhouding. In deze procedure vordert RBR I betaling van de schuld die VDH uit hoofde van de rekening-courantverhouding heeft. VDH heeft de vordering betwist. Zij is van mening dat zij een dividendvordering op RBR I heeft die zij kan verrekenen en dat haar een beroep toekomt op een pandrecht dat aan inning door RBR I in de weg staat.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 13 november 2023 waarmee VDH in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2023;
  • de memorie van grieven tevens eiswijziging van VDH, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel van RBR I, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van VDH, met bijlage;
  • de aktes overlegging producties van VDH, met bijlagen;
  • de productie 28 van RBR I.
2.2
Op 21 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

3.Feiten en procedure bij de rechtbank

3.1
De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Grief 1 houdt in dat de rechtbank een aantal feiten niet heeft vermeld. Deze grief kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden, maar het hof zal hieronder – voor zover nodig – rekening houden met wat VDH in de toelichting op grief 1 naar voren heeft gebracht.
3.2
Het gaat in deze zaak om het volgende.
i) [naam 1] en [naam 2] hebben geruime tijd samengewerkt in vastgoedprojecten. In 2016 hebben zij het plan opgevat om vijf projecten in [naamplaats] te realiseren, waarvan het project aan de [straatnaam] het eerste was. De taakverdeling was als volgt. [naam 2] was verantwoordelijk voor de financiering en structurering van de projecten. [naam 1] nam de bouwkundige zaken en bouwbegeleiding voor zijn rekening. Tot slot werd er samengewerkt met [naam 3] die zich bezighield met de verhuur en verkoop van de projecten.
ii) Op 31 oktober 2016 hebben [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor het project [straatnaam] .
iii) Op 23 november 2016 is RBR I opgericht ten behoeve van de realisatie en beheer van het project [straatnaam] . Voor de vier andere projecten zijn ook vennootschappen opgericht, hierna aangeduid als RBR II tot en met V.
iv) RBR I heeft twee aandeelhouders: VDH is voor een derde aandeelhouder en RR Real Estate Restructuring B.V. (hierna: RR) voor twee derde. RR is de enig bestuurder van RBR I.
v) VDH is een participatiemaatschappij van [naam 1] . [naam 2] is indirect bestuurder van RR.
vi) Op 1 januari 2017 is er een overeenkomst ‘verpanding vorderingen’ tot stand gekomen tussen RBR I als pandgever en VDH en RR als pandhouders.
vii) RBR I en VDH hebben een rekening-courantovereenkomst gesloten met als ingangsdatum 1 januari 2018.
viii) Eind 2021 hebben [naam 1] en [naam 2] een conflict gekregen over de samenwerking. Bij brief van 30 december 2021 heeft RBR I de rekening-courant-overeenkomst met VDH opgezegd tegen 31 maart 2022.
ix) Bij brief van 29 april 2022 heeft RBR I VDH gesommeerd het openstaande saldo binnen acht dagen af te lossen.
x) Eind januari 2023 heeft RBR I conservatoir beslag gelegd op de aandelen van VDH in RBR I tot en met V.
3.3
In deze procedure heeft RBR I gevorderd dat VDH € 286.944,45, met rente en kosten, aan haar betaalt. Dit betreft het volgens RBR I openstaande saldo van de rekening-courantverhouding per 31 december 2021.
3.4
In reconventie heeft VDH de opheffing van de door RBR I gelegde beslagen gevorderd.
3.5
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van RBR I toegewezen en de vordering van VDH afgewezen.

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
VDH heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot afwijzing van de vordering van RBR I en tot toewijzing van de vordering van VDH.
4.2
RBR I heeft de grieven van VDH weersproken. In incidenteel appel heeft RBR I geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis op het punt van de rente over haar vordering.
Principaal appel
4.3
VDH heeft in grief 2 aangevoerd dat RBR I in de pandakte van 1 januari 2017 al haar huidige en toekomstige vorderingen op derden en op VDH aan VDH heeft verpand tot zekerheid van al hetgeen VDH blijkens haar administratie van RBR I te vorderen heeft. Uit de administratie van VDH blijkt dat VDH een (toekomstige) dividendvordering op RBR I heeft van € 343.784,-. Voor deze (toekomstige) vordering mag VDH haar pandrecht inroepen tot zekerheid. In samenhang daarmee heeft VDH in grief 3 onder meer aangevoerd dat zij haar (toekomstige) dividendvordering op RBR I mag verrekenen met de rekening-courantschuld van RBR I op VDH. Dit betekent dat RBR I geen opeisbare vordering (meer) op VDH heeft, aldus VDH.
4.4
In de pandakte (waarin VDH en RR als ‘pandnemer’ zijn omschreven en RBR I als ‘pandgever’) staat onder meer het volgende:
“Verklaring te zijn overeengekomen:
tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de pandnemer blijkens haar administratie van pandgever te vorderen heeft of te vorderen mocht hebben (…), vestigt de pandgever ten behoeve van de pandnemer, die in pand aanneemt een pandrecht op het navolgende onderpand. (…)
Het onderpand bevat de navolgende genoemde bestanddelen:
Alle ten tijde van opmaak van deze akte bestaande rechten/vorderingen van de pandgever op derden met alle daaraan verbonden rechten en zekerheden en alle rechten/vorderingen die worden verkregen uit ten tijde van de opmaak van deze akte bestaande rechtsverhoudingen tussen pandgever en derden, (…)
Tevens worden aan de pandnemer verpand de huidige en toekomstige rechten/vorderingen die een of meerdere pandgevers op een of meerdere pandgevers hebben (…). De pandgevers delen het pandrecht hierbij aan elkaar mee. Het in deze akte en na te melden algemene bepalingen ten aanzien van vorderingen op derden bepaalde geldt eveneens voor rechten/vorderingen tussen pandgevers onderling. (…)”
4.5
Het hof stelt vast dat de tekst van de pandakte niet geheel is toegesneden op de verhouding tussen RBR I, VDH en RR. Zo staat er in de akte dat er een of meer pandgevers zijn, terwijl duidelijk is dat in de onderlinge relatie van de drie hiervoor genoemde vennootschappen alleen RBR I pandgever is. RBR I heeft toegelicht dat dit komt omdat de pandakte is opgemaakt zonder tussenkomst van een advocaat en dat de tekst van de akte is overgenomen uit een andere pandakte die is opgesteld door de Rabobank. De voorbeeldakte heeft RBR I als productie 22 bij memorie van antwoord overgelegd.
4.6
Beoordeeld moet worden of in de pandakte ook de vorderingen van RBR I op VDH aan VDH zijn verpand. Dat zou het geval kunnen zijn indien VDH als ‘derde’ kan worden beschouwd. Die lezing is echter niet aannemelijk omdat VDH en RR in de akte uitdrukkelijk als ‘pandnemer’ zijn gedefinieerd en in het kader van de akte niet zijn aan te merken als ‘derden’. Een andere mogelijkheid is dat in de hiervoor geciteerde alinea die begint met “Tevens worden aan…” een verschrijving staat. Die verschrijving zou inhouden dat met de eerste zin van die alinea bedoeld wordt: “Tevens worden aan de pandnemer verpand de huidige en toekomstige rechten/vorderingen die een of meerdere pandgevers op een of meerdere pandnemers (in plaats van pandgevers,
hof) hebben.” Die lezing acht het hof niet voor de hand liggend gelet op de daaropvolgende zin: “De pandgevers delen het pandrecht hierbij elkaar mee.” Die zin zou dan moeten luiden: “De pandgevers delen het pandrecht hierbij aan de pandnemers mee.” Deze zin zou dan ook op een verschrijving moeten berusten. Daar komt bij dat de mededeling – anders dan in de akte staat te lezen – niet aan de “pandnemers” maar aan de schuldenaar/schuldenaren dient te hebben plaatsgevonden. Als ook hier sprake is van een verschrijving dan is de inhoud van de verschrijvingen van dien aard dat aan het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW Pro niet wordt voldaan. De akte van verpanding bevat dan niet zodanige gegevens dat, ook thans achteraf niet, kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat.
4.7
Daar komt bij dat de door RBR I opgestelde akte (voor zover relevant) inhoudelijk vrijwel gelijkluidend is aan de akte van de Rabobank die volgens RBR I als voorbeeld heeft gediend. Ook de alinea waarin volgens VDH een verschrijving zou staan, is gelijk aan die uit de akte van de Rabobank. In de Rabobank-akte is die alinea kennelijk bedoelt om Rabobank een pandrecht te verstrekken op intercompanyvorderingen (vorderingen van de ene pandgever op een andere pandgever). Die situatie doet zich hier niet voor. VDH voert aan dat de akte niet ‘puur grammaticaal’ moet worden uitgelegd, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat partijen een zo ruim mogelijke zekerheidstelling hebben beoogd. Er moeten echter aanwijzingen zijn dat er in de akte iets anders staat (pandgever) dan partijen hebben bedoeld (pandnemer), ook als het uitgangspunt is dat er een zo ruim mogelijke zekerheidstelling is beoogd. Gesteld noch gebleken is dat partijen over de alinea waar het hier om gaat, gesproken en/of onderhandeld hebben en daarbij voor ogen hebben gehad om (in afwijking van de voorbeeldakte) in hun eigen pandakte vast te leggen dat RBR I ook vorderingen op VDH aan VDH in pand zou geven, maar dat die bedoeling als gevolg van een verschrijving niet in de akte tot uitdrukking is gekomen. In de gegeven omstandigheden is het waarschijnlijker dat de desbetreffende alinea is overgenomen, zonder te beseffen dat die alinea in de gegeven situatie zinledig zou zijn.
4.8
Het hof is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat VDH geen pandrecht heeft op vorderingen van RBR I op VDH.
4.9
Maar ook als RBR I haar vorderingen op VDH wel aan VDH verpand heeft, kan de grief niet slagen. Het hof licht dit als volgt toe.
4.1
De vordering waarvoor VDH haar pandrecht inroept, is een vordering tot betaling van dividend. VDH verwijst in dat verband naar een brief van 5 december 2023 van VDH aan RBR I, waarin VDH aanspraak maakt op betaling van een bedrag van € 343.784,- aan dividend, zijnde een derde van het eigen vermogen van RBR I per 31 december 2022. Omdat er geen activiteiten meer worden ontwikkeld in RBR I en er geen schulden zijn, kan er volgens VDH van worden uitgegaan dat het eigen vermogen zal worden uitgekeerd aan de aandeelhouders VDH en RR, in een verhouding een derde – twee derde.
4.11
RBR I heeft deze vordering betwist. Het is volgens haar hoogst onzeker of er in de toekomst dividend zal worden uitgekeerd. Er is daartoe nog geen besluit genomen. RBR I wijst op een aandeelhoudersbesluit van 30 december 2020 waarbij de aandeelhouders hebben ingestemd met het voorstel van de bestuurder om de gehele verkoopopbrengst van het beleggingspand aan te wenden voor een (her)investering in een ander beleggingspand, namelijk het beleggingspand dat door RBR IV wordt ontwikkeld. Het aandeelhoudersbesluit is mede ondertekend door [naam 1] , namens VDH. RBR I heeft verder de aandeelhoudersbesluiten uit de afgelopen jaren ter vaststelling van de jaarrekeningen overgelegd, waaruit volgens haar volgt dat er nooit een dividendbesluit is genomen.
4.12
VDH heeft de stellingen van RBR I niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Zolang er nog geen aandeelhoudersbesluit is genomen, heeft VDH geen bestaande vordering op RBR I, maar slechts een toekomstige vordering. Dat betekent dat VDH, mocht er al een pandrecht gevestigd zijn, dit pandrecht niet kan uitoefenen. Als het standpunt van VDH zo begrepen moeten worden dat zij de vordering van RBR I op VDH als pandhouder reeds heeft geïnd, slaagt de grief niet omdat VDH dan heeft geïnd voor een niet bestaande vordering en als pandhouder gehouden is de opbrengst tot het beloop van de vordering van RBR I op VDH, aan RBR I af te dragen (art. 3:253 lid 1 BW Pro).
4.13
Dit alles betekent dat ook het beroep op verrekening faalt. Voor verrekening is vereist (art. 6:127 lid 2 BW Pro) dat degene die zich op verrekening beroept, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen. Betaling van een toekomstige, dus niet bestaande, vordering kan niet worden afgedwongen. Dat de toekomstige vordering die VDH pretendeert inmiddels een bestaande vordering is geworden of dat RBR I en VDH een ruimere (en toelaatbare) verrekeningsbevoegdheid hebben afgesproken dan de wet toelaat, is gesteld noch gebleken.
4.14
VDH heeft in grief 3 nog aangevoerd dat de rechtbank in rov. 4.18-4.26 ten onrechte heeft overwogen dat de betalingen aan VDH onder de rekening-courantovereenkomst niet beschouwd kunnen worden als voorschotten op dividenduitkeringen, die VDH niet hoeft terug te betalen aan RBR I.
4.15
RBR I heeft deze stelling betwist en aangevoerd dat de bedragen waarop VDH doelt in rekening-courant zijn geboekt in het kader van de “doorleenconstructie”. RBR I heeft dit als volgt toegelicht. In 2021 is besloten om het vastgoed in RBR I te verkopen en de liquide baten voortvloeiend uit de verkoop in rekening-courant op te nemen met als doel deze bedragen, als herinvestering, weer beschikbaar te stellen aan RBR III en RBR IV. Op deze manier konden deze projecten met eigen middelen worden gefinancierd. Deze werkwijze was volgens RBR I fiscaal voordelig. De afspraken zijn vastgelegd in e-mailcorrespondentie uit maart en juni 2021, aldus RBR I.
4.16
Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat [naam 2] in maart 2021 heeft voorgesteld om RBR III te financieren (onder meer) doordat RBR I een bedrag van € 135.000,- overmaakt aan VDH, waarna VDH dit bedrag leent aan RBR III (e-mail van 15 maart 2021). [naam 1] heeft met dit voorstel ingestemd (e-mail van 16 maart 2021). In juni 2021 heeft [naam 2] een soortgelijk voorstel gedaan voor de financiering van RBR IV. VDH heeft ingestemd om via deze route een bedrag van € 150.000,- bij te dragen (e-mails van 29 juni 2021). Dit impliceert dat RBR I de desbetreffende bedragen niet als voorschot op een dividenduitkering heeft betaald, maar dat de bedoeling ervan was om via een fiscaal voordelige route met leningen de opbrengsten door te sluizen naar andere RBR-vennootschappen.
4.17
Voor het overige geldt dat VDH in haar memorie van grieven onvoldoende concreet heeft toegelicht welke door RBR I uitgekeerde in rekening-courant geboekte bedragen zouden zijn aan te merken als voorschotten op dividenduitkeringen en waarom de overwegingen 4.18-4.26 van het bestreden vonnis onjuist zouden zijn.
4.18
Met grief 4 voert VDH aan dat RBR I misbruik van recht maakt door de onderhavige procedure te beginnen. Uit het voorafgaande vloeit voort dat dit niet het geval is. Deze grief is dus ongegrond.
4.19
Met grief 5 voert VDH aan dat RR (als bestuurder van RBR I) niet zelfstandig heeft kunnen besluiten om deze procedure aanhangig te maken omdat er in de samenwerkingsovereenkomst een instemmingsrecht voor [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] is opgenomen. Dit houdt in dat voor alle verplichtingen die RBR I aangaat, voorafgaande instemming nodig hebben van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Volgens VDH moet de samenwerkingsovereenkomst worden gezien als een aandeelhoudersovereenkomst.
4.2
De grief faalt. De samenwerkingsovereenkomst is aangegaan tussen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . RBR I en haar aandeelhouders (VDH en RR) zijn daarbij geen partij. Uit de samenwerkingsovereenkomst vloeit niet voort dat RR instemming van de aandeelhouders nodig had alvorens deze procedure aanhangig te maken.
4.21
Met grief 6 voert VDH aan dat [naam 2] een tegenstrijdig belang heeft. [naam 2] handelt volgens VDH niet in het belang van RBR I, omdat hij de vennootschap op onnodige kosten jaagt. Noch daargelaten dat niet is gebleken dat [naam 2] voor RBR I onnodige kosten heeft veroorzaakt door deze procedure aanhangig te laten maken door RBR I, ziet VDH eraan voorbij dat [naam 2] geen procespartij is. Het is het hof dan ook niet duidelijk wat VDH met deze grief in deze procedure wil bereiken. De grief faalt daarom.
4.22
Uit het voorafgaande volgt dat ook grief 7 (opzegging rekening-courantovereenkomst), grief 8 (opheffing beslagen) en grief 9 (proceskostenveroordeling in eerste aanleg) falen.
Incidenteel appel
4.23
RBR I heeft aangevoerd dat zij in eerste aanleg abusievelijk slechts wettelijke rente heeft gevorderd tot en met 31 januari 2023. Zij maakt nu aanspraak op wettelijke rente vanaf 1 april 2022 (datum beëindiging van de rekening-courantovereenkomst) tot aan de dag van volledige betaling. Zij wijzigt daarom haar vordering aldus dat zij tot en met 31 maart 2022 betaling van de contractueel rente van 5% per jaar vordert. Over de periode vanaf 1 april 2022 vordert RBR I – naar het hof begrijpt – betaling van de wettelijke rente over de vordering.
4.24
VDH heeft ter betwisting van de grief aangevoerd dat – kort gezegd – RBR I geen vordering op haar heeft. Die stelling is hiervoor al besproken en onjuist bevonden. Voor het overige heeft VDH de grief van RBR I niet betwist. Het hof acht de grief daarom gegrond. Het bestreden vonnis zal op het punt van de door VDH verschuldigde rente worden vernietigd en de gewijzigde vordering van RBR I zal worden toegewezen.
Conclusie en proceskosten
4.25
De conclusie is dat het principaal hoger beroep niet slaagt. Het hof zal VDH veroordelen in de kosten daarvan. Deze worden begroot op € 5.689,- aan griffierechten, € 9.414,- (2 punten, tarief VI) aan salaris advocaat en € 189,- aan nasalaris.
4.26
Het incidenteel hoger beroep slaagt. Uit praktische overwegingen zal het hof rov. 5.1 volledig vernietigen en de gewijzigde vordering van RBR I toewijzen. VDH zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.290,- (1 punt, tarief II).

5.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2023 voor zover VDH onder 5.1 is veroordeeld om aan RBR I een bedrag van € 286.944,45 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro daarover met ingang van 31 december 2021 tot en met 31 januari 2023,
en
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt VDH om aan RBR I te betalen een bedrag van € 286.944,45 te vermeerderen met de contractuele rente van vijf procent tot en met 31 maart 2022, en vervolgens vanaf 1 april 2022 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
  • veroordeelt VDH in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van RBR I begroot op € 16.582,-;
  • bepaalt dat als VDH niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend VDH de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M. Verkerk, R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.