Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/09/642815 / HA ZA 23-151
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 13 november 2023 waarmee VDH in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2023;
- de memorie van grieven tevens eiswijziging van VDH, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel van RBR I, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van VDH, met bijlage;
- de aktes overlegging producties van VDH, met bijlagen;
- de productie 28 van RBR I.
3.Feiten en procedure bij de rechtbank
4.Beoordeling in hoger beroep
hof) hebben.” Die lezing acht het hof niet voor de hand liggend gelet op de daaropvolgende zin: “De pandgevers delen het pandrecht hierbij elkaar mee.” Die zin zou dan moeten luiden: “De pandgevers delen het pandrecht hierbij aan de pandnemers mee.” Deze zin zou dan ook op een verschrijving moeten berusten. Daar komt bij dat de mededeling – anders dan in de akte staat te lezen – niet aan de “pandnemers” maar aan de schuldenaar/schuldenaren dient te hebben plaatsgevonden. Als ook hier sprake is van een verschrijving dan is de inhoud van de verschrijvingen van dien aard dat aan het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW Pro niet wordt voldaan. De akte van verpanding bevat dan niet zodanige gegevens dat, ook thans achteraf niet, kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat.
5.Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
- veroordeelt VDH in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van RBR I begroot op € 16.582,-;
- bepaalt dat als VDH niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend VDH de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.