Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1871

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
200.355.793/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:655 lid 1 BWArt. 7:625 BWArt. 7:629 lid 3 onderdeel c BWArt. 7:629 lid 6 BWArt. 7:629 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep loonbetaling tijdens ziekte en werkgeverschap onduidelijkheid

In deze zaak staat centraal wie de werkgever is van de werknemer [geïntimeerde] en de vraag over de loonbetaling tijdens ziekte. [Geïntimeerde] is sinds 20 juni 2023 ziek gemeld en er is sprake van wanbetaling door Euro Werk c.s. Eerder zijn al twee kortgedingvonnissen gewezen waarin Euro Werk c.s. hoofdelijk zijn veroordeeld tot loonbetaling tijdens ziekte.

In hoger beroep vordert Euro Werk c.s. vernietiging van het vonnis en afwijzing van de loonvorderingen. Het hof oordeelt dat de onduidelijkheid over de werkgever voor rekening van Euro Werk c.s. komt en bevestigt de hoofdelijke veroordeling. Het standpunt dat het loonheffingsnummer duidelijkheid geeft over de werkgever wordt verworpen omdat de werkgever schriftelijk moet meedelen wie zij is.

De grieven over loonstop en opschorting falen omdat de toepasselijke CAO de ABU CAO is en niet de CAO Glastuinbouw. Het hof bevestigt dat [geïntimeerde] recht heeft op 80% van het loon in het tweede ziektejaar. Wel wordt het vonnis vernietigd voor wat betreft de omvang van de loonbetalingsverplichting en wordt de wettelijke verhoging van 50% toegekend vanwege eerdere wanbetalingen en onduidelijkheid. Euro Werk c.s. worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van Euro Werk c.s. en past de loonbetalingsverplichting aan conform de ABU CAO met een wettelijke verhoging van 50%.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.355.793/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11628622 \ RL EXPL 25-6187
Arrest van 16 juni 2026 in kort geding
in de zaak van

1.Euro Werk Aanneembedrijf B.V.,

2.
Eurowerk 2 B.V.,
3.
Eurowerk 3 B.V.,
alle gevestigd in Den Haag,
appellanten,
hierna afzonderlijk Euro Werk Aanneembedrijf, Eurowerk 2 en Eurowerk 3 en gezamenlijk: Euro Werk c.s.,
advocaat: mr. S. van der Eijk, kantoorhoudend in Delft,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. B.F. Desloover, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna Euro Werk c.s. en [geïntimeerde].

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 2 juni 2025, waarmee Euro Werk c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 mei 2025;
  • het arrest van 1 juli 2025;
  • proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 14 oktober 2025;
  • de memorie van grieven van Euro Werk c.s., met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.

2.Feitelijke achtergrond

2.1
Tussen [geïntimeerde] en
“Uitzendonderneming Euro Start Uitzendbureau”bestaat een arbeidsovereenkomst voor de functie van glastuinbouw medewerker. Euro Werk Aanneembedrijf, Eurowerk 2 en Eurowerk 3 gebruiken elk afzonderlijk voornoemde handelsnaam en zijn op hetzelfde adres gevestigd.
2.2
[geïntimeerde] heeft zich op 20 juni 2023 ziek gemeld.
2.3
Sinds de ziekmelding is sprake van wanbetaling aan de zijde van Euro Werk c.s..
2.4
Tussen partijen zijn al twee keer eerder kortgedingprocedures gevoerd (vonnis op 27 februari 2024 en vonnis op 12 november 2024) waarin Euro Werk c.s. hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van loon tijdens ziekte. Het vonnis van 27 februari 2024 ziet op het loon vanaf 20 juni 2023. Het vonnis van 12 november 2024 ziet op het loon vanaf week 25 van 2024, dat wil zeggen: vanaf 17 juni 2024.
2.5
Het bestreden vonnis van 6 mei 2025 ziet op het loon vanaf 8 december 2024.

3.Procedure bij de kantonrechter

3.1
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gevorderd om Euro Werk c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van (1) achterstallig loon vanaf 8 december 2024, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, en (2) de proceskosten.
3.2
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen. De wettelijke verhoging is vastgesteld op 50%.

4.Vorderingen in hoger beroep

4.1
Euro Werk c.s. vorderen dat het bestreden vonnis wordt vernietigd, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen of dat zij niet ontvankelijk wordt verklaard, [geïntimeerde] te veroordelen terug te betalen wat zij van Euro Werk c.s. ter uitvoering van het vonnis van hen heeft ontvangen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

5.Beoordeling in hoger beroep

Hoor en wederhoor

5.1
Grief 1luidt in de eerste plaats dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden omdat de advocaat van Euro Werk c.s. niet in de gelegenheid is gesteld zich deugdelijk voor te bereiden. De kantonrechter had meer tijd aan Euro Werk c.s. moeten geven om inhoudelijk op de stellingen van [geïntimeerde] te reageren.
5.2
Deze grief faalt. Niet is onderbouwd welke relevantie deze grief heeft voor de beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde] in hoger beroep. Naar mag worden aangenomen hebben Euro Werk c.s. voldoende gelegenheid gehad om zich deugdelijk op het hoger beroep voor te bereiden.
5.3
Op de vraag of er sprake was van schending van dit beginsel – wat overigens in geschil is – hoeft verder niet in te worden gegaan.
Wie is de werkgever?
5.4
De kantonrechter heeft geoordeeld (r.o. 4.5 van het vonnis) dat Euro Werk c.s. niet hebben kunnen verduidelijken bij welke van hen [geïntimeerde] daadwerkelijk in dienst is en omdat deze onduidelijkheid door Euro Werk c.s. is gecreëerd de gevolgen daarvan voor rekening van Euro Werk c.s. dienen te komen. De veroordeling van Euro Werk c.s. is daarom hoofdelijk door de kantonrechter uitgesproken.
5.5
Dit oordeel wordt ook met
grief 1bestreden. Euro Werk c.s. betoogt dat eenieder zou kunnen weten dat aan de hand van het loonheffingsnummer op de loonstroken eenvoudig kan worden afgeleid bij welke entiteit [geïntimeerde] in dienst is. Met dit nummer kan uit het handelsregister namelijk worden afgeleid dat Euro Werk Aanneembedrijf B.V. (hierna: Euro Werk Aanneembedrijf) de werkgever is.
5.6
Grief 1 faalt ook in dit opzicht. De redenen daarvoor zijn de volgende.
 Als het al zo is dat met het loonheffingsnummer een koppeling kan worden gelegd met Euro Werk Aanneembedrijf, betekent dat niet vanzelfsprekend dat (alleen) deze entiteit de werkgever is. Dat is wat Euro Werk c.s. suggereren. Het hof gaat daaraan voorbij omdat dit standpunt niet goed is onderbouwd.
 Het hof verwerpt daarmee ook het standpunt dat eenieder – dus ook [geïntimeerde] – zou kunnen weten dat aan de hand van het loonheffingsnummer op de loonstroken de werkgever eenvoudig kan worden afgeleid uit het handelsregister.
 Van groter belang is dat een werkgever op grond van art. 7:655 lid Pro 1
onderdeel a BW gehouden is om schriftelijk of elektronisch aan de werknemer mee te delen wie de werkgever is. Het is immers aan een werkgever om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de entiteit van de onderneming die als zodanig optreedt; niet aan een werknemer om dat uit te puzzelen. Deze mededeling heeft niet plaatsgevonden De arbeidsovereenkomst vermeldt alleen de handelsnaam en het adres die door Euro Werk c.s. elk afzonderlijk worden gebruikt. Niet is in te zien waarom deze (eenvoudige) mededeling niet is gedaan.
 Op dit punt is verder van belang dat bij grief 2 niet Euro Werk Aanneembedrijf maar
“Euro Start”als werkgever is aangeduid. Dit doet verder af aan de duidelijkheid over wie de werkgever is.Bij deze stand van zaken is het hof het met de kantonrechter eens dat de onduidelijkheid over wie de werkgever is voor rekening en risico dient te komen van Euro Werk c.s. en de hoofdelijke veroordeling van Eurowerk c.s. daarom terecht is uitgesproken.
Opschorting loondoorbetaling
5.7
Met
grief 2wordt betoogd dat het loon mocht worden opgeschort omdat [geïntimeerde] niet voldeed aan haar re-integratieverplichtingen. Daarbij beroepen Euro Werk c.s. zich op art. 8 lid 10 onderdeel Pro b van de CAO Glastuinbouw. Verder stellen Euro Werk c.s. dat hun verplichting om loon door te betalen is beperkt tot 75% van het overeengekomen loon. Daarbij beroepen Euro Werk c.s. zich op art. 43 lid 6 onderdeel Pro b van de
CAO Glastuinbouw.
5.8
Deze grief faalt in zoverre omdat niet goed is onderbouwd waarom de
CAO Glastuinbouw op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. In de arbeidsovereenkomst staat in de kop en in de tekst dat de ABU CAO van toepassing is. Daar komt bij dat de toepasselijkheid van de ABU CAO ook steeds tot uitgangspunt is genomen in de eerdere twee kortgedingen en in het bestreden vonnis.
5.9
Verder kan het opschortingsrecht niet worden gebaseerd op art. 7:629 lid 6 BW Pro. Dat [geïntimeerde] zich niet zou hebben gehouden aan redelijke voorschriften over het verstrekken van inlichtingen is niet gesteld of gebleken.
Loonstop
5.1
Met
grief 2wordt verder betoogd – zo begrijpt het hof – dat [geïntimeerde] geen recht op loon heeft omdat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie en daarmee zonder deugdelijke grond passende arbeid weigert (art. 7:629 lid 3 onderdeel Pro c BW). Met
grief 3wordt dit onderbouwd met de stelling dat er geen beletselen voor [geïntimeerde] waren om naar het kantoor van Euro Werk c.s. te komen en daar werkzaamheden te verrichten.
5.11
Deze grieven falen. De redenen daarvoor zijn de volgende.
5.12
De argumenten en gebeurtenissen die Euro Werk c.s. aanvoeren zijn eerder door hen aangevoerd ter rechtvaardiging van een loonstop. Daarover is echter al geoordeeld in r.o. 4.6 van het vonnis van 12 november 2024. Toen is geoordeeld dat die loonstop onterecht was, omdat van het weigeren van passende arbeid geen sprake was, en wel als volgt.
 De kantonrechter heeft zich gebaseerd op de bevindingen van de bedrijfsarts die ook in dit hoger beroep aan de orde zijn. Het gaat dan om het rapport van 27 mei 2024 (de functionele mogelijkhedenlijst/inzetbaarheidsprofiel van de bedrijfsarts), het advies van de bedrijfsarts in de email van 4 juli 2024 en het bericht van de bedrijfsarts van 25 september 2024.
 Op basis van deze bevindingen van de bedrijfsarts acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] niet in staat is om lange stukken te lopen en dat dit, gelet op de te overbruggen reisafstand, een belemmering oplevert om op het kantooradres te komen. Daarbij is het feit dat het laatste stuk van de reis slechts 4 minuten bedraagt onvoldoende om af te doen aan de conclusie dat de gehele reisafstand te belastend is voor [geïntimeerde] om dit van haar te verlangen.
5.13
Het is in strijd met de goede procesorde om dit debat in dit hoger beroep over te doen. Nieuwe informatie die tot een ander oordeel over het weigeren van passende arbeid zou moeten leiden, zoals bijvoorbeeld een deskundigenoordeel van het UWV, is niet aangevoerd. De bevindingen van de arbeidsdeskundige van 19 oktober 2025 geven geen nieuw of ander inzicht in de beperkingen van [geïntimeerde]. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van het oordeel daarover in het vonnis van 12 november 2024.
5.14
Volgens Euro Werk c.s. is tijdens een bespreking in februari 2025
“wederom meegedeeld dat Euro Werk bereid is om geïntimeerde op te halen bij het station in Den Haag”. Niet is toegelicht hoe en wat dit betekent voor de loonstop die hier in het geding is, te weten de verschuldigdheid tot betaling van loon vanaf 8 december 2024. Euro Werk c.s. beroept zich niet op een loonstop van daarna, vanaf februari 2025, maar kennelijk op een niet rechtmatig geachte eerdere loonstop. In ieder geval is niet gesteld of gebleken dat Euro Werk c.s. [geïntimeerde] ingevolge het bepaalde in art. 7:629 lid 7 BW Pro schriftelijk over een nieuwe loonstop heeft geïnformeerd. Ten slotte is ook het
“wederom”niet goed toegelicht. Immers is daarover in r.o. 4.5 van het vonnis van 12 november 2024 juist geoordeeld dat die bereidheid er
nietwas:
“Tevens heeft Euro Werk c.s. aangegeven dat zij, als dat nodig zou zijn, bereid is om [geïntimeerde] te ondersteunen door vanaf het dichtstbijzijnde station het vervoer te regelen. Zij wil daar niet op vooruitlopen, omdat dat mogelijk precedentwerking zou kunnen opleveren ten aanzien van andere werknemers van Euro Werk c.s.”
5.15
Ten overvloede overweegt het hof dat Euro Werk c.s. in eerste aanleg de loonvordering die in dit hoger beroep aan de orde is, als juist hebben erkend, zij het dat er nog verrekening met betalingen moest plaatsvinden. Dit is verwoord in r.o. 4.8 van het bestreden vonnis. De weigering tot betaling van het loon die nu in het geding is staat haaks op deze erkenning. Er is geen formeel bezwaar tegen het in hoger beroep wijzigen van standpunt, maar Euro Werk c.s. hebben niet aangevoerd dat die erkenning niet heeft plaatsgevonden, deze erkenning op een vergissing berust of anders moet worden begrepen. Dit doet afbreuk aan de overtuigingskracht van de loonstop.
5.16
Met
grief 4wordt betoogd dat uit de toepasselijke CAO Glastuinbouw niet volgt dat er bij arbeidsongeschiktheid betaling van het wettelijk minimumloon dient plaats te vinden. Dit volgt volgens Euro Werk c.s. evenmin uit art. 24 en Pro 25 van de ABU CAO. Ook is er geen reden om een wettelijke verhoging toe te wijzen.
5.17
Deze grief slaagt. Dat leidt tot het volgende.
 De CAO Glastuinbouw is als gezegd (zie r.o. 5.8) niet van toepassing. Het hof gaat uit van de toepasselijkheid van de ABU CAO. In art. 25 lid 2 van Pro die cao is bepaald dat er (1) gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid recht bestaat op 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon en ten minste het voor de werknemer geldende wettelijke minimumloon en (2) gedurende de 53e tot en met 104e weken van arbeidsongeschiktheid recht bestaat op 80% van het naar tijdruimte vastgestelde loon.
 Deze aanspraken moeten worden toegepast op een arbeidsomvang van 34 uren per week tegen een bruto uurloon van € 14,06. Deze loonaanspraak is vastgesteld in r.o. 4.7 van het bestreden vonnis. Daar is niet tegen gegriefd.
 De loonaanspraken in dit kort geding betreffen uitsluitend die vanaf
8 december 2024. Over de eerdere loonaanspraken is onherroepelijk geoordeeld in de eerdere kortgedingvonnissen. De periode vanaf 8 december 2024 betreft het tweede ziektejaar. Immers, [geïntimeerde] heeft zich 20 juni 2023 arbeidsongeschikt gemeld (zie r.o. 2.2). Het eerste ziektejaar is dus op 20 juni 2024 afgelopen. Het hof neemt aan dat het tweede ziektejaar inmiddels op 20 juni 2025 is afgelopen. Over de periode vanaf 8 december 2024 tot en met 20 juni 2025 is dus 80% van het loon, bij een arbeidsomvang van 34 uren per week tegen een uurloon van € 14,06 verschuldigd. Dat komt neer op een bedrag van € 382,43 bruto per week.
5.18
Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter dat een wettelijke verhoging van 50% op zijn plaats is omdat [geïntimeerde] Euro Werk c.s. al twee keer eerder in rechte heeft moeten betrekken om haar loon tijdens ziekte te ontvangen, Euro Werk c.s. niet eerder duidelijkheid heeft gegeven over wie de werkgever van [geïntimeerde] is en dat gedurende al langere tijd het loon niet aan [geïntimeerde] is betaald.
Bewijsaanbod
5.19
Het hof gaat niet in op het (in algemene termen gestelde) bewijsaanbod. Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.
Conclusie en proceskosten
5.2
De conclusie is dat het hoger beroep van Euro Werk c.s. slaagt op het punt van de omvang van de loonbetalingsverplichting en voor het overige faalt. Het hof zal het vonnis alleen op dat punt vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Het hof zal Euro Werk c.s. hoofdelijk als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
5.21
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 362,--
salaris advocaat
€ 1.290,--(1 punt × tarief II)
Totaal € 1.652,--

6.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 mei 2025, uitsluitend wat betreft het dictum onder 5.1;
  • veroordeelt Euro Werk c.s., hoofdelijk, dat de een betalende de ander zal zijn gevrijwaard, om aan [geïntimeerde] te betalen (a) het achterstallige toon van € 382,43 bruto per week, ingaande 8 december 2024 tot aan het moment dat een rechtsgeldig einde aan het dienstverband is gekomen of dat op andere wijze een einde is gekomen aan de betalingsverplichting van Euro Werk c.s., waarbij de door [geïntimeerde] ontvangen betalingen tot een bedrag van € 1.889,85 netto hierop in mindering kunnen worden gebracht, (b) de wettelijke verhoging ad 50% ex artikel 7:625 BW Pro over de ingevolge voormelde veroordelingen aan [geïntimeerde] toekomen bedragen en (c) de wettelijke rente over voormelde bedragen, steeds vanaf het moment van opeisbaarheid, tot de dag der voldoening;
  • bekrachtigt het vonnis voor het overige;
  • veroordeelt Euro Werk c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde va [geïntimeerde] begroot op € 1.652,--;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs R.S. van Coevorden, M.D. Ruizeveld en M.V. Ulrici en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.