Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Euro Werk Aanneembedrijf B.V.,
Eurowerk 2 B.V.,
Eurowerk 3 B.V.,
1.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 2 juni 2025, waarmee Euro Werk c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 mei 2025;
- het arrest van 1 juli 2025;
- proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 14 oktober 2025;
- de memorie van grieven van Euro Werk c.s., met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.
2.Feitelijke achtergrond
“Uitzendonderneming Euro Start Uitzendbureau”bestaat een arbeidsovereenkomst voor de functie van glastuinbouw medewerker. Euro Werk Aanneembedrijf, Eurowerk 2 en Eurowerk 3 gebruiken elk afzonderlijk voornoemde handelsnaam en zijn op hetzelfde adres gevestigd.
3.Procedure bij de kantonrechter
4.Vorderingen in hoger beroep
5.Beoordeling in hoger beroep
Hoor en wederhoor
grief 1bestreden. Euro Werk c.s. betoogt dat eenieder zou kunnen weten dat aan de hand van het loonheffingsnummer op de loonstroken eenvoudig kan worden afgeleid bij welke entiteit [geïntimeerde] in dienst is. Met dit nummer kan uit het handelsregister namelijk worden afgeleid dat Euro Werk Aanneembedrijf B.V. (hierna: Euro Werk Aanneembedrijf) de werkgever is.
onderdeel a BW gehouden is om schriftelijk of elektronisch aan de werknemer mee te delen wie de werkgever is. Het is immers aan een werkgever om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de entiteit van de onderneming die als zodanig optreedt; niet aan een werknemer om dat uit te puzzelen. Deze mededeling heeft niet plaatsgevonden De arbeidsovereenkomst vermeldt alleen de handelsnaam en het adres die door Euro Werk c.s. elk afzonderlijk worden gebruikt. Niet is in te zien waarom deze (eenvoudige) mededeling niet is gedaan.
“Euro Start”als werkgever is aangeduid. Dit doet verder af aan de duidelijkheid over wie de werkgever is.Bij deze stand van zaken is het hof het met de kantonrechter eens dat de onduidelijkheid over wie de werkgever is voor rekening en risico dient te komen van Euro Werk c.s. en de hoofdelijke veroordeling van Eurowerk c.s. daarom terecht is uitgesproken.
grief 2wordt betoogd dat het loon mocht worden opgeschort omdat [geïntimeerde] niet voldeed aan haar re-integratieverplichtingen. Daarbij beroepen Euro Werk c.s. zich op art. 8 lid 10 onderdeel Pro b van de CAO Glastuinbouw. Verder stellen Euro Werk c.s. dat hun verplichting om loon door te betalen is beperkt tot 75% van het overeengekomen loon. Daarbij beroepen Euro Werk c.s. zich op art. 43 lid 6 onderdeel Pro b van de
CAO Glastuinbouw.
CAO Glastuinbouw op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. In de arbeidsovereenkomst staat in de kop en in de tekst dat de ABU CAO van toepassing is. Daar komt bij dat de toepasselijkheid van de ABU CAO ook steeds tot uitgangspunt is genomen in de eerdere twee kortgedingen en in het bestreden vonnis.
grief 2wordt verder betoogd – zo begrijpt het hof – dat [geïntimeerde] geen recht op loon heeft omdat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie en daarmee zonder deugdelijke grond passende arbeid weigert (art. 7:629 lid 3 onderdeel Pro c BW). Met
grief 3wordt dit onderbouwd met de stelling dat er geen beletselen voor [geïntimeerde] waren om naar het kantoor van Euro Werk c.s. te komen en daar werkzaamheden te verrichten.
“wederom meegedeeld dat Euro Werk bereid is om geïntimeerde op te halen bij het station in Den Haag”. Niet is toegelicht hoe en wat dit betekent voor de loonstop die hier in het geding is, te weten de verschuldigdheid tot betaling van loon vanaf 8 december 2024. Euro Werk c.s. beroept zich niet op een loonstop van daarna, vanaf februari 2025, maar kennelijk op een niet rechtmatig geachte eerdere loonstop. In ieder geval is niet gesteld of gebleken dat Euro Werk c.s. [geïntimeerde] ingevolge het bepaalde in art. 7:629 lid 7 BW Pro schriftelijk over een nieuwe loonstop heeft geïnformeerd. Ten slotte is ook het
“wederom”niet goed toegelicht. Immers is daarover in r.o. 4.5 van het vonnis van 12 november 2024 juist geoordeeld dat die bereidheid er
nietwas:
grief 4wordt betoogd dat uit de toepasselijke CAO Glastuinbouw niet volgt dat er bij arbeidsongeschiktheid betaling van het wettelijk minimumloon dient plaats te vinden. Dit volgt volgens Euro Werk c.s. evenmin uit art. 24 en Pro 25 van de ABU CAO. Ook is er geen reden om een wettelijke verhoging toe te wijzen.
8 december 2024. Over de eerdere loonaanspraken is onherroepelijk geoordeeld in de eerdere kortgedingvonnissen. De periode vanaf 8 december 2024 betreft het tweede ziektejaar. Immers, [geïntimeerde] heeft zich 20 juni 2023 arbeidsongeschikt gemeld (zie r.o. 2.2). Het eerste ziektejaar is dus op 20 juni 2024 afgelopen. Het hof neemt aan dat het tweede ziektejaar inmiddels op 20 juni 2025 is afgelopen. Over de periode vanaf 8 december 2024 tot en met 20 juni 2025 is dus 80% van het loon, bij een arbeidsomvang van 34 uren per week tegen een uurloon van € 14,06 verschuldigd. Dat komt neer op een bedrag van € 382,43 bruto per week.
€ 1.290,--(1 punt × tarief II)
6.Beslissing
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 mei 2025, uitsluitend wat betreft het dictum onder 5.1;
- veroordeelt Euro Werk c.s., hoofdelijk, dat de een betalende de ander zal zijn gevrijwaard, om aan [geïntimeerde] te betalen (a) het achterstallige toon van € 382,43 bruto per week, ingaande 8 december 2024 tot aan het moment dat een rechtsgeldig einde aan het dienstverband is gekomen of dat op andere wijze een einde is gekomen aan de betalingsverplichting van Euro Werk c.s., waarbij de door [geïntimeerde] ontvangen betalingen tot een bedrag van € 1.889,85 netto hierop in mindering kunnen worden gebracht, (b) de wettelijke verhoging ad 50% ex artikel 7:625 BW Pro over de ingevolge voormelde veroordelingen aan [geïntimeerde] toekomen bedragen en (c) de wettelijke rente over voormelde bedragen, steeds vanaf het moment van opeisbaarheid, tot de dag der voldoening;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- veroordeelt Euro Werk c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde va [geïntimeerde] begroot op € 1.652,--;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.