Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1961

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.357.925/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668a lid 1 sub b BWArt. 7:673 lid 9 aanhef en onder a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vast dienstverband na ketenregeling en geen billijke vergoeding bij beëindiging tijdelijk contract

Een werknemer was in dienst bij een samenwerkingsverband van gemeenten en kreeg meerdere tijdelijke contracten, waarvan de laatste eindigde op 29 januari 2025. Hij stelde dat door de ketenregeling een vast contract was ontstaan en dat de werkgever hem een onvoorwaardelijk vast dienstverband had toegezegd. Tevens vorderde hij een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

De kantonrechter wees de vorderingen af en het hof bekrachtigde deze beslissing. Het hof oordeelde dat geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan omdat de contracten aaneensloten zonder een aparte dagovereenkomst en dat de toezegging van een vast contract voorwaardelijk was, namelijk afhankelijk van blijvend goed functioneren. De werkgever had een ruime beoordelingsvrijheid over het functioneren van de werknemer.

Verder was onvoldoende aannemelijk dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld of nagelaten. De mediation en gesprekken waren pogingen tot oplossing en er was geen sprake van het bewust onthouden van een vast contract. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en wijst het verzoek om billijke vergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.357.925/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11530186 VZ VERZ 25-745
Beschikking van 21 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. G. Bloem, kantoorhoudend in Bergschenhoek,
tegen
Gemeente Barendrecht,
gevestigd in Barendrecht,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, kantoorhoudend in ’s-Hertogenbosch.
Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] en de gemeente.

1.De zaak in het kort

1.1
Een gemeente heeft het tijdelijke dienstverband met een werknemer eerst verlengd maar uiteindelijk niet voortgezet. De werknemer is van mening dat hij met de gemeente meer dan drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd heeft gehad, waaronder een overeenkomst voor de duur van één dag, met als gevolg dat de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd geldt. Daarnaast stelt de werknemer zich op het standpunt dat de gemeente hem een vast dienstverband (onvoorwaardelijk) heeft toegezegd en/of dat hij op de totstandkoming daarvan heeft mogen vertrouwen.
1.2
De werknemer verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat tussen hem en de gemeente een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat. Ook verzoekt hij de kantonrechter hem een billijke vergoeding toe te kennen wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de gemeente. De kantonrechter wijst de verzoeken van de werknemer af. In hoger beroep bekrachtigt het hof de beslissing van de kantonrechter.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, met bijlagen, ter griffie van het hof ingekomen op 8 augustus 2025, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2025.
2.2
De gemeente heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend dat op 21 oktober 2025 is ontvangen ter griffie van het hof.
2.3
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 26 februari 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.
2.4
De datum voor de beschikking is bij vervroeging bepaald op heden.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Bij de beoordeling van de zaak gaat het hof uit van onder andere de volgende feiten.
3.2
[verzoeker] is met ingang van 30 januari 2023 voor bepaalde tijd als projectleider in dienst getreden van de BAR-organisatie, een samenwerkingsverband van de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk en rechtsvoorganger van de gemeente. Artikel 1 van Pro de arbeidsovereenkomst bepaalt dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van twaalf maanden na indiensttreding en van rechtswege eindigt op 29 januari 2024.
3.3
Op 16 november 2023 heeft [verzoeker] een gesprek gehad met zijn leidinggevende, [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ).
3.4
In verband met de (gedeeltelijke) ontvlechting en herstructurering van de BAR-organisatie is per brief van 21 november 2023 aan [verzoeker] kenbaar gemaakt dat hij per 1 januari 2024 wordt geplaatst bij de gemeente en dat hij binnen één week een aanbod voor een arbeidsovereenkomst met de gemeente ontvangt.
3.5
Op 23 november 2023 heeft [verzoeker] opnieuw een gesprek gehad met [leidinggevende] .
3.6
Op 28 november 2023 heeft de gemeente [verzoeker] een aanbod voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gestuurd, waarbij de bestaande rechten en verplichtingen op grond van de arbeidsovereenkomst met de BAR-organisatie zijn gerespecteerd. [verzoeker] heeft met het aanbod ingestemd. In deze tweede arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:
‘WERKGEVER EN WERKNEMER GAAN VAN HET VOLGENDE UIT:
-
dat werkgever aan werknemer een dienstverband wil aanbieden voor bepaalde tijd onder de navolgende voorwaarden;
-
dat de arbeidsovereenkomst met de BAR-organisatie met ingang van 1 januari 2024 is beëindigd;
-
dat het “Sociaal plan Gedeeltelijke ontvlechting BAR-organisatie” van toepassing is en dat werknemer op grond van dit sociaal plan zijn opgebouwde dienstjaren en arbeidsvoorwaarden behoudt zoals deze waren voor de indiensttreding bij werkgever, tot het moment dat werkgever en werknemer daarover iets anders afspreken of de wet, cao of het personeelshandboek daarin wijzigingen aanbrengt;
-
dat werkgever hanteert 30-01-2-23 als de datum van indiensttreding bij het bepalen van het aantal opgebouwde dienstjaren van werknemer;
-
dat werknemer bij werkgever in dienst wil treden voor bepaalde tijd.
Artikel 1. Duur van de overeenkomst
1. Werknemer treedt met ingang van 1 januari 2024 in dienst van werkgever voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 0,93 maanden na indiensttreding, de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op 29-01-2024.’
3.7
Op 5 december 2023 hebben [verzoeker] en [leidinggevende] opnieuw een gesprek gehad.
3.8
Na de tweede arbeidsovereenkomst heeft de gemeente per brief van 2 februari 2024 aan [verzoeker] te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt voortgezet. [verzoeker] heeft met die voortzetting ingestemd. In de brief is het volgende opgenomen:
‘Betreft: voortzetting arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Beste [verzoeker] ,
Gefeliciteerd! Jouw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 29 januari 2024 afloopt, wordt voortgezet. De voortzetting gaat in op 30 januari 2024 en eindigt op 29 januari 2025. In deze brief staan de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt voortgezet.
De andere afspraken die wij met jou hebben gemaakt in jouw arbeidsovereenkomst blijven onverkort van toepassing.’
3.9
Op 14 maart 2024 vindt een gesprek plaats tussen [verzoeker] , [leidinggevende] en [concernmanager 1] (concernmanager leefomgeving van de gemeente), en op 26 maart 2024 een gesprek tussen [verzoeker] , [concernmanager 1] en [HR-business partner] (HR-business partner van de gemeente). Van deze gesprekken zijn schriftelijke verslagen gemaakt. In een brief van 17 maart 2024 heeft [verzoeker] gereflecteerd op het gesprek van 14 maart 2024.
3.1
Bij brief van 8 april 2024 heeft de gemachtigde van [verzoeker] de gemeente meegedeeld dat [verzoeker] zich ziek heeft gemeld wegens ernstige spanningsklachten.
3.11
In zijn preventief spreekuurverslag van 11 april 2024 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat er sprake was van een conflictsituatie tussen [verzoeker] en de gemeente en dat volgens de toepasselijke richtlijnen een mediationtraject moest worden gevolgd.
3.12
Op 4 juni 2024 heeft een mediationgesprek plaatsgevonden. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.
3.13
Bij brief van 2 juli 2024 heeft de gemachtigde van de gemeente de gemachtigde van [verzoeker] bericht dat zodra [verzoeker] medisch gezien weer in staat werd geacht zijn werk te hervatten, hij door de gemeente per direct volledig werd vrijgesteld van zijn werkzaamheden tot het einde van zijn (tijdelijk) dienstverband onder doorbetaling van zijn volledige brutosalaris.
3.14
Bij brief van 21 november 2024 heeft de gemeente [verzoeker] aangezegd dat zijn tijdelijk dienstverband per 29 januari 2025 van rechtswege eindigde.
3.15
In zijn probleemanalyse van 4 december 2024 heeft de bedrijfsarts vermeld dat de heer [verzoeker] beter gemeld kon worden. Daartoe is de gemeente onmiddellijk overgegaan.
3.16
Op 30 januari 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] zich per e-mail tot de gemeente gewend met de mededeling dat volgens [verzoeker] sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de ketenregeling. Hij verzocht de gemeente dan ook om [verzoeker] uiterlijk 3 februari 2025 te werk te stellen onder doorbetaling van zijn loon. Subsidiair maakte [verzoeker] aanspraak op een billijke vergoeding. De gemeente heeft hieraan niet voldaan.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
Bij verzoekschrift van 7 februari 2025 heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht, verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang:
primair: te verklaren voor recht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat en dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt vanaf 29 januari 2025 tot de datum van rechtsgeldige beëindiging, de opzegging van de gemeente te vernietigen, de gemeente te veroordelen om [verzoeker] direct te werk te stellen in zijn functie, en verder de gemeente te veroordelen tot doorbetaling van het salaris tot de dag van rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband;
subsidiair: vast te stellen dat de gemeente jegens [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of nagelaten in de zin van art. 7:673 lid 9 BW Pro en daarom gehouden is een billijke vergoeding te betalen van € 80.000,-- bruto;
de gemeente te veroordelen in de proceskosten.
4.2
De gemeente heeft de verzoeken bestreden en, voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
4.3
De kantonrechter heeft de verzoeken van [verzoeker] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
[verzoeker] verzoekt het hof de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – zijn primaire verzoek (alsnog) toe te wijzen en, subsidiair, aan hem een billijke vergoeding van € 55.000,-- bruto toe te kennen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.
5.2
De gemeente concludeert tot bekrachtiging van de beschikking, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
[verzoeker] heeft tegen de beschikking van de kantonrechter drie grieven (bezwaren) aangevoerd. De grieven falen. Daartoe overweegt het hof het volgende.
6.2
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsverhouding tussen hem en de gemeente niet (van rechtswege) is geëindigd omdat i) tussen hen vier arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen waarvan de laatste geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd in de zin van art. 7:668a lid 1 sub b BW, ii) de gemeente hem een dienstverband voor onbepaalde tijd (onvoorwaardelijk) heeft toegezegd, en iii) hij op het bestaan van een dienstverband voor onbepaalde tijd gerechtvaardigd heeft vertrouwd.
geen arbeidsovereenkomst voor één dag (29 januari 2024)
6.3
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat – zoals [verzoeker] stelt maar de gemeente betwist – de teksten ‘eindigt (…) op 29 januari 2024’ en ‘eindigt (…) op 29-01-2024’ in de duur-bepalingen van de eerste en de tweede arbeidsovereenkomst zo moeten worden uitgelegd dat de tweede overeenkomst eindigt op 28 januari 2024, om 23.59 uur, dat 28 januari 2024 dus de laatste werkdag onder die overeenkomst was, en dat tussen partijen een (in totaal: vierde) arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen voor 29 januari 2024. Uit de elkaar opeenvolgende overeenkomsten volgt dat partijen hebben beoogd deze (drie) arbeidsovereenkomsten
aaneensluitendvoort te zetten. Dit past ook in de context van de ontvlechting en herstructurering van de BAR-organisatie; in dat kader zijn de duur van het dienstverband en (grotendeels) ook de rechtspositie van [verzoeker] uit de eerste arbeidsovereenkomst met de BAR-organisatie overgenomen en voortgezet door de gemeente. Een uitleg van de duur-bepaling(en) die meebrengt dat partijen tussen de tweede en de derde arbeidsovereenkomst nog een arbeidsovereenkomst voor alleen 29 januari 2024 zijn aangegaan, ligt daarom niet voor de hand (waarbij komt dat een arbeidsovereenkomst voor één dag ook meer in het algemeen niet als gebruikelijk kan worden beschouwd). [verzoeker] mag deze bepaling(en) dus redelijkerwijs niet in deze zin uitleggen. Hij mag redelijkerwijs evenmin verwachten dat de gemeente deze uitleg zou delen. Bovendien houdt een voor de hand liggende en in de praktijk gangbare en goed hanteerbare uitleg van de wettelijke regeling van het eindigen van een arbeidsovereenkomst in dat de overeenkomst eindigt aan het einde van de laatste dag van de looptijd daarvan, [1] in dit geval 29 januari 2024 (om 23.59 uur). Dat (en waarom) partijen in hun arbeidsovereenkomst(en) van deze uitleg hebben willen afwijken en in plaats daarvan de door [verzoeker] verdedigde uitleg hebben bedoeld, licht [verzoeker] niet toe.
6.4
De e-mailcorrespondentie die [verzoeker] als productie 1 bij beroepschrift heeft overgelegd, kan niet tot een ander oordeel leiden. In zijn e-mailbericht van 2 februari 2024 heeft [verzoeker] [HR-medewerker 1] (HR-medewerker van de gemeente na de ontvlechting van de BAR-organisatie) bedankt voor ‘de arbeidsovereenkomst van 1 dag’. Nadat [HR-medewerker 1] [HR-medewerker 2] (HR-medewerker bij de gemeente tot de ontvlechting van de BAR-organisatie) over het e-mailbericht van [verzoeker] had benaderd, heeft [HR-medewerker 2] op 6 februari 2024 aan [verzoeker] gemaild:
‘ [HR-medewerker 1] had een foutje gemaakt in de datum. Inmiddels zou er een nieuwe aangeboden moeten zijn. Klopt dat? Anders kijken we er morgen even naar.’Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat – zoals [verzoeker] stelt – met ‘foutje (…) in de datum’ is bedoeld de einddatum van de tweede arbeidsovereenkomst en dat geen nieuwe arbeidsovereenkomst is aangeboden, volgt daaruit niet zonder meer dat partijen een arbeidsovereenkomst voor 29 januari 2024, voor één enkele dag, hebben gesloten. Uit de mededeling van [HR-medewerker 2] dat [HR-medewerker 1] een foutje in de datum had gemaakt en haar voorstel om er morgen even naar te kijken, had [verzoeker] kunnen en moeten opmaken dat een ‘arbeidsovereenkomst van één dag’ niet in kannen en kruiken was. In het licht van de betwisting door de gemeente stelt [verzoeker] daarvoor ook verder onvoldoende feiten en omstandigheden.
geen (onvoorwaardelijke) toezegging
6.5
[verzoeker] stelt dat tijdens de onderhandelingen die aan de arbeidsovereenkomst met de BAR-organisatie voorafgingen, hem (in het bijzijn van [HR-medewerker 2] ) is toegezegd dat hij aanving met een jaarcontract en bij goed functioneren door kon gaan met een vast contract. In deze stelling ligt naar het oordeel van het hof besloten dat de toezegging niet onvoorwaardelijk is gedaan, maar onder de voorwaarde van (blijvend) goed functioneren, zoals ook uit het standpunt van de gemeente volgt.
6.6
In dit verband stelt [verzoeker] dat ‘alle seinen op groen [stonden] gelet op [zijn] geweldige start’ bij de gemeente, dat hij ‘van meet af aan uitstekend [functioneerde]’ en dat [leidinggevende] ‘tot 23 november 2023 nog vol lof’ was over hem en zijn toewijding (beroepschrift, nr. 31, 32). Op 23 november 2023 kreeg hij echter van [leidinggevende] te horen dat zij en [HR-medewerker 2] hadden besloten zijn arbeidsovereenkomst te verlengen voor een jaar. Pas op 5 december 2023 volgde een gesprek waarin [leidinggevende] hem plotseling confronteerde met ‘allerhande spookverwijten’ (beroepschrift, nr. 25). Vóór dit gesprek was er geen onvertogen woord gevallen over zijn functioneren, houding, gedrag en/of wijze van communiceren. Uit e-mailcorrespondentie en een gesprek met [HR-medewerker 2] in februari 2024 is het [verzoeker] duidelijk geworden dat [leidinggevende] hem geen verlenging had mogen aanbieden en dat het een eenzijdig en door persoonlijke overwegingen ingegeven besluit van [leidinggevende] betrof.
6.7
De gemeente betwist niet dat zij aanvankelijk erg te spreken was over het functioneren van [verzoeker] . Gaandeweg ontstonden echter zodanige ‘barsten in het functioneren van [verzoeker] ’ dat de gemeente twijfels had bij het voortzetten van het dienstverband (verweerschrift in hoger beroep, nr. 16). In bilaterale overleggen sinds de zomer van 2023 heeft [leidinggevende] hierover met [verzoeker] gesproken. Deze twijfels kwamen voort uit verontrustende signalen over [verzoeker] houding, communicatie, gedrag en kennisniveau, afkomstig van collega’s van [verzoeker] , een projectleider, de juristen van de organisatie, de projectondersteuning en een wethouder die [verzoeker] erop had aangesproken dat hij zijn afspraken niet was nagekomen en dat de wethouder zich daardoor in zijn hemd voelde gezet (e-mailcorrespondentie van 7 en 8 augustus 2023 tussen de wethouder en [verzoeker] , overgelegd als productie 10 bij verweerschrift in eerste aanleg). Op 16 november 2023 heeft [leidinggevende] met [verzoeker] besproken dat hij een betaling op ‘op eigen initiatief door de wethouder [had] opgeschaald’ en daarbij had verzuimd alle betrokkenen te informeren (verweerschrift in eerste aanleg, nr. 29). Na overleg met [HR-medewerker 2] en concernmanager [concernmanager 2] heeft [leidinggevende] besloten dat het verlengen van het dienstverband met een jaar de meest passende oplossing was: indien [verzoeker] in het tweede jaar zijn functioneren zou verbeteren, zou hem daarna altijd nog een vast dienstverband kunnen worden aangeboden. De gemeente weerspreekt dat [leidinggevende] [verzoeker] al op 23 november 2023 een contract voor bepaalde tijd heeft aangeboden en dat [leidinggevende] dit besluit geheel zelfstandig en nog vóór het gesprek van 5 december 2023 heeft genomen.
6.8
Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] na de beginperiode van zijn dienstverband goed is blijven functioneren en dat daarmee aan de voorwaarde voor een vast dienstverband is voldaan. Ook uit zijn eigen stellingen volgt dat [verzoeker] in het begin goed functioneerde maar dat er daarna aanwijzingen waren dat de gemeente daarover anders was gaan denken doordat zij hem niet een vast dienstverband aanbood, maar op 28 november 2023 een verlenging van de eerste arbeidsovereenkomst en op 2 februari 2024 een voortzetting (tevens verlenging) van de tweede arbeidsovereenkomst (die [verzoeker] beide heeft aanvaard). Of [verzoeker] (nog steeds) goed functioneerde stond ter beoordeling van de gemeente en zij had daarin als werkgever een ruime mate van vrijheid. De enkele stelling van [verzoeker] dat de gemeente (in zijn ogen) met spookverwijten over zijn functioneren kwam, kan daarom niet tot de conclusie leiden dat [verzoeker] blijvend goed functioneerde en dat de gemeente hem een vast dienstverband had moeten aanbieden. [verzoeker] algemene verwijzing naar zijn brief van 17 maart 2024 (productie 14 bij inleidend verzoekschrift) ‘waarin hij concreet en gedetailleerd aangeeft hoe de gesprekken zijn verlopen vanaf medio november 2023’ (beroepschrift, nr. 21) kan dit niet anders maken. Verder is voor de beantwoording van de vraag of de voorwaarde van blijvend goed functioneren is vervuld, niet relevant of [leidinggevende] op 23 november 2023 de bevoegdheid miste om [verzoeker] een verlenging aan te bieden, of zij eenzijdig en uit persoonlijke overwegingen daartoe is overgegaan en dat van de gesprekken van 23 november 2023 en 5 december 2023 geen schriftelijk verslag is opgesteld. Uit dit alles volgt dat ook niet kan worden gezegd dat [leidinggevende] en/of de gemeente [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ‘feitelijk door de neus [heeft/hebben] geboord’ (beroepschrift, nr. 29), wat het hof aldus verstaat dat [verzoeker] een hem toekomend vast dienstverband bewust en zonder goede grond is onthouden.
6.9
Het beroep op de hem verstrekte werkgeversverklaring van 18 mei 2023 en het e-mailbericht van 22 november 2023 van ( [medewerker] van) de helpdesk van de BAR-organisatie kan [verzoeker] evenmin baten. De werkgeversverklaring is [verzoeker] verstrekt ten behoeve van een hypotheekaanvraag en strekt niet tot bewijs van afspraken over een vast dienstverband met de gemeente. Daarbij komt dat de (op 18 mei 2023 ondertekende) werkgeversverklaring inhoudt dat bij gelijkblijvend functioneren (en ongewijzigde arbeidsomstandigheden) de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zal worden opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit vormt niet meer dan een bevestiging van de voorwaardelijke toezegging die de gemeente [verzoeker] heeft gedaan (vgl. hierboven rov. 6.5).
6.1
In het e-mailbericht van 22 november 2024 schrijft de medewerker van de BAR-helpdesk in antwoord op een vraag van [verzoeker] : ‘De vermelding voor onbepaalde tijd vind je straks terug in je arbeidsovereenkomst’ (productie 2 bij beroepschrift). Voor zover [verzoeker] betoogt dat de gemeente hiermee een onvoorwaardelijke toezegging voor een vast dienstverband heeft gedaan, faalt dat betoog. Zonder toelichting valt immers niet in te zien dat deze helpdeskmedewerker bevoegd was om een dergelijke en voor de gemeente bindende toezegging te doen (of dat [verzoeker] daarop had mogen vertrouwen). Voor zover [verzoeker] bedoelt dat uit deze mededeling – in nr. 35 van het beroepschrift weergegeven als: de vermelding dat ‘een vast contract straks terug te vinden is in het systeem’ – blijkt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (toen) in ‘het systeem’ stond (beroepschrift, nr. 23), kan die vermelding als zodanig ook niet de conclusie rechtvaardigen dat de gemeente [verzoeker] onvoorwaardelijk een vast dienstverband heeft toegezegd (of dat [verzoeker] daarop had mogen vertrouwen). Daarbij komt dat [leidinggevende] een dag later per e-mail [verzoeker] te kennen heeft gegeven dat volgens haar (en [HR-medewerker 2] ) de mededeling van de helpdeskmedewerker niet klopte.
geen gerechtvaardigd vertrouwen
6.11
Onder aanvoering van grotendeels dezelfde feiten en omstandigheden die [verzoeker] stelt ter onderbouwing van zijn standpunt dat de gemeente hem een vast dienstverband (onvoorwaardelijk) heeft toegezegd, betoogt hij op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gerechtvaardigd te hebben vertrouwd. Daarmee ligt deze tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst aangevoerde ‘grief’ zo zeer in het verlengde van grief 2 in het beroepschrift dat de tweeconclusieregel aan een bespreking daarvan niet in de weg staat.
6.12
Uit de beoordeling van grief 2 hierboven in rov. 6.8-6.10 volgt dat [verzoeker] – in de daar bedoelde en in onderling verband beschouwde omstandigheden – vanaf de laatste week van november 2023 niet redelijkerwijs heeft kunnen vertrouwen op de totstandkoming van een vast dienstverband in vervolg op de arbeidsovereenkomst waarvan het einde op 29 januari 2024 was bepaald. In dit oordeel betrekt het hof in het bijzonder dat de gemeente [verzoeker] een vast dienstverband in het vooruit heeft gesteld onder de voorwaarde van blijvend goed functioneren (vergelijk hierboven rov. 6.5), dat het blijvend goed functioneren van [verzoeker] ter beoordeling van de gemeente stond, dat [leidinggevende] – volgens [verzoeker] stellingen – op 23 november 2023 [verzoeker] mededeelde dat zijn arbeidsovereenkomst voor een jaar werd verlengd, en dat op 28 november 2023 de gemeente [verzoeker] een verlenging van de eerste arbeidsovereenkomst heeft aangeboden (en dat [verzoeker] dit aanbod heeft aanvaard). Dat tot ‘medio november 2023’ (pleitnota mr. Bloem, p. 3) een disfunctioneringsdossier ontbreekt, geen kritiekpunt of (functionerings)gesprek schriftelijk is vastgelegd, geen verbetertraject is gestart en geen formele waarschuwing is gegeven, maakt niet dat [verzoeker] vanaf de laatste week van november 2023 wel redelijkerwijs heeft kunnen vertrouwen op een vast dienstverband.
geen billijke vergoeding
6.13
Subsidiair stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat de gemeente hem een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 9, aanhef en onder a, BW is verschuldigd. Op de voet van deze bepaling kan de rechter naast de transitievergoeding aan de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien, na een einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever kan alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zijn.
6.14
In het beroepschrift, nr. 40 e.v., wordt een groot aantal feiten en omstandigheden genoemd die volgens [verzoeker] ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de gemeente opleveren. Samengevat komt het erop neer dat de gemeente hem vage en ongefundeerde verwijten heeft gemaakt, geen hoor en wederhoor heeft toegepast, geen verbetertraject is gestart, heeft geweigerd om tot een constructieve oplossing te komen, hem geen eerlijke kans heeft gegeven om het geschil op te lossen, de mediation geen goede kans heeft gegeven, zijn goede naam en eer heeft aangetast, hem in strijd met de afspraak geen vast dienstverband heeft aangeboden (wat voor [verzoeker] de aanzet tot de gespannen werkhouding (met [leidinggevende] ) is geweest), en louter op instandhouding van de gespannen arbeidsverhouding heeft gekoerst en ‘direct voor een exit’ heeft gekozen (beroepschrift, nr. 42).
6.15
Met een aantal door hem aangevoerde feiten en omstandigheden – waaronder het maken van vage en ongefundeerde verwijten, het niet opstarten van een verbeteringstraject en het niet aanbieden van een vast dienstverband – verliest [verzoeker] (wederom) uit het oog dat deze zaak niet een disfunctioneringsontslag betreft en dat het blijvend goed functioneren van [verzoeker] (als voorwaarde voor zijn vaste dienstverband) ter beoordeling van de gemeente stond (vergelijk hierboven rov. 6.8). Niet aannemelijk is geworden dat de gemeente de grenzen van de haar toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden, laat staan zodanig dat zij daarmee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
6.16
Evenmin is aannemelijk geworden dat de gemeente, onder voorbijgaan aan de belangen van [verzoeker] (bij bijvoorbeeld wederhoor), sinds medio november 2023 uitsluitend escalerend in plaats van de-escalerend en oplossingsgericht heeft gehandeld. Zo heeft de gemeente in vervolg op de gesprekken van 23 november 2023 en 5 december 2023 met [verzoeker] gesprekken gevoerd op 14 en 26 maart 2024 in een poging tot een verbetering van de tussen [verzoeker] en [leidinggevende] ontstane situatie te komen. Zoals ook de kantonrechter – in hoger beroep als zodanig onbestreden – heeft overwogen is duidelijk dat [verzoeker] en de gemeente de gesprekken ieder op een andere manier hebben beleefd, dat [verzoeker] van mening is dat het gesprek op 14 maart 2024 slechts een eenzijdig gesprek vanuit het management was, dat blijkens het gespreksverslag [verzoeker] verontwaardigd was, boos reageerde en alles tegensprak wat [leidinggevende] zei, en dat dat gesprek is stil gelegd en afgesloten met de afspraak om na te denken over hoe [verzoeker] en [leidinggevende] verder kunnen en wat daarvoor nodig is (rov. 3.6.3). Uit het verslag van het op 26 maart 2024 gehouden gesprek blijkt dat [concernmanager 1] en [verzoeker] een andere beleving van de situatie hadden en dat dat gesprek na korte tijd verhardde waarna het werd stopgezet (vergelijk rov. 3.6.4 van de beschikking van de kantonrechter). De volgende dag heeft [concernmanager 1] [verzoeker] per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 3 april 2024
‘om met mij en de gemeentesecretaris in gesprek te gaan over de huidige, ontstane situatie en om te bespreken hoe deze kan worden opgelost’(productie 20 bij verweerschrift in eerste aanleg). Bij aangetekende brief van 4 april 2024 heeft [concernmanager 1] deze uitnodiging herhaald voor 9 april 2024. Dat gesprek heeft geen doorgang gevonden omdat [verzoeker] zich op 8 april 2024 ziek heeft gemeld. Dat het door de bedrijfsarts geadviseerde mediationgesprek volledig door toedoen van de gemeente niet tot een oplossing heeft geleid, wordt door de gemeente weersproken en heeft [verzoeker] niet onderbouwd. De gemeente heeft daarna per brief van 2 juli 2024 aan de gemachtigde van [verzoeker] laten weten dat zodra [verzoeker] weer in staat wordt geacht zijn werk te hervatten, hij wordt vrijgesteld van zijn werkzaamheden tot het einde van zijn dienstverband. [verzoeker] heeft tegen dit bericht van de gemeente geen bezwaren geuit. Van een uitsluitend aansturen op niet voortzetting van het dienstverband, zonder wederhoor te bieden, blijkt uit dit alles niet.
6.17
Dat door het handelen van de gemeente zijn eer en goede naam zijn aangetast, heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd. Het is ook niet aannemelijk aangezien hij binnen een half jaar na het eind van zijn dienstverband bij de gemeente een nieuwe baan (ook als projectleider/manager) heeft gevonden.
6.18
Het voorgaande brengt mee dat de door [verzoeker] gemaakte verwijten aan het adres van de gemeente – ook in onderling verband bezien – niet tot het oordeel kunnen leiden dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de gemeente. Aan bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding wordt dus niet toegekomen.
6.19
Evenmin wordt toegekomen aan de verzoeken die [verzoeker] in hoger beroep doet voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Van ontbinding van de arbeidsovereenkomst is immers geen sprake.
conclusie en proceskosten
6.2
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoeker] niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen. Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep aan de kant van de gemeente.
6.21
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 827,--
salaris advocaat € 2.580,-- (twee punten × tarief II)
nakosten € 189,--(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 3.596,--
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2025;
  • veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de gemeente begroot op € 3.596,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als hij deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. van Kooten, M.D. Ruizeveld en P.S. Fluit, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 5 februari 2021, ECLI:HR:2021:188, rov. 3.2.3.