Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
dat werkgever aan werknemer een dienstverband wil aanbieden voor bepaalde tijd onder de navolgende voorwaarden;
dat de arbeidsovereenkomst met de BAR-organisatie met ingang van 1 januari 2024 is beëindigd;
dat het “Sociaal plan Gedeeltelijke ontvlechting BAR-organisatie” van toepassing is en dat werknemer op grond van dit sociaal plan zijn opgebouwde dienstjaren en arbeidsvoorwaarden behoudt zoals deze waren voor de indiensttreding bij werkgever, tot het moment dat werkgever en werknemer daarover iets anders afspreken of de wet, cao of het personeelshandboek daarin wijzigingen aanbrengt;
dat werkgever hanteert 30-01-2-23 als de datum van indiensttreding bij het bepalen van het aantal opgebouwde dienstjaren van werknemer;
dat werknemer bij werkgever in dienst wil treden voor bepaalde tijd.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Verzoek in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
aaneensluitendvoort te zetten. Dit past ook in de context van de ontvlechting en herstructurering van de BAR-organisatie; in dat kader zijn de duur van het dienstverband en (grotendeels) ook de rechtspositie van [verzoeker] uit de eerste arbeidsovereenkomst met de BAR-organisatie overgenomen en voortgezet door de gemeente. Een uitleg van de duur-bepaling(en) die meebrengt dat partijen tussen de tweede en de derde arbeidsovereenkomst nog een arbeidsovereenkomst voor alleen 29 januari 2024 zijn aangegaan, ligt daarom niet voor de hand (waarbij komt dat een arbeidsovereenkomst voor één dag ook meer in het algemeen niet als gebruikelijk kan worden beschouwd). [verzoeker] mag deze bepaling(en) dus redelijkerwijs niet in deze zin uitleggen. Hij mag redelijkerwijs evenmin verwachten dat de gemeente deze uitleg zou delen. Bovendien houdt een voor de hand liggende en in de praktijk gangbare en goed hanteerbare uitleg van de wettelijke regeling van het eindigen van een arbeidsovereenkomst in dat de overeenkomst eindigt aan het einde van de laatste dag van de looptijd daarvan, [1] in dit geval 29 januari 2024 (om 23.59 uur). Dat (en waarom) partijen in hun arbeidsovereenkomst(en) van deze uitleg hebben willen afwijken en in plaats daarvan de door [verzoeker] verdedigde uitleg hebben bedoeld, licht [verzoeker] niet toe.
‘ [HR-medewerker 1] had een foutje gemaakt in de datum. Inmiddels zou er een nieuwe aangeboden moeten zijn. Klopt dat? Anders kijken we er morgen even naar.’Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat – zoals [verzoeker] stelt – met ‘foutje (…) in de datum’ is bedoeld de einddatum van de tweede arbeidsovereenkomst en dat geen nieuwe arbeidsovereenkomst is aangeboden, volgt daaruit niet zonder meer dat partijen een arbeidsovereenkomst voor 29 januari 2024, voor één enkele dag, hebben gesloten. Uit de mededeling van [HR-medewerker 2] dat [HR-medewerker 1] een foutje in de datum had gemaakt en haar voorstel om er morgen even naar te kijken, had [verzoeker] kunnen en moeten opmaken dat een ‘arbeidsovereenkomst van één dag’ niet in kannen en kruiken was. In het licht van de betwisting door de gemeente stelt [verzoeker] daarvoor ook verder onvoldoende feiten en omstandigheden.
‘om met mij en de gemeentesecretaris in gesprek te gaan over de huidige, ontstane situatie en om te bespreken hoe deze kan worden opgelost’(productie 20 bij verweerschrift in eerste aanleg). Bij aangetekende brief van 4 april 2024 heeft [concernmanager 1] deze uitnodiging herhaald voor 9 april 2024. Dat gesprek heeft geen doorgang gevonden omdat [verzoeker] zich op 8 april 2024 ziek heeft gemeld. Dat het door de bedrijfsarts geadviseerde mediationgesprek volledig door toedoen van de gemeente niet tot een oplossing heeft geleid, wordt door de gemeente weersproken en heeft [verzoeker] niet onderbouwd. De gemeente heeft daarna per brief van 2 juli 2024 aan de gemachtigde van [verzoeker] laten weten dat zodra [verzoeker] weer in staat wordt geacht zijn werk te hervatten, hij wordt vrijgesteld van zijn werkzaamheden tot het einde van zijn dienstverband. [verzoeker] heeft tegen dit bericht van de gemeente geen bezwaren geuit. Van een uitsluitend aansturen op niet voortzetting van het dienstverband, zonder wederhoor te bieden, blijkt uit dit alles niet.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2025;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de gemeente begroot op € 3.596,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als hij deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.