Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
[belanghebbende 1b],
[belanghebbende 2b] ,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- het beroepschrift van 14 oktober 2024, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 september 2024, met bijlagen;
- het verweerschrift van de VvE, met bijlagen;
3.Feitelijke achtergrond
Als splitsingsreglement blijft gelden het reglement zoals dit van toepassing is verklaard --- vastgesteld bij gemelde akte van splitsing in appartementsrechten, met dien verstande dat daaraan worden toegevoegd als wijzigingen casu quo aanvullingen:
4.Procedure bij de rechtbank
5.Verzoek in hoger beroep
het deel van het dak waarop de opbouw is gesitueerd” ziet op het deel van de constructie van het pand waar het oude dak is geopend en waar vervolgens (de onderkant van) de constructie van de dakopbouw op is gerealiseerd. Als uit de wijzigingsakte zou volgen dat alle kosten van het dak voor rekening van de eigenaars van appartement [nr. 3] komen, dan had deze zinsnede geen onderdeel van het artikel uitgemaakt. Het was uitdrukkelijk de bedoeling van alle partijen dat de eigenaars van appartement [nr. 3] enkel de kosten verbonden aan en van de opbouw zelf zouden dragen. De schil van het pand – in het bijzonder het dak van het pand – zou dus gemeenschappelijk blijven. De VvE wijst op de notulen van de algemene ledenvergadering van 15 maart 2012 waarin met betrekking tot de verdeling van de kosten staat:
“Dakopbouw bij nummer [nr. 3] zal ca. eind april geplaatst worden; mv. [belanghebbende 2a] zal aan aannemer offerte vragen voor de randen eromheen (gemeenschappelijk)”en op de notulen van de algemene ledenvergadering van 11 september 2012 waarin staat:
“M.b.t. stukje over dak/dakopbouw; Het stuk dak rond de dakopbouw blijft voor rekening Vereniging, hiervoor zal een offerte komen. De dakkapel zal op kosten van de betreffende eigenaar geplaatst worden en het onderhoud hiervan zal dan ook individueel zijn.”Verder wijst de VvE op een e-mail van 3 april 2013 van de toenmalige beheerder van de VvE, die schrijft dat mevrouw [belanghebbende 2a] heeft aangegeven dat alle kosten voor het onderhoud aan de opbouw voor eigen rekening zijn, met uitzondering van het dak. Het is volgens de VvE naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellante] zich thans op het standpunt stelt dat zij niet aan het onderhoud van het dak van het pand van de VvE wil meebetalen. Met betrekking tot het mandateringsbesluit stelt de VvE dat [appellante] een onjuiste uitleg geeft aan art. 5:125 BW Pro en art. 40 lid 4 MR Pro 1972. Bepalend is dat de algemene ledenvergadering als hoogste orgaan van de VvE de bevoegdheid heeft om te beslissen over het al dan niet instellen van rechtsvorderingen door de VvE. Daarvoor mag de VvE een machtiging geven aan het bestuur, aan een lid van de VvE of een willekeurige passant. Uit de wet noch het MR 1972 volgt de verplichting voor de VvE om zich in rechte te laten vertegenwoordigen door het bestuur, laat staan een verbod op het hiervoor mandateren van anderen. Daarnaast is het geen generieke machtiging om altijd namens de VvE te procederen. Het besluit is enkel door de algemene ledenvergadering genomen omdat [appellante] al juridische bijstand had gezocht en te kennen had gegeven om juridische stappen richting de VvE te zullen nemen.
6.Beoordeling in hoger beroep
Besluit tot onderhoud van dakopbouw op kosten van de VvE
.
7.Beslissing
- bekrachtigt de mondelinge uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 september 2024;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de VvE begroot op € 3.567,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,00;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover deze de kostenveroordelingen betreft;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.