2.5.Belanghebbende verkoopt ook zogenoemde Whitelabel-oplossingen aan afnemers in de zorgsector, waaronder de GGD. Deze afnemers betalen dezelfde prijs als consumenten. Belanghebbende verstrekt in dat geval de testkits aan de afnemer in de zorgsector. Die verstrekt op zijn beurt een testkit aan diens patiënt. Ook in dit geval neemt de patiënt zelf het monster af en wordt het monster ter analyse rechtstreeks naar [bedrijf] gestuurd. De uitslag van de test wordt aan de afnemer in de zorgsector bekend gemaakt. Bij een positieve test wordt een behandeling voorgeschreven door de afnemer in de zorgsector. Bij Whitelabel-oplossingen biedt belanghebbende niet de diensten aan van de huisarts en apotheek waarmee zij samenwerkt. In het kwartaal waarover deze procedure handelt was de omzet uit Whitelabel-verkoop maximaal 5% van de omzet. Inmiddels behaalt belanghebbende hier geen opbrengsten meer mee.
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Eén prestatie of meerdere prestaties
8. Allereerst beoordeelt de rechtbank of de prestatie van eiseres als één enkele prestatie moet worden aangemerkt dan wel dat deze uit meerdere zelfstandig te onderscheiden prestaties bestaat. Voor de toepassing van de Wet OB geldt dat elke handeling in beginsel als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Dat is anders als de verrichtingen van de belastingplichtige ten behoeve van zijn klant zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Om te bepalen of de belastingplichtige meerdere, van elkaar te onderscheiden hoofdprestaties dan wel één enkele prestatie verricht, moet worden nagegaan welke de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument. Daarnaast vormt een economische handeling één enkele prestatie wanneer een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen en de overige elementen moeten worden beschouwd als nevenprestaties, die het lot van de hoofdprestatie delen. Dat is het geval als de nevenprestatie vanuit het oogpunt van de consument geen zelfstandig doel heeft. Een prestatie moet dus als een nevenprestatie bij de hoofdprestatie wordt beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofddienst van de dienstverrichter optimaal te kunnen gebruikmaken.[1]
9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres één enkele economische prestatie verricht, bestaand uit het testen op de aanwezigheid van een soa dan wel hpv. Zij overweegt daartoe als volgt.
De consument die de prestatie van eiseres afneemt, doet dat om te vernemen of hij een soa of hpv onder de leden heeft. Dat wordt vastgesteld door onderzoek in een laboratorium. Het kenmerkende element van de prestatie is dan ook het laboratoriumonderzoek. Dat onderzoek kan alleen plaatsvinden als het laboratorium beschikt over een lichaamsmonster van de consument. Om dat te kunnen aanleveren, dient de consument te beschikken over een testkit. De testkit is daarmee slechts instrumenteel en kan om die reden niet gelden als een afzonderlijke levering van een goed. Evenmin kan de communicatie van het resultaat als een afzonderlijke dienst worden aangemerkt, reeds gegeven dat het testen op soa’s en hpv zinledig is als het resultaat van de test niet wordt medegedeeld.
Over de logistieke en it-diensten die eiseres verricht bij de zogenoemde Whitelabel-oplossingen heeft verweerder niet meer naar voren gebracht, dan dat eiseres een online platform in de huisstijl van de zakelijke afnemer aanbiedt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank voor die afnemer niet een doel op zich, maar slechts een middel om de hoofdprestatie optimaal te kunnen benutten.
Is artikel 11, eerste lid, letter g, ten eerste, onder a van de Wet OB van toepassing?
10. Ingevolge artikel 132, eerste lid, onder c, van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde verlenen lidstaten vrijstelling voor medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat. Nederland heeft aan deze bepaling uitvoering gegeven door in artikel 11, eerste lid, letter g, ten eerste, onder a van de Wet OB (de medische vrijstelling) te bepalen dat van de belasting vrijgesteld zijn de diensten op het vlak van de geneeskundige verzorging van de mens door beoefenaren van een medisch of paramedisch beroep die een op dit beroep gerichte opleiding hebben voltooid waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), voor zover deze diensten tot het gebied van deskundigheid van dit beroep behoren en onderdeel vormen van bedoelde opleiding.
11. Voor toepassing van de medische vrijstelling is vereist dat de verrichte dienst als zodanig en naar zijn aard de bescherming van de gezondheid of genezing door middel van diagnose en behandeling van ziekten of andere gezondheidsproblemen tot doel heeft.[2] Aan dit vereiste wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Eiseres zorgt immers met haar prestaties voor de opsporing van soa’s dan wel hpv door middel van laboratoriumonderzoek, wat tot het voorkomen van gezondheidsproblemen dient, en ook voor de op genezing gerichte behandeling. Het feit dat consumenten de test zelf afnemen, maakt dat niet anders, nu dit afnemen zonder de test vervolgens ter analyse aan te bieden zinledig zou zijn.
Ook wordt voldaan aan het vereiste dat de dienst behoort tot het gebied van deskundigheid van beoefenaren van een medisch beroep die voldoen aan de in de Wet BIG gestelde opleidingsvereisten. Het laboratoriumonderzoek behoort namelijk tot het gebied van de BIG-geregistreerde artsen en laboranten door wie, althans onder wier toezicht en verantwoordelijkheid, het wordt verricht. Ook het consult en de medicatie die eiseres ter beschikking stelt bij een positieve testuitslag wordt verricht respectievelijk voorgeschreven door een BIG-geregistreerde arts respectievelijk apotheker. Dat slechts een minderheid van de consumenten – namelijk diegenen die waarbij uit de testuitslag besmetting met een soa of hpv blijkt én die niet kiezen voor behandeling door de eigen huisarts – deze dienst van eiseres afneemt, doet daar niet aan af. Dat voorts bij eiseres zelf geen BIG geregistreerde medici werkzaam zijn, doet niet af aan de toepasselijkheid van de vrijstelling. Dat eiseres de prestaties eerst inkoopt om ze te kunnen leveren, maakt de aard van de prestaties ook niet anders, terwijl rechtstreeks contact tussen de afnemer van de prestatie en de medisch beroepsbeoefenaar niet een toepassingsvoorwaarde voor de vrijstelling is.[3]
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van één enkele economische prestatie van eiseres, zoals overwogen onder 9, en wel, gelet op het voorgaande, een dienst op het vlak van geneeskundige verzorging door een beoefenaar van een medisch of paramedisch beroep; die prestatie is vrijgesteld.”
(…)
[1] HvJ EU 5 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:731.
[2] Zie Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:62, r.o. 3.2.1 en de in voetnoot 4 daarvan genoemde rechtspraak. Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen