Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:2024

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/88
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet OBArt. 132 lid 1 sub c Richtlijn 2006/112/EGWet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt vrijstelling omzetbelasting voor anonieme soa- en hpv-laboratoriumtests

Belanghebbende, een onderneming die testkits voor soa's en hpv aanbiedt, voerde bezwaar tegen de heffing van omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2021. De Rechtbank Den Haag oordeelde dat de diensten van belanghebbende één enkele economische prestatie vormen die onder de medische vrijstelling van de Wet op de omzetbelasting valt. De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het Gerechtshof bevestigde het oordeel van de Rechtbank. Het hof overwoog dat de diensten van belanghebbende bestaan uit het anoniem aanbieden van laboratoriumonderzoek en medische nabehandeling, uitgevoerd door BIG-geregistreerde artsen en laboranten, ook al zijn deze niet in dienst van belanghebbende zelf. Dit voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, lid 1, onderdeel g van de Wet OB, de Nederlandse implementatie van de btw-richtlijn.

De Inspecteur voerde aan dat belanghebbende zelf geen BIG-geregistreerde medici in dienst heeft en dat de diensten slechts overdracht van een recht op laboratoriumonderzoek betreffen, maar het hof verwierp deze stellingen op basis van relevante jurisprudentie van het HvJ EU. Het hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt dat dergelijke medische diensten, ook bij anonieme afname en via derden, onder de btw-vrijstelling vallen.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de diensten van belanghebbende onder de medische vrijstelling van de omzetbelasting vallen en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/88
Uitspraak van 10 juni 2026
in het geding tussen:
[X] B.V.te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: F.J. Manzoni)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 januari 2025, nummer SGR 24/51.
Procesverloop
1.1. Belanghebbende heeft over het vierde kwartaal van 2021 een aangifte btw ingediend. Deze aangifte resulteerde in een te betalen bedrag aan btw van € 14.633. Dit bedrag is door belanghebbende voldaan.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar ingesteld tegen de voldoening van btw op aangifte. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende afgewezen.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en als volgt geoordeeld:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat eiseres recht heeft op teruggaaf van de omzetbelasting die zij heeft voldaan over het tijdvak 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. Belanghebbende heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 maart 2026. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen een pleitnota overgelegd. De Inspecteur heeft zijn pleitnota ter zitting voorgelezen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1. Belanghebbende verkoopt tests op geslachtsziekten (soa’s) en het humaan pappilomavirus (hpv). Zij heeft in dat kader een overeenkomst gesloten met [bedrijf] , een medisch diagnostisch centrum. [bedrijf] verkoopt testkits aan belanghebbende voor het afnemen van de monsters. Voorts voert [bedrijf] in haar laboratorium analyses uit op de ontvangen monsters om vast te kunnen stellen of sprake is van een soa of hpv. Bij [bedrijf] zijn BIG-geregistreerde artsen werkzaam. Belanghebbende heeft geen BIG-geregistreerde medici in dienst. [bedrijf] is - na overleg met haar belastinginspecteur - in de loop van 2025 een vrijstelling van omzetbelasting gaan toepassen op de aan belanghebbende gefactureerde vergoedingen voor laboratoriumonderzoeken. Voor die tijd heeft [bedrijf] zekerheidshalve steeds omzetbelasting in rekening gebracht ter zake van deze diensten.
2.2. Een consument die wil testen op een soa of op hpv kan via de website van belanghebbende voor € 59,95 een testkit bestellen. De consument neemt de test zelf af en stuurt het monster via PostNL rechtstreeks naar [bedrijf] . [bedrijf] voert de laboratoriumanalyse uit en verstrekt de uitslag aan belanghebbende. De consument kan het testresultaat in de persoonlijke digitale omgeving inzien op de website van belanghebbende. De consument ontvangt met de testkit een code waarmee toegang wordt verkregen tot deze digitale omgeving. Zo wordt bereikt dat belanghebbende noch [bedrijf] noch andere derden de personalia van degene die zich heeft laten testen aan de testuitslag kunnen koppelen.
Op de digitale portal is voor de consument alleen het logo van belanghebbende zichtbaar. Het logo van [bedrijf] verschijnt alleen wanneer de consument een digitaal afschrift van de test opvraagt.
2.3. De overeenkomst tussen belanghebbende en [bedrijf] vermeldt onder meer het volgende:
“Omschrijving van de dienstverlening
1.1. [bedrijf] voert in opdracht van [belanghebbende] laboratoriumonderzoek uit. Zoals eerder beschreven in de samenwerkingsovereenkomst d.d. 30 mei 2016.
(…)

4.Aanvraag, monsterafname en transport

4.1.
Het aanvragen van een order gebeurt door de ontvangst van een monster per post bij
[bedrijf] .
4.2.
[belanghebbende] is verantwoordelijk voor het aanleveren van de correcte gegevens.
4.3.
Prijzen zijn inclusief afnamematerialen. Deze worden in grootverpakkingen verstrekt aan [belanghebbende] . [belanghebbende] zorgt voor samenstelling van de afnamekits en verzending van de kits aan klanten. [belanghebbende] is tevens verantwoordelijk voor de aanlevering van de monsters aan
[bedrijf] via [postadres] .

5.Rapportage

5.1.
[bedrijf] is verantwoordelijk voor de testuitslag.
5.2.
Rapportage van uitslagen vindt geautomatiseerd plaats via een op maat gemaakte koppeling met [belanghebbende] . Rapportage bevat het logo van [bedrijf] .
(…)

7.Medische verantwoordelijkheid en pre-analyse

7.1.
Binnen het laboratorium is indien nodig een klinisch chemicus, ziekenhuisapotheker of
microbioloog aanwezig voor ondersteuning bij de interpretatie van de resultaten.
7.2.
Indien een uitslag dermate afwijkend is dat het noodzakelijk is dat de aanvrager hiervan op de hoogte wordt gesteld, zal het laboratorium deze doorbellen. Dit gebeurt op de dag van bekend worden van het resultaat. Ook kan door de klinisch chemicus, microbioloog of
ziekenhuisapotheker besloten worden om bepaalde uitslagen door te geven of contact met de
aanvrager hierover op te nemen.”
2.4.
Als een consument positief test op een soa of hpv, dan adviseert belanghebbende de consument om de eigen huisarts te raadplegen. De consument kan echter ook een videoconsult aanvragen bij een huisarts waar belanghebbende mee samenwerkt. Deze huisarts schrijft in dat geval de medicatie voor. De medicatie wordt bij de consument thuis bezorgd via een apotheek waar belanghebbende mee samenwerkt. Bij het consulteren van de samenwerkende huisarts is geen sprake meer van anonimiteit. Het consult met de samenwerkende huisarts en de medicatie zijn inbegrepen in de prijs van € 59,95. De huisarts en apotheker brengen vervolgens de kosten van hun prestaties in rekening bij belanghebbende. Van de personen die positief testen op een soa raadpleegt 91% de met belanghebbende samenwerkende huisarts. Deze groep ontvangt ook de medicijnen van belanghebbende. Slechts een klein gedeelte van de personen die positief hebben getest gaat naar de eigen huisarts en ontvangt via deze de medicijnen.
2.5.
Belanghebbende verkoopt ook zogenoemde Whitelabel-oplossingen aan afnemers in de zorgsector, waaronder de GGD. Deze afnemers betalen dezelfde prijs als consumenten. Belanghebbende verstrekt in dat geval de testkits aan de afnemer in de zorgsector. Die verstrekt op zijn beurt een testkit aan diens patiënt. Ook in dit geval neemt de patiënt zelf het monster af en wordt het monster ter analyse rechtstreeks naar [bedrijf] gestuurd. De uitslag van de test wordt aan de afnemer in de zorgsector bekend gemaakt. Bij een positieve test wordt een behandeling voorgeschreven door de afnemer in de zorgsector. Bij Whitelabel-oplossingen biedt belanghebbende niet de diensten aan van de huisarts en apotheek waarmee zij samenwerkt. In het kwartaal waarover deze procedure handelt was de omzet uit Whitelabel-verkoop maximaal 5% van de omzet. Inmiddels behaalt belanghebbende hier geen opbrengsten meer mee.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Eén prestatie of meerdere prestaties
8. Allereerst beoordeelt de rechtbank of de prestatie van eiseres als één enkele prestatie moet worden aangemerkt dan wel dat deze uit meerdere zelfstandig te onderscheiden prestaties bestaat. Voor de toepassing van de Wet OB geldt dat elke handeling in beginsel als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Dat is anders als de verrichtingen van de belastingplichtige ten behoeve van zijn klant zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Om te bepalen of de belastingplichtige meerdere, van elkaar te onderscheiden hoofdprestaties dan wel één enkele prestatie verricht, moet worden nagegaan welke de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument. Daarnaast vormt een economische handeling één enkele prestatie wanneer een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen en de overige elementen moeten worden beschouwd als nevenprestaties, die het lot van de hoofdprestatie delen. Dat is het geval als de nevenprestatie vanuit het oogpunt van de consument geen zelfstandig doel heeft. Een prestatie moet dus als een nevenprestatie bij de hoofdprestatie wordt beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofddienst van de dienstverrichter optimaal te kunnen gebruikmaken.[1]
9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres één enkele economische prestatie verricht, bestaand uit het testen op de aanwezigheid van een soa dan wel hpv. Zij overweegt daartoe als volgt.
De consument die de prestatie van eiseres afneemt, doet dat om te vernemen of hij een soa of hpv onder de leden heeft. Dat wordt vastgesteld door onderzoek in een laboratorium. Het kenmerkende element van de prestatie is dan ook het laboratoriumonderzoek. Dat onderzoek kan alleen plaatsvinden als het laboratorium beschikt over een lichaamsmonster van de consument. Om dat te kunnen aanleveren, dient de consument te beschikken over een testkit. De testkit is daarmee slechts instrumenteel en kan om die reden niet gelden als een afzonderlijke levering van een goed. Evenmin kan de communicatie van het resultaat als een afzonderlijke dienst worden aangemerkt, reeds gegeven dat het testen op soa’s en hpv zinledig is als het resultaat van de test niet wordt medegedeeld.
Over de logistieke en it-diensten die eiseres verricht bij de zogenoemde Whitelabel-oplossingen heeft verweerder niet meer naar voren gebracht, dan dat eiseres een online platform in de huisstijl van de zakelijke afnemer aanbiedt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank voor die afnemer niet een doel op zich, maar slechts een middel om de hoofdprestatie optimaal te kunnen benutten.
Is artikel 11, eerste lid, letter g, ten eerste, onder a van de Wet OB van toepassing?
10. Ingevolge artikel 132, eerste lid, onder c, van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde verlenen lidstaten vrijstelling voor medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat. Nederland heeft aan deze bepaling uitvoering gegeven door in artikel 11, eerste lid, letter g, ten eerste, onder a van de Wet OB (de medische vrijstelling) te bepalen dat van de belasting vrijgesteld zijn de diensten op het vlak van de geneeskundige verzorging van de mens door beoefenaren van een medisch of paramedisch beroep die een op dit beroep gerichte opleiding hebben voltooid waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), voor zover deze diensten tot het gebied van deskundigheid van dit beroep behoren en onderdeel vormen van bedoelde opleiding.
11. Voor toepassing van de medische vrijstelling is vereist dat de verrichte dienst als zodanig en naar zijn aard de bescherming van de gezondheid of genezing door middel van diagnose en behandeling van ziekten of andere gezondheidsproblemen tot doel heeft.[2] Aan dit vereiste wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Eiseres zorgt immers met haar prestaties voor de opsporing van soa’s dan wel hpv door middel van laboratoriumonderzoek, wat tot het voorkomen van gezondheidsproblemen dient, en ook voor de op genezing gerichte behandeling. Het feit dat consumenten de test zelf afnemen, maakt dat niet anders, nu dit afnemen zonder de test vervolgens ter analyse aan te bieden zinledig zou zijn.
Ook wordt voldaan aan het vereiste dat de dienst behoort tot het gebied van deskundigheid van beoefenaren van een medisch beroep die voldoen aan de in de Wet BIG gestelde opleidingsvereisten. Het laboratoriumonderzoek behoort namelijk tot het gebied van de BIG-geregistreerde artsen en laboranten door wie, althans onder wier toezicht en verantwoordelijkheid, het wordt verricht. Ook het consult en de medicatie die eiseres ter beschikking stelt bij een positieve testuitslag wordt verricht respectievelijk voorgeschreven door een BIG-geregistreerde arts respectievelijk apotheker. Dat slechts een minderheid van de consumenten – namelijk diegenen die waarbij uit de testuitslag besmetting met een soa of hpv blijkt én die niet kiezen voor behandeling door de eigen huisarts – deze dienst van eiseres afneemt, doet daar niet aan af. Dat voorts bij eiseres zelf geen BIG geregistreerde medici werkzaam zijn, doet niet af aan de toepasselijkheid van de vrijstelling. Dat eiseres de prestaties eerst inkoopt om ze te kunnen leveren, maakt de aard van de prestaties ook niet anders, terwijl rechtstreeks contact tussen de afnemer van de prestatie en de medisch beroepsbeoefenaar niet een toepassingsvoorwaarde voor de vrijstelling is.[3]
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van één enkele economische prestatie van eiseres, zoals overwogen onder 9, en wel, gelet op het voorgaande, een dienst op het vlak van geneeskundige verzorging door een beoefenaar van een medisch of paramedisch beroep; die prestatie is vrijgesteld.”
(…)
[1] HvJ EU 5 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:731.
[2] Zie Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:62, r.o. 3.2.1 en de in voetnoot 4 daarvan genoemde rechtspraak.
[3] Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:62, r.o. 3.2.1, eerste volzin.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of belanghebbende een prestatie verricht waarop de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter c dan wel artikel 11, lid 1, letter g van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) van toepassing is.
4.2.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Verder concludeert de Inspecteur tot vermindering van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding in beroep.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
De Inspecteur betoogt dat de dienst verricht door belanghebbende niet onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g van de Wet OB valt. Daarbij is niet langer in geschil dat belanghebbende één dienst verricht. De Inspecteur stelt in dat kader dat de Rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het Verigen arrest (HvJ 18 november 2010, ECLI:EU:C:2010:695) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). De Inspecteur betoogt daarbij voorts dat nu belanghebbende zelf geen BIG-geregistreerde medicus in dienst heeft, zij niet in aanmerking komt voor de vrijstelling. Er is slechts sprake van de overdracht van een recht op laboratoriumonderzoek.
Ten aanzien van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel c van de Wet OB stelt de Inspecteur dat geen sprake is van een kwalificerende inrichting en dat het beogen van winst aan toepassing van deze vrijstelling in de weg staat.
5.2.
Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat sprake is van één prestatie die op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel g van de Wet OB 1968 is vrijgesteld van omzetbelasting.
Met betrekking tot de subsidiaire stelling van de Inspecteur beroept belanghebbende zich op het arrest Wolf-Henning Peters (HvJ 18 september 2019, ECLI:EU:C:2019:753).
5.3.
Vaststaat dat belanghebbende winst beoogt, zodat zij niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel c van de Wet OB, zoals betoogt door de Inspecteur in zijn subsidiaire stelling. Dit betekent evenwel niet dat de dienst van belanghebbende niet kan vallen onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g van de Wet OB. Dit volgt uit het arrest Wolf-Henning Peters dat handelt over de corresponderende bepalingen in de BTW-richtlijn (HvJ 18 september 2019, ECLI:EU:C:2019:753):
“27 In dit verband moet worden benadrukt dat medische verzorging die niet voldoet aan alle voorwaarden voor de btwvrijstelling van artikel 132, lid 1, onder b), van deze richtlijn, principieel niet is uitgesloten van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder c), van dezelfde richtlijn.
28 Uit de bewoordingen van artikel 132, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112 volgt immers geenszins dat deze bepaling bedoeld is om de draagwijdte van artikel 132, lid 1, onder c), van deze richtlijn te beperken. Zoals in punt 21 van dit arrest in herinnering is gebracht, heeft deze laatste bepaling betrekking op medische verzorgingsdiensten die buiten de organisatorische structuren van artikel 132, lid 1, onder b), van deze richtlijn worden verricht in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de lidstaten.
29 Met betrekking tot door huisartsen voorgeschreven medische analyses heeft het Hof bovendien verduidelijkt dat het beginsel van fiscale neutraliteit niet wordt geëerbiedigd indien voor dergelijke medische diensten een btwregeling zou gelden die verschilt al naargelang de plaats waar zij worden uitgevoerd, terwijl de kwaliteit ervan, gelet op de opleiding van de betrokken dienstverleners, gelijkwaardig is (zie in die zin arrest van 8 juni 2006, L.u.P., C106/05, EU:C:2006:380, punt 32).
30 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2006/112 aldus moet worden uitgelegd dat medische verzorgingsdiensten zoals in het hoofdgeding die worden geleverd door een medisch specialist in klinische chemie en laboratoriumdiagnostiek, onder de btwvrijstelling van artikel 132, lid 1, onder c), van deze richtlijn kunnen vallen indien deze diensten niet voldoen aan alle voorwaarden voor de vrijstelling waarin artikel 132, lid 1, onder b), van deze richtlijn voorziet.
Gelet op het aangehaalde arrest zal het Hof hierna beoordelen of de dienst van belanghebbende onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g van de Wet OB (zijnde de Nederlandse implementatie van artikel 132, lid 1, sub c van de BTW-richtlijn) valt.
5.4.
Voor de vraag of belanghebbende de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g van de Wet OB kan toepassen volgt uit de zaak Verigen (HvJ 18 november 2010, ECLI:EU:C:2010:695, punt 24) dat het begrip „gezondheidskundige verzorging van de mens” uit artikel 13, A, lid 1, sub c van de Zesde richtlijn (thans spreekt het nu geldende artikel 132, lid 1, sub c, van de BTW-richtlijn van “medische verzorging”) ziet op:
“diensten die de diagnose, de behandeling en, voor zoveel mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen tot doel hebben (…). Weliswaar moet de „gezondheidskundige verzorging van de mens” een therapeutisch doel hebben, maar daaruit volgt (…) niet noodzakelijkerwijs dat het therapeutische doel van een dienst bijzonder strikt moet worden opgevat (…).”
5.5.
Uit diezelfde rechtspraak volgt dat specifieke diensten wanneer zij alleen een onderdeel van een procedé in zijn geheel zijn en dit procedé een therapeutisch doel heeft, toch als “gezondheidskundige verzorging” zijn aan te merken. Dit is het geval wanneer deze diensten “een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel van het procedé (zijn), waarvan de ene fase niet kan slagen zonder de andere” (HvJ 18 november 2010, Verigen, ECLI:EU:C:2010:695, punt 26).
5.6.
Uit punt 28 van het arrest Verigen volgt ook dat het niet noodzakelijk is dat alle onderdelen van de gezondheidskundige verzorging van therapeutische aard door medisch personeel worden verricht.
5.7.
Gelet op de hiervoor in 5.3 t/m 5.6 aangehaalde rechtspraak is het Hof van oordeel dat de door belanghebbende verrichte dienst is aan te merken als gezondheidskundige verzorging in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel g van de Wet OB. Duidelijk is dat de dienst die belanghebbende verricht de diagnose, behandeling en genezing van ziekten of gezondheidsproblemen tot doel heeft. De diensten van belanghebbende bestaan uit het (anoniem) aanbieden van laboratoriumonderzoek naar soa’s en hpv. In dit verband geldt dat belanghebbende in het geval van soa’s bij een positieve diagnose in 91% van deze gevallen ook de medische nabehandeling verzorgt door middel van een door haar ingeschakelde huisarts en apotheker. Voor hpv geldt dat belanghebbende uitsluitend medische consulten aanbiedt bij de door haar ingeschakelde huisarts zonder medicatie omdat hpv – in tegenstelling tot een soa – niet met medicijnen is te genezen. Deze diensten verricht belanghebbende voor eigen rekening en risico aan patiënten. Bij de uitvoering van haar diensten jegens de patiënt maakt belanghebbende gebruik van beoefenaren van een beroep waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet BIG, zoals het personeel bij [bedrijf] en de huisarts. Dat deze BIG-geregistreerde artsen niet in dienst zijn van belanghebbende zelf doet niet ter zake. Immers, doordat belanghebbende tijdens haar dienstverlening wel gebruikmaakt van deze BIG-geregistreerde artsen kan belanghebbende het in de vrijstelling vereiste kwaliteitsniveau garanderen (vgl. HvJ 27 april 2006, ECLI:EU:C:2006:257).
5.8.
Het gelijk is dan ook aan belanghebbende. Of de diensten van belanghebbende onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel c, van de Wet OB vallen, behoeft dan ook geen behandeling.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte (proces)kosten.
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor het hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3.736 (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 2).
6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 3.736;
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 579 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, L.D.M.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra W. de Wit
De beslissing is op 10 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.