ECLI:NL:GHDHA:2026:2084

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.340.589/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Brussel I bisArt. 4 lid 1 Brussel I bisArt. 8 Rome IArt. 6 lid 2 EVOArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijkheid Nederlandse cao op arbeidsovereenkomsten chauffeurs Unitrans

In deze civiele zaak in hoger beroep staat centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is en of Nederlands recht en de Nederlandse cao van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomsten van chauffeurs die voor Unitrans Bohemia s.r.o. werken, een Tsjechische dochteronderneming van Felix Troll.

Het hof stelt vast dat Nederland het gewone werkland is waar de chauffeurs hun werkzaamheden gewoonlijk verrichten, mede omdat zij zich in Bleskensgraaf moeten aanmelden, daar de eerste instructies ontvangen en de vrachtwagens zich hoofdzakelijk in Nederland bevinden. De chauffeurs verrichten internationaal transport, maar de werkzaamheden beginnen en eindigen in Nederland. Er is geen kennelijk nauwere band met Tsjechië, ondanks dat loonbelasting en sociale premies daar worden afgedragen.

Het hof oordeelt dat Unitrans mede in Nederland gevestigd is en daarom onder de werkingssfeer van de Nederlandse cao valt, voor zover deze algemeen verbindend is verklaard. De incidentele vordering tot inzage van loonbescheiden wordt afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dergelijke bescheiden bestaan. De verdere beslissing over de nabetalingen wordt aangehouden.

Uitkomst: De Nederlandse rechter is bevoegd en Nederlands recht en de Nederlandse cao zijn van toepassing; de incidentele inzagevordering wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.589/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 4908758 CV EXPL 16-2278
Arrest van 7 juli 2026
in de zaak van
Unitrans Bohemia s.r.o.,
gevestigd in České Budêjovice (Tsjechië),
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. F.M. Dekker, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend in [woonplaats 1] (Roemenië),
2.
[geïntimeerde 2],
wonend in [woonplaats 2] (Roemenië);
3.
[geïntimeerde 3],
wonende te [woonplaats 3] (Roemenië);
4.
[geïntimeerde 4],
wonende te [woonplaats 4] ;
5.
[geïntimeerde 5],
wonende te [woonplaats 5] (Roemenië);
6.
[geïntimeerde 6],
wonende te [woonplaats 6] (Roemenië);
7.
[geïntimeerde 7],
wonende te [woonplaats 7] (Roemenië);
8.
[geïntimeerde 8],
wonende te [woonplaats 8] (Roemenië);
9.
[geïntimeerde 9],
wonende te [woonplaats 9] (Roemenië);
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudend in Groningen.
Het hof noemt partijen hierna Unitrans en de chauffeurs.

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 14 maart 2024, waarmee Unitrans in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2017, 15 februari 2018, 30 augustus 2018, 26 augustus 2021, 22 september 2022, 19 januari 2023, 6 juli 2023 en 14 december 2023;
  • de memorie van grieven van Unitrans, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de chauffeurs en tevens voorwaardelijke incidentele vordering in het voorwaardelijk incidenteel appel, met bijlagen;
  • memorie van antwoord in incident.
1.2
Op 23 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

2.Feitelijke achtergrond

2. Het gaat in deze zaak om de volgende feiten.
2.1
Wemmers Tanktransport B.V. (hierna; Wemmers BV), Wemmers Tanktransport GmbH (hierna: Wemmers GmbH) en Felix Troll Transport GmbH (hierna: Felix Troll) zijn zusterondernemingen. Unitrans is een dochteronderneming van Felix Troll. Deze vennootschappen functioneren in concernverband (hierna gezamenlijk: Wemmers c.s.).
2.2
De Federatie Nederlandse Vakbeweging (hierna: FNV) is steeds partij geweest bij de verschillende jaargangen van de
“CAO beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen”(hierna: de CAO), die van tijd tot tijd algemeen verbindend is verklaard.
2.3
In de cao (1 januari 2014 t/m 31 december 2016) staat het volgende:
Artikel 2
Werkingssfeer
1.
Deze overeenkomst is van toepassing op:
a)
Alle werkgevers en werknemers van in Nederland gevestigde ondernemingen die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen (hierna Wwg), zoals deze laatstelijk is gepubliceerd op 28 juni 2013 (staatsblad 233), verrichten, en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verrichten anders dan van personen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.
b)
Werkgevers en werknemers in het kraanverhuurbedrijf, waaronder wordt verstaan alle in Nederland werkzame ondernemingen, waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van het verhuren van mobiele kranen.
[…]
Artikel 9a
Inleenkrachten
1.
De in het buitenland gevestigde bedrijven die tijdelijk arbeidskrachten terbeschikking stellen aan de werkgever zijn ingevolge de detacheringsrichtlijn aan deze arbeidskrachten de basisarbeidsvoorwaarden verschuldigd die worden toegekend aan werknemers, werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de werkgever. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde CAO dan gelden de wettelijke minimum bepalingen.
2.
De werkgever is gehouden in de overeenkomst met de in het buitenland gevestigde onderneming te bedingen dat de aan de werkgever ter beschikking gestelde arbeidskrachten de basisarbeidsvoorwaarden worden toegekend. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde CAO dan gelden de wettelijke minimum bepalingen.
3.
De werkgever is gehouden de in lid 1 en 2 van dit artikel genoemde arbeidskrachten te informeren over de op hen van toepassing zijnde basisarbeidsvoorwaarden.
4.
Lid 1, 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval arbeidskrachten worden ingeleend van in Nederland gevestigde bedrijven die rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze cao vallen. Op hen is immers de gehele CAO van toepassing.
[...]
Artikel 73
Charterbepaling
1.
De werkgever is gehouden in overeenkomsten van onderaanneming, die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van werkgever worden uitgevoerd, met zelfstandige ondernemers, die als werkgever optreden, te bedingen dat aan diens werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van deze cao zullen worden toegekend, wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn, ook indien gekozen is voor het recht van een ander land dan Nederland.
2.
De werkgever is gehouden de in lid 1 van dit artikel genoemde werknemers te informeren over de op hen van toepassing zijnde basisarbeidsvoorwaarden.
3.
Lid 1 en 2 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval de in lid 1 van dit artikel genoemde arbeidskrachten rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze cao vallen. Op hen is immers de gehele CAO van toepassing.”
2.4
FNV heeft op enig moment een onderzoek ingesteld naar de naleving van de CAO door Wemmers BV. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid een rapport opgesteld.

3.Procedure bij de rechtbank

3. In eerste aanleg hebben de FNV en de chauffeurs gezamenlijk een groot aantal vorderingen tegen Wemmers c.s. ingesteld. Daarbij is niet steeds een scherp onderscheid gemaakt tussen de rechtspositie van de chauffeurs en die van FNV. In dit hoger beroep gaat het alleen om de vorderingen die zien op de rechtspositie van de chauffeurs. Over de vorderingen van FNV loopt een procedure in hoger beroep bij dit hof met zaaknummer 200.340.196/01.
4. De chauffeurs hebben in eerste aanleg voor zover in hoger beroep nog van belang gevorderd voor recht te verklaren dat Wemmers GmbH en Unitrans (mede) gevestigd zijn in Nederland en dat zij (zelf) zijn gehouden de chauffeurs met terugwerkende kracht conform de CAO te belonen. Verder hebben de chauffeurs diverse hierop voortbouwende vorderingen ingesteld, zoals uitbetaling van achterstallig loon.
5. De kantonrechter heeft negen tussenvonnissen en een eindvonnis gewezen. Bij het eindvonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van de werknemers over (kort gezegd) de achterstallige loonaanspraken deels jegens Unitrans toegewezen en wat meer of anders is gevorderd afgewezen.

4.Vorderingen in principaal hoger beroep

6. In principaal hoger beroep vordert Unitrans de bestreden vonnissen te vernietigen en alsnog rechtdoende, dat het hof zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van de chauffeurs kennis te nemen, althans deze vorderingen af te wijzen en de chauffeurs te veroordelen (i) terug te betalen aan Unitrans van al hetgeen Unitrans krachtens de bestreden vonnissen aan de chauffeurs mocht hebben betaald, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betaling, en (ii) de kosten van beide instanties te betalen.

5.Vorderingen in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

7. Het incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal hoger beroep faalt en daarmee vaststaat dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de door de chauffeurs ingestelde loonvorderingen en dat Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van de chauffeurs met Unitrans.
8. In incidenteel hoger beroep vorderen de chauffeurs:
I
primair
dat het hof Unitrans veroordeelt tot betaling aan de chauffeurs van het loon en netto vergoedingen die berekend zijn conform de CAO en de Wet Minimumloon voor de werkzaamheden die de chauffeurs ten behoeve van Unitrans hebben uitgevoerd in de periode van 1 januari 2011 tot de dag dat het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente;
subsidiair
dat het hof Unitrans veroordeelt tot betaling aan de chauffeurs van de in eerste aanleg in de akte van 11 mei 2023 genoemde bedragen, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente;
meer subsidiair
dat het hof het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigt voor zover het de betalingen aan de chauffeurs betreft;
II
dat het hof Unitrans veroordeelt in de kosten van het hoger beroep.
9. Verder vorderen de chauffeurs bij wijze van incident dat het hof op de voet van
art. 843a Rv Unitrans veroordeelt tot afgifte aan de chauffeurs van overzichten van begintijden en eindtijden van de diensten die de chauffeurs hebben gewerkt, plus de genoten pauzes en de uitgevoerde correcties, dan wel van bescheiden, tenminste bestaande uit kopieën van tachograafschijven en CMR’s die betrekking hebben op ritten die door de chauffeurs zijn uitgevoerd, over de periode vanaf 2011 tot en met 2015 tot op de datum dat het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

6.De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

Bevoegdheid Nederlandse rechter
10. De
principale grief 5luidt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Unitrans.
10. Deze grief faalt om de volgende drie redenen. Het hof stelt daarbij voorop dat de rechterlijke bevoegdheid dient te worden vastgesteld aan de hand van
Verordening Brussel I bis (hierna: Brussel I bis).
12.
Woonplaats hoofdbestuurDe werkgever kan op grond van art. 21 lid 1 onderdeel Pro a Brussel I bis voor het gerecht van zijn woonplaats worden gedaagd. Over de woonplaats van vennootschappen is in art. 63 lid 1 onderdeel Pro b Brussel I bis bepaald dat deze zich (ook) bevindt op de plaats van hun hoofdbestuur. Het hoofdbestuur van Unitrans wordt (bij uitsluiting) gevormd door [hoofdbestuurder] (hierna: [hoofdbestuurder] ). Alleen [hoofdbestuurder] is bevoegd bestuursbesluiten voor Unitrans te nemen. [hoofdbestuurder] woont in Nederland ( [woonplaats 10] ).
12.
Gewone werklandDe werkgever kan op grond van art. 21 lid 1 onderdeel Pro b Brussel I bis voor het gerecht van het gewone werkland worden gedaagd. Zoals hierna in r.o. 25 tot en met 39 zal worden onderbouwd is Nederland het gewone werkland in de zin van art. 8 Verordening Pro Rome I (hierna: Rome I). Daar gaat het om de vraag of Nederlands recht op de arbeidsovereenkomsten tussen Unitrans en de chauffeurs van toepassing is. Ook daar is de uitleg van het begrip ‘gewone werkland’ aan de orde. Het hof komt op grond van de daar genoemde redenen ook tot het oordeel dat Nederland het ‘gewone werkland’ is in de zin van art. 21 lid 1 onderdeel Pro b Brussel I bis.
12. Bij dit oordeel past de volgende kanttekening.
12. In het arrest van het HvJEU van 11 december 2025 is geoordeeld dat de uitleg van het begrip ‘gewone werkland’ in het EVO niet altijd op gelijke wijze dient plaats te vinden
“in het licht van die van het Executieverdrag”, maar wel
“coherent”daaraan. Het gaat om de volgende overwegingen in het arrest.
47. De verwijzende rechter zet uiteen dat het Hof in dit laatste verband voor recht heeft verklaard dat er, met betrekking tot een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, in beginsel rekening moet worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1 (arrest van 27 februari 2002, Weber, C-37/00, ECLI:EU:C:2002:122, punt 58). Evenwel moet het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking worden genomen ingeval de werknemer, na zijn
arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam op een andere plaats verricht, wanneer die plaats, volgens de duidelijke wil van partijen, een nieuwe plaats moet worden waar
de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1 (arrest van 27 februari 2002, Weber, C-37/00, ECLI:EU:C:2002:122, punt 54).
48. In dit verband is het juist dat het Hof in punt 33 van zijn arrest van 15 maart 2011, Koelzsch (C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151), heeft verwezen naar de uitlegging van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag voor de uitlegging van artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome.
49. Hoewel het zeker wenselijk is dat de materiële werkingssfeer en de bepalingen van het Verdrag van Rome ten opzichte van het Executieverdrag coherent zijn, hoeven deze bepalingen niet te worden uitgelegd in het licht van die van het Executieverdrag
(zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Petruchová, C-208/18, ECLI:EU:C:2019:825,
punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50. De doelstellingen van het Verdrag van Rome en het Executieverdrag zijn namelijk verschillend. Terwijl de bepalingen van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan, van toepassing zijn op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, teneinde te bepalen
welk materieel recht van toepassing is, stelt het Executieverdrag regels vast aan de hand waarvan kan worden bepaald welke rechterlijke instantie bevoegd is om uitspraak te doen in een geschil in burgerlijke en handelszaken.
51. Hoewel beide verdragen normen op het gebied van individuele arbeidsovereenkomsten bevatten die de werknemer als zwakkere partij in de
contractuele verhouding bescherming bieden, is het dus niet altijd mogelijk om de uitlegging van de bepalingen van het ene verdrag toe te passen op die van het andere verdrag.
52. Het is met name niet haalbaar om het criterium van het land waar de werknemer “gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome uit te leggen naar analogie van de uitlegging die het Hof in zijn arrest van 27 februari 2002, Weber (C-37/00, ECLI:EU:C:2002:122), heeft gegeven aan het criterium
van de “plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van artikel
5, punt 1, van het Executieverdrag.
53. Er zij namelijk op gewezen dat dit artikel 5, punt 1, aanvankelijk artikel 19 van Pro de Brussel I-verordening is geworden en vervolgens artikel 21 van Pro de Brussel I bis-verordening, waarbij in deze laatste bepalingen uitdrukkelijk wordt verwezen
naar zowel de “plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt” als de “laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt”. Artikel 6 van Pro het Verdrag van Rome is daarentegen artikel 8 van Pro de Rome I-verordening geworden, dat geen dergelijk onderscheid maakt, aangezien de Uniewetgever ervan heeft afgezien deze bepaling aan artikel 19
van de Brussel I-verordening aan te passen.”
16. In het daar berechte geval was er op het beslissende punt een relevant verschil in de tekst van (uiteindelijk) art. 21 Brussel Pro I bis en die van art. 6 EVO Pro (r.o. 53 van dat arrest). Die situatie doet zich in dit geval niet voor. Daarom is er in dit geval geen beletsel om het begrip ‘gewone werkland’ in de zin van art. 21 lid 1 onderdeel Pro b Brussel I bis anders uit te leggen dan in de zin van art. 8 Rome Pro I.
17.
Pluraliteit van verweerdersDe bevoegdheid van de rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van de vorderingen in eerste aanleg.
18. In eerste aanleg ging het om vorderingen van de chauffeurs en FNV op Wemmers c.s. over - kort gezegd - de toepassing van de CAO, steeds op basis van dezelfde feitenconstellatie. Volgens FNV en de chauffeurs is er sprake van een constructie in concernverband om de toepasselijkheid van Nederlands recht en de CAO te ontwijken.
19. Wemmers BV is gevestigd in Nederland en de Nederlandse rechter is daarom op grond van art. 4 lid 1 van Pro de Brussel I bis bevoegd om over de vorderingen tegen Wemmers BV te oordelen. Unitrans is echter opgericht naar Tsjechisch recht en statutair gevestigd in Tsjechië, een EU-lidstaat.
20. Van belang is daarom wat in art. 8 aanhef Pro en lid 1 Brussel I bis is bepaald:
“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;”
21. De vorderingen van (FNV en) de chauffeurs op Unitrans zijn niet volledig gelijk aan die op Wemmers BV, maar hebben dezelfde feitelijke grondslag. Ook daar gaat het om de gestelde constructie, waarbij - volgens de chauffeurs - Wemmers BV de met haar in concernverband verbonden vennootschappen Wemmers GmbH en Unitrans gebruikt om de toepasselijkheid van Nederlands recht en de CAO te ontduiken. Inhoudelijk zijn dus dezelfde kwesties aan de orde.
22. Bij deze stand van zaken is er naar het oordeel van het hof sprake van een zo nauwe band als in art. 8 aanhef Pro en lid 1 Brussel I bis is bepaald. De kans bestaat immers dat bij het uit elkaar halen van de vorderingen er een afzonderlijke berechting bij verschillende (Nederlandse, Duitse en/of Tsjechische) rechters plaatsvindt, er onverenigbare beslissingen kunnen worden gegeven, in steeds dezelfde feitelijke constellatie. Dit kan als uitkomst hebben dat er meerdere dienstverbanden zijn waarop Nederlands recht van toepassing is of dat er juist in het geheel niet zo een dienstverband is, terwijl de situatie feitelijk steeds dezelfde is. Dit dient voorkomen te worden.
Toepasselijkheid Nederlands recht
23. Met de
principale grief 1betoogt Unitrans dat op de arbeidsovereenkomsten tussen haar en de chauffeurs geen Nederlands recht van toepassing is.
Nederlands recht
24. De vraag of Nederlands recht op de arbeidsovereenkomsten tussen Unitrans en de chauffeurs van toepassing is, dient als gezegd te worden beantwoord op basis van art. 8 Rome Pro I. Hieruit volgt dat als partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt - zoals hier het geval is - de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar of van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht (lid 2). Als het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen (lid 3). Als echter uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan dit gewoonlijk werkland of het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, is het recht van dat andere land van toepassing.
Gewoonlijk werkland
25. Net als de kantonrechter zal het hof daarom eerst beoordelen of Nederland het gewoonlijke werkland van de chauffeurs is.
25. In het arrest Koelzsch [1] heeft het HvJEU een op de vervoerssector toegesneden toetsingskader geformuleerd. Dat toetsingskader is in r.o. 3.4.6 van het eerste Silotank arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018 [2] als volgt weergegeven:
“Het criterium van het gewoonlijke werkland wordt aldus verstaan dat het gaat om het land “waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult” (arrest Koelzsch, punt 50). Om vast te stellen in of vanuit welk land de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, dient de rechter “met name” te onderzoeken in welk land zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden; verder moet de rechter nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert (arrest Koelzsch, punt 49). Deze door het HvJEU gegeven opsomming van gezichtspunten is niet limitatief. De rechter moet immers rekening houden met “alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken” (arrest Koelzsch, punten 48 en 50). Wel komt veel gewicht toe aan de gezichtspunten die volgens het HvJEU “met name” moeten worden onderzocht. De rechter dient in elk geval die door het HvJEU genoemde gezichtspunten in zijn beoordeling te betrekken.”
27. De Hoge Raad heeft in het tweede Silotank arrest van 17 maart 2023 [3] geoordeeld dat niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat het HvJEU in de zaken Voogsgeerd [4] en Ryanair [5] zijn overwegingen in het arrest Koelzsch aldus heeft gepreciseerd, dat de nationale rechter onder meer moet vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt waar de werknemer instructies voor zijn opdrachten ontvangt en waar hij zijn werk organiseert. En verder dat niet van belang is vanuit welke plaats de werkgever de instructies voor de transportopdrachten verstrekte of vanuit welke plaats de werkgever het werk organiseerde, maar dat het aan komt op de plaats waar de chauffeurs de instructies voor hun opdrachten ontvingen en waar zij hun werk organiseerden. Anders gezegd: het gaat uitsluitend om het
werknemersperspectieften aanzien van zijn werkzaamheid.

“Met name”- criteria

28. Het hof zal eerst ingaan op de gezichtspunten die de rechter “met name” moet onderzoeken. Het gaat dan om de volgende vragen:
In welk land bevindt zich de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht?
In welk land bevindt zich de plaats waar de werknemer instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert?
In welk land bevindt zich de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden?
a.
In welk land bevindt zich de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht?
29. Het staat vast dat de internationale ritten van de chauffeurs in de relevante periode in de regel werden uitgevoerd vanuit Bleskensgraaf in Nederland. De werkzaamheden begonnen en eindigden daar voor de chauffeurs. Unitrans erkent dit. De transportopdracht van Unitrans aan de chauffeurs bestond uit het besturen van vrachtwagens en het vervoeren van goederen. Dit kenmerkt dan ook de werkzaamheid van de chauffeurs. Dat de chauffeurs vervolgens vanuit Bleskensgraaf de Nederlandse grens over reden en in andere landen laadden en losten, kan niet wegnemen dat de werkzaamheden nog steeds begonnen én eindigen in Nederland.
29. Unitrans heeft nog aangevoerd dat Bleskensgraaf slechts een wisselplaats was - dat wil zeggen: een plaats waar ten behoeve van het transport van chauffeur wordt gewisseld - en geen startpunt van het transport was. Dit is verder niet relevant omdat hier het werknemersperspectief relevant is.
29. Anders dan Unitrans betoogt, is het reizen van en naar Bleskensgraaf vanuit Roemenië, al dan niet via Tsjechië, niet relevant. Dit kenmerkt de werkzaamheid namelijk niet. Dit reizen blijft bij de beoordeling van dit gezichtspunt dan ook buiten beschouwing. Dit is niet anders in het geval de chauffeurs voor deze reistijd gewoon loon ontvingen, wat in geschil is.
29. Het eerste met name-criterium wijst dus op Nederland.
In welk land bevindt zich de plaats waar de werknemer instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert?
33. De plaats waar de chauffeurs instructies voor hun opdrachten ontvingen en hun werk organiseerden is bij hoog mobiele werkzaamheden die zij verrichtten niet vast te stellen. Het tweede met name-criterium wijst op geen specifiek land als het gewoonlijke werkland. Wel staat vast dat de chauffeurs zich in Bleskensgraaf en dus in Nederland moesten aanmelden en daar de eerste instructies kregen voordat ze de opdrachten konden uitvoeren.
In welk land bevindt zich de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden?
34. Het gaat hier om de vrachtwagens. Deze werden hoofdzakelijk in Bleskensgraaf aan de chauffeurs ter beschikking gesteld. Dat werknemersperspectief is hier bepalend. Het derde met name-criterium wijst dus op Nederland. Of de vrachtwagens allemaal als die van Wemmers BV kenbaar waren, dan wel (ook) op naam van Unitrans stonden, is hier niet relevant. Ook de vrachtwagens van Unitrans bevonden zich kennelijk nagenoeg altijd in Nederland bij aanvang van de werkzaamheden. Ook als in uitzonderingsgevallen de overdracht al plaatsvond buiten Nederland, omdat bijvoorbeeld de dienst van de vorige chauffeur daar eindigde, werd eerst de route naar Bleskensgraaf afgemaakt. En als een chauffeur toevallig kan meereizen naar Bleskensgraaf met een vrachtwagen van Wemmers of Unitrans bestuurd door een collega, leidt dat er niet toe dat de werkzaamheden van die chauffeur zijn aangevangen buiten Nederland.

Overige criteria

35. Het hof zal vervolgens ingaan op de overige criteria. Het gaat dan om de volgende (vervolg)vragen:
In welke plaatsen wordt het vervoer hoofdzakelijk verricht?
In welke plaatsen worden de goederen gelost?
Naar welke plaats keert de werknemer na zijn opdrachten terug?
In welke plaatsen wordt het vervoer hoofdzakelijk verricht?
36. De chauffeurs verrichtten in de relevante periode transportopdrachten in diverse landen. Niet in geschil is dat zij hun transportopdrachten niet hoofdzakelijk in één land uitvoerden. De internationale ritten waarop zij werden ingezet werden slechts voor een zeer beperkt deel in Nederland uitgevoerd. Er is niet gesteld of gebleken dat in het onderhavige geval (mede) sprake was van cabotage. Het vierde criterium wijst op geen specifiek land als het gewoonlijke werkland.
In welke plaatsen worden de goederen gelost?
37. De vervoerde goederen werden op diverse plaatsen in verschillende landen gelost, meestal buiten Nederland. In lang niet alle gevallen eindigde een opdracht met lossen in Nederland. Het vijfde criterium wijst op geen specifiek land als het gewoonlijke werkland.
Naar welke plaats keert de werknemer na zijn opdrachten terug?
38. Het staat vast dat de chauffeurs na hun opdrachten in de regel terugkeerden in Bleskensgraaf en zij hier de vrachtwagen weer inleverden. Dat is kenmerkend voor de werkzaamheid. Het vijfde criterium wijst dus op Nederland. Het hof acht het niet juist om voor de terugkeerplek uit te gaan van Roemenië, omdat deze terugkeerplek niet kenmerkend is voor de werkzaamheid van de chauffeurs. Dat de chauffeurs terugkeerden naar Tsjechië is gesteld noch gebleken. Dit ligt overigens gelet op hun woonplaats in Roemenië ook niet voor de hand. De terugreis naar Roemenië werd soms door de werkgever georganiseerd, maar ook door de chauffeurs zelf, terwijl dat vervoer nagenoeg nooit plaatsvond als chauffeur in het kader van een vervoersovereenkomst (als de kenmerkende overeenkomst). Dit is niet anders in het geval de chauffeurs voor deze reistijd gewoon loon ontvingen, wat in geschil is.
Slotsom gewoonlijk werkland
39. In het kader van het vaststellen van de gewoonlijke werkland wijzen als gezegd twee met name-criteria en een overig criterium op Nederland. Er is geen criterium dat op een ander land, zoals Tsjechië of Roemenië, wijst als het gewoonlijke werkland. Het hof oordeelt dus dat Nederland als het gewoonlijke werkland moet worden aangemerkt.
Kennelijk nauwere band
40. Het gewoonlijk werkland is echter niet beslissend voor het toepasselijk recht als er sprake is van een kennelijk nauwere band met een ander land dan het gewoonlijke werkland. Dit is bepaald in de uitzonderingsbepaling van art. 8 lid 4 van Pro de Rome I, dat gelijkluidend is aan art. 6 lid Pro 2, slotzin, EVO. De uitleg van beide bepalingen dient gelijk te zijn.
40. In zijn arrest in de zaak Schlecker [6] heeft het HvJEU – over de uitzonderingsbepaling van art. 6 lid Pro 2, slotzin, EVO – uiteengezet hoe de rechter dit moet beoordelen. In dit arrest staat het volgende.
“35 Blijkens de letterlijke bewoordingen en het doel van artikel 6 EVO Pro moet de rechter allereerst op basis van de specifieke aanknopingscriteria in lid 2, sub a en, respectievelijk, sub b, van dit artikel, die beantwoorden aan het algemene vereiste van voorzienbaarheid van het recht en dus van rechtszekerheid in de contractuele verhoudingen, bepalen welk recht toepasselijk is (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2009, ICF, C-133/08, Jurispr. p. I-9687, punt 62).
36 Niettemin moet de nationale rechter […], wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land, de aanknopingscriteria van artikel 6, lid 2, sub a en sub b, EVO buiten toepassing laten en het recht van dat andere land toepassen.
[…]
38 Deze uitlegging staat bovendien op één lijn met de bewoordingen van de nieuwe bepaling betreffende collisieregels voor arbeidsovereenkomsten, die is ingevoerd bij de Rome I verordening, die echter ratione temporis in het hoofdgeding niet van toepassing is. […]
39 Blijkens het voorgaande dient de verwijzende rechter het op de overeenkomst toepasselijke recht te bepalen op basis van de aanknopingscriteria van artikel 6, lid 2, eerste zinsdeel, EVO, en in het bijzonder op basis van het in dit lid 2, sub a, bedoelde criterium van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht. Wanneer een overeenkomst evenwel nauwer is verbonden met een ander land dan dat waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, dient krachtens het laatste zinsdeel van dat lid het recht van het land waar de arbeid wordt verricht, buiten toepassing te worden gelaten en het recht van dat andere land te worden toegepast.
40 Daartoe dient de verwijzende rechter rekening te houden met alle factoren die de arbeidsbetrekking kenmerken, en te bepalen welke factor of factoren daarvan volgens hem het zwaarste wegen. […]
41 Onder de belangrijke factoren voor die aanknoping dient allereerst rekening te worden gehouden met het land waar de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt en het land waar hij is aangesloten bij de sociale zekerheid en de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings- en invaliditeitsregelingen. Bovendien dient de nationale rechter rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak, zoals met name de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden.”
42. De Hoge Raad heeft in r.o. 3.4.6 en 3.4.7 van zijn eerste Silotank- arrest van 7 september 2018 [7] dit beoordelingskader als volgt samengevat.
[3.4.7] Bij de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het gewoonlijke werkland, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden die de arbeidsbetrekking kenmerken, waarbij belangrijke betekenis toekomt aan de vraag in welk land de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt, en in welk land hij is aangesloten bij de sociale zekerheid en de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings- en invaliditeitsregelingen. Ook dient de rechter rekening te houden met omstandigheden zoals de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden. (arrest Schlecker, punten 40 en 41).
[3.4.8] Het rechterlijk oordeel dat, ook al is sprake van een gewoonlijk werkland, de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land, behoeft motivering. Daaruit moet volgen waarom uit het geheel der omstandigheden blijkt van een kennelijk nauwere band met dat andere land die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van toepasselijkheid van het recht van het gewoonlijke werkland.
43. Deze kennelijk nauwere band dient aldus te worden beoordeeld op basis van
“het geheel der omstandigheden”en
“alle omstandigheden die de arbeidsbetrekking kenmerken”.
43. Hier komt bij dat het moet gaan om een
“kennelijk”nauwer verband, of anders gezegd: een evident/overduidelijk geval. Ter beoordeling is of dit zo is ten aanzien van de chauffeurs.
43. Verder is aandacht vereist voor de mogelijkheid dat deze omstandigheden (vrijwel) eenzijdig door de werkgever kunnen worden bepaald, gemanipuleerd of door de werkgever worden beïnvloed. Het gaat bij de chauffeurs om sociaaleconomisch zwakkere partijen dan Unitrans. Het hof wijst op dit punt naar de conclusie van AG Wahl bij het Schlecker- arrest, waarin staat:
“Zoals de Nederlandse regering heeft vermeld geldt afgezien van de bijzondere regels voor bepaalde categorieën werknemers inzake aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel, behalve in het bijzondere geval van detachering van werknemers, immers het beginsel van de lex loci laboris, dat inhoudt dat een werknemer is onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel van de staat waar hij gewoonlijk werkt. Door zich aan deze regel te onttrekken, zoals de relevante basisregeling dit toelaat, hebben de betrokken partijen mijns inziens het zwaartepunt van hun verhouding naar een ander land willen verplaatsen. Nog steeds met het oog op een passende bescherming van de partij die sociaaleconomisch als de zwakkere wordt beschouwd, moet echter worden onderzocht of de aansluiting bij de socialebeschermingsregelingen in onderlinge overeenstemming tussen partijen is gebeurd dan wel aan de werknemer is opgelegd.”
46. Volgens Unitrans is van een kennelijk nauwere band met Tsjechië sprake. Unitrans heeft gesteld dat zij in Tsjechië loonbelasting en sociale premies afdroeg namens de chauffeurs en dat de chauffeurs in Tsjechië waren verzekerd voor de sociale zekerheid. De salarissen werden volgens Unitrans vastgesteld conform wat in Tsjechië gebruikelijk is.
47. De chauffeurs stellen dat zij niet de Tsjechische nationaliteit bezaten en ook niet in Tsjechië woonden en geen andere band met Tsjechië hadden dan dat zij op papier in dienst waren van een naar Tsjechisch recht opgerichte vennootschap met statutaire zetel in Tsjechië.
48. Het hof acht in dit geval de kennelijk nauwere band met Tsjechië niet vaststaan of aannemelijk. Als het al zo is dat loonbelasting en premies in Tsjechië werden afgedragen en de chauffeurs in Tsjechië voor de sociale zekerheid waren verzekerd, is alleen die omstandigheid van onvoldoende gewicht om van een kennelijk nauwer band met Tsjechië uit te gaan. De chauffeurs woonden niet in Tsjechië, maar reisden steeds met eigen vervoer of door of vanwege de werkgever geregeld vervoer vanuit hun woonland Roemenië naar Bleskensgraaf. Zij woonden of leefden niet in Tsjechië en werkten daar ook niet. Er zijn behalve dus de door de werkgever bepaalde administratieve aspecten geen concrete feiten en/of omstandigheden met betrekking tot de arbeidsbetrekking te koppelen aan Tsjechië. Daar komt bij dat niet aannemelijk is gemaakt dat de chauffeurs welbewust hebben ingestemd met kort gezegd de administratieve behandeling in Tsjechië, aldus dat zij wisten dat daardoor geen Nederlands of Roemeens recht maar Tsjechisch recht op hun arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn. Vanuit de gedachte van bescherming van de sociaaleconomisch zwakkere partij moet van een welbewuste keuze voor het verplaatsen van het zwaartepunt van de arbeidsverhouding naar Tsjechië sprake zijn om van een ‘kennelijk’ nauwere band te spreken.
48. Er is dan ook geen kennelijk nauwere band met Tsjechië of een ander land, zodat Nederland als gewoon werkland moet worden aangemerkt.
48. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen reden of aanleiding om het HvJEU op dit punt nadere vragen te stellen.
Slotsom toepasselijk recht
51. Nederlands recht is in de relevante periode van toepassing op de arbeidsovereenkomsten van de chauffeurs. De principale grief 1 waarmee wordt betoogd dat Nederlands recht niet van toepassing is, faalt daarom.
Werkingssfeer van de CAO
52. Met de
principale grief 2betoogt Unitrans dat zij niet onder de werkingssfeer van de CAO valt.
Uitleg aan de hand van de CAO- norm
53. Voor het antwoord op de vraag of Unitrans onder de werkingssfeer van de CAO valt dient art. 2 lid 1 onderdeel Pro a van de CAO te worden uitgelegd.
53. Voor de uitleg van deze bepaling geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de zogeheten CAO-norm. Deze norm houdt in de kern in dat een bepaling naar de voor ‘derden’ – dat wil zeggen: voor de niet bij de totstandkoming van de regeling betrokken partijen – objectief kenbare betekenis moet worden uitgelegd. Het hof heeft in deze zaak uitsluitend de tekst van art. 2 lid 1 onderdeel Pro a van de CAO ter beschikking. Er is geen (officiële) toelichting op deze bepaling of op andere bepalingen van de CAO die aan de uitleg kunnen bijdragen. Het komt in deze zaak aan op wat de aannemelijke rechtsgevolgen van [de verschillende op zichzelf mogelijke interpretaties van] deze tekst zijn.
53. De in geschil zijnde tekst van art. 2 lid 1 onderdeel Pro a van de CAO luidt als gezegd als volgt.
1.
Deze overeenkomst is van toepassing op:
a) Alle werkgevers en werknemers van in Nederland gevestigde ondernemingen die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen (hierna Wwg), zoals deze laatstelijk is gepubliceerd op 28 juni 2013 (staatsblad 233), verrichten, en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verrichten anders dan van personen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.”
56. Het geschil spitst zich toe op de vraag of Unitrans een in Nederland gevestigde onderneming is.
Is Unitrans (mede) in Nederland gevestigd?
57. Het hof acht het aannemelijk dat bij de ‘vestiging’ vooral gaat om de feitelijke inrichting en uitvoering van de ondernemingsactiviteiten vanaf een vaste plek in Nederland, die duurzaam moet zijn. Formaliteiten, zoals bijvoorbeeld de inschrijving in het handelsregister, zijn niet vereist.
57. Naar het oordeel van het hof is Unitrans in de relevante periode (mede) gevestigd geweest te Bleskensgraaf, dus in Nederland. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
 Unitrans heeft vanaf een vaste plek in Nederland - een vestiging - duurzame ondernemingsactiviteiten verricht. Daar doet niet aan af als Unitrans ook in Tsjechië een vestiging heeft. Het een sluit het ander niet uit.
 De hoofdbestuurder van Unitrans, [hoofdbestuurder] , woont in Nederland.
 De chauffeurs vertrokken voor het verrichten van de transportopdrachten in de regel vanuit Bleskensgraaf.
 Daarbij werden hen ter plekke instructies, in ieder geval met betrekking tot de eerste rit, verstrekt en ontvingen zij onderweg via de boordcomputer vanuit Bleskensgraaf door planners van Wemmers BV opdrachten voor verdere ritten. Daarbij werd hoofdzakelijk in vrachtwagens van Wemmers BV gereden. Unitrans betwist dit wel, maar onderbouwt dan niet hoe het dan precies wel is gegaan bij de feitelijke aansturing van de chauffeurs terwijl zij hiertoe wel in staat moet worden geacht, zodat het hof aan deze betwisting voorbijgaat.
 De chauffeurs leverden de voor de transportopdrachten vereiste CMR’s steeds in Bleskensgraaf in. Daarvoor beschikten de chauffeurs over postvakjes in Bleskensgraaf.
 De chauffeurs konden de vestiging van Wemmers BV vrijelijk gebruiken om bijvoorbeeld te rusten en te douchen.
 Door de chauffeurs werden geen andere werkzaamheden voor Unitrans verricht, dan het uitvoeren van de vervoersopdrachten die Wemmers BV aan Unitrans verstrekte.
 In Tsjechië werden door de chauffeurs geen werkzaamheden voor Unitrans verricht.
 Aldus werd door Unitrans via een vast stramien invulling gegeven aan de vervoersopdrachten die zij van Wemmers BV kreeg. Deze vervoersopdrachten vormen een eigen ondernemingsactiviteit van Unitrans. Vanwege het vaste stramien had deze ondernemingsactiviteit een duurzaam karakter. Het gaat hier niet om een ondernemingsactiviteit die zich kenmerkt door het uitlenen aan of detacheren van de chauffeurs bij Wemmers. Daarvan is volgens Wemmers c.s. ook geen sprake.
 Bij deze stand van zaken moet worden aangenomen dat sprake is van een in Nederland gevestigde onderneming van Unitrans.

Slotsom toepasselijkheid van de cao

59. Kortom, Unitrans valt onder de werkingssfeer van de cao. De principale grief 2 faalt dus.
Algemeenverbindendverklaring
60. Met de
principale grief 3wijst Unitrans er op dat de CAO niet steeds algemeen verbindend is verklaard en dat zij in de perioden dat dit niet zo was niet aan de CAO gebonden is. Deze grief slaagt.
60. De voor deze zaak relevante periode loopt vanaf 2011 tot en met 2015. In deze periode is de cao als volgt algemeen verbindend verklaard:
 van 5 mei 2011 t/m 31 december 2011; Besluit van 29 april 2011, Stcrt. 2011, nr. 153;
 van 31 januari 2013 t/m 31 december 2013; Besluit van 25 januari 2013,
Stcrt 2013, nr. 2496;
 van 12 februari 2015 t/m 31 december 2016. Besluit van 6 februari 2015,
Stcrt. 2015, nr. 961.
62. Het hof ziet geen grond om in de relatie tussen de chauffeurs en Unitrans de cao ook van toepassing te achten in de perioden dat de cao niet algemeen verbindend is verklaard. De chauffeurs hebben nog gesteld dat de toepassing van de cao een ‘verkregen recht’ is. Het hof gaat hieraan voorbij omdat dit standpunt onvoldoende is onderbouwd. Hierbij wordt verder nog opgemerkt dat in dit hoger beroep de vorderingen die in eerste aanleg tegen Wemmers BV en Wemmers GmbH zijn ingesteld, niet langer aan de orde zijn. Of de cao van toepassing is omdat Wemmers BV dit van Unitrans had moeten verlangen kan in het midden blijven omdat gesteld noch gebleken is dat Wemmers dit heeft gedaan.
De nabetalingen
63. Met de
principale grief 4betoogt Unitrans dat de kantonrechter de nabetalingen verkeerd, namelijk te hoog berekend heeft. In het
voorwaardelijk incidenteel hoger beroepbetogen de chauffeurs primair en subsidiair dat zij meer geld tegoed hebben dan door de kantonrechter is toegewezen, omdat deze niet alle door hen gewerkte uren betrokken heeft in de berekening van de nabetaling. Uiterst subsidiair betogen de chauffeurs dat moet worden uitgegaan van de door de kantonrechter toegewezen bedragen.
63. Het incidenteel hoger beroep is (als gezegd) ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal hoger beroep faalt en daarmee vaststaat dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de door de chauffeurs ingestelde loonvorderingen en dat Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van de chauffeurs met Unitrans. Die voorwaarde is gezien het voorgaande vervuld.
63. De principale grief 4 en de incidentele grief betreffen hetzelfde onderwerp: de omvang van de nabetalingen. Deze grieven lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.
63. Om over het aantal mee te rekenen uren duidelijkheid te verkrijgen hebben de chauffeurs op de voet van art. 843a (oud) Rv eerst afgifte gevorderd van overzichten van begintijden en eindtijden van de diensten die de chauffeurs hebben gewerkt, plus de genoten pauzes en de uitgevoerde correcties, dan wel van bescheiden, tenminste bestaande uit kopieën van tachograafschijven en CMR's die betrekking hebben op ritten die door eisers zijn uitgevoerd, over de periode vanaf 2011 tot en met 2015 tot op de datum dat het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.
63. Het hof wijst deze incidentele vordering af om de volgende redenen.
 De vordering dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 843a (oud) Rv.
 Op grond van deze bepaling kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
 Deze bepaling beoogt een partij bij een (mogelijk) geschil onder de in de wet gestelde voorwaarden inzage te geven in bescheiden om die partij in staat te stellen, hetzij haar vordering of verweer aan de hand van deze bescheiden verder met feiten te onderbouwen, hetzij na kennisneming van deze bescheiden de conclusie te trekken dat haar vordering of verweer voldoende feitelijke grondslag ontbeert. Het inzagerecht kan bijvoorbeeld uitgeoefend worden om informatie te verkrijgen in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure.
 Het vereiste dat het moet gaan om ‘bepaalde bescheiden’ waarborgt dat de eiser voldoende concreet moet aangeven om welke bescheiden het hem te doen is én dat getoetst kan worden of de eiser het vereiste rechtmatige belang heeft bij inzage in (juist) die bescheiden [8] .
 De maatstaf voor toewijsbaarheid van een verzoek of vordering op grond van art. 843a Rv is vereist dat het verzoek betrekking heeft op bepaalde, met name genoemde bescheiden, achtte de Hoge Raad niet te streng [9] .
 Indien en voor zover de partij tegen wie de vordering is ingesteld het bestaan van die stukken ontkent, draagt degene die afschrift of inzage vordert in beginsel de bewijslast van zijn stelling van het tegendeel [10] .
 In dit geval vorderen de chauffeurs ‘loonbescheiden’: overzichten van begintijden en eindtijden van de diensten die de chauffeurs hebben gewerkt, plus de genoten pauzes en de uitgevoerde correcties, die inzichtelijk en duidelijk maken op welke grond welke gewerkte uren zijn gecorrigeerd.
 De chauffeurs stellen dat Unitrans over deze bescheiden moet beschikken gelet op de berekeningen die zij bij memorie van grieven in principaal appél heeft overgelegd (G21 en G22). Het hof stelt voorop dat deze berekeningen niet anders zijn dan in eerste aanleg met dien verstande dat in deze berekeningen nu alleen rekening is gehouden met de periode waarin de cao algemeen verbindend was verklaard. Het hof begrijpt dat deze berekeningen zijn gebaseerd op de loonstroken. Dat Unitrans dus toch over meer en/of andere bescheiden beschikt, blijkt dan ook niet uit deze berekeningen.
 Voor zover de chauffeurs andere bescheiden bedoelen, heeft Unitrans aangevoerd dat dergelijke bescheiden niet (meer) bestaan. Dit is door de chauffeurs bij de mondeling behandeling in hoger beroep, waar deze kwestie ook is besproken, niet en dus ook niet gemotiveerd weersproken. De chauffeurs hebben niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke loonbescheiden wel bestaan. Op dit punt is van belang dat de kantonrechter in r.o. 2.7.1 van het tussenvonnis van 22 september 2022 heeft geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat er nog door de chauffeurs ingevulde urenverantwoordingsstaten bestaan, en dat bij gebreke daarvan niet meer is vast te stellen of de uren waarin niet is is gereden al dan niet werkuren zijn geweest en zo ja, in hoeverre. Om die reden heeft de kantonrechter als informatiebron voor de te verlonen uren de loonstroken van Unitrans gebruikt en op basis daarvan beslist. Dit had voor de chauffeurs temeer aanleiding moeten zijn om het bestaan van de ‘loonbescheiden’ te onderbouwen. De stelling dat dit blijkt uit de memorie van grieven in principaal hoger beroep is onvoldoende.
 Verder is van belang dat de kantonrechter in genoemd vonnis ook heeft geoordeeld dat uit niets is gebleken dat Unitrans een normeringsregeling hanteerde om de opgaven van de chauffeurs te corrigeren. In hoger beroep zeggen de chauffeurs daar niets over. Het is bij deze stand van zaken niet aannemelijk dat er ‘loonbescheiden’ bestaan waaruit correcties blijken.
68. Uit het voorgaande volgt dat de primaire grondslag van de vorderingen – nog te berekenen op basis van de ‘loonbescheiden’- niet opgaat. Het gaat dus nog om de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag. Unitrans heeft daar nog niet op kunnen reageren en zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld als hierna bepaald.
68. Het hof zal iedere verder beslissing aanhouden

7.Beslissing

Het hof:
  • wijst de incidentele vordering af;
  • verwijst naar de rol van 18 augustus 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van Unitrans:
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. R.S. van Coevorden, mr. M. Verkerk en mr. A.C.M. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2011:151.
2.ECLI:NL:HR: 2018:2165, r.o. 3.4.6.
3.ECLI:NL:HR:2023:408, r.o. 3.2.2.
4.ECLI:EU:C:2011:842.
5.ECLI:EU:C:2013:551.
6.ECLI:EU:C:2013:551.
7.ECLI:NL:HR:2018:2165, r.o. 3.4.7 en 3.4.8.
8.Vergelijk: Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 48.
9.HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706.
10.HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244.