Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
[geïntimeerde 4],
[geïntimeerde 5],
[geïntimeerde 6],
[geïntimeerde 7],
[geïntimeerde 8],
[geïntimeerde 9],
1.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 14 maart 2024, waarmee Unitrans in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2017, 15 februari 2018, 30 augustus 2018, 26 augustus 2021, 22 september 2022, 19 januari 2023, 6 juli 2023 en 14 december 2023;
- de memorie van grieven van Unitrans, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de chauffeurs en tevens voorwaardelijke incidentele vordering in het voorwaardelijk incidenteel appel, met bijlagen;
- memorie van antwoord in incident.
2.Feitelijke achtergrond
“CAO beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen”(hierna: de CAO), die van tijd tot tijd algemeen verbindend is verklaard.
Deze overeenkomst is van toepassing op:
Alle werkgevers en werknemers van in Nederland gevestigde ondernemingen die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen (hierna Wwg), zoals deze laatstelijk is gepubliceerd op 28 juni 2013 (staatsblad 233), verrichten, en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verrichten anders dan van personen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.
Werkgevers en werknemers in het kraanverhuurbedrijf, waaronder wordt verstaan alle in Nederland werkzame ondernemingen, waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van het verhuren van mobiele kranen.
De in het buitenland gevestigde bedrijven die tijdelijk arbeidskrachten terbeschikking stellen aan de werkgever zijn ingevolge de detacheringsrichtlijn aan deze arbeidskrachten de basisarbeidsvoorwaarden verschuldigd die worden toegekend aan werknemers, werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de werkgever. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde CAO dan gelden de wettelijke minimum bepalingen.
De werkgever is gehouden in de overeenkomst met de in het buitenland gevestigde onderneming te bedingen dat de aan de werkgever ter beschikking gestelde arbeidskrachten de basisarbeidsvoorwaarden worden toegekend. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde CAO dan gelden de wettelijke minimum bepalingen.
De werkgever is gehouden de in lid 1 en 2 van dit artikel genoemde arbeidskrachten te informeren over de op hen van toepassing zijnde basisarbeidsvoorwaarden.
Lid 1, 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval arbeidskrachten worden ingeleend van in Nederland gevestigde bedrijven die rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze cao vallen. Op hen is immers de gehele CAO van toepassing.
De werkgever is gehouden in overeenkomsten van onderaanneming, die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van werkgever worden uitgevoerd, met zelfstandige ondernemers, die als werkgever optreden, te bedingen dat aan diens werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van deze cao zullen worden toegekend, wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn, ook indien gekozen is voor het recht van een ander land dan Nederland.
De werkgever is gehouden de in lid 1 van dit artikel genoemde werknemers te informeren over de op hen van toepassing zijnde basisarbeidsvoorwaarden.
Lid 1 en 2 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval de in lid 1 van dit artikel genoemde arbeidskrachten rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze cao vallen. Op hen is immers de gehele CAO van toepassing.”
3.Procedure bij de rechtbank
4.Vorderingen in principaal hoger beroep
5.Vorderingen in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
art. 843a Rv Unitrans veroordeelt tot afgifte aan de chauffeurs van overzichten van begintijden en eindtijden van de diensten die de chauffeurs hebben gewerkt, plus de genoten pauzes en de uitgevoerde correcties, dan wel van bescheiden, tenminste bestaande uit kopieën van tachograafschijven en CMR’s die betrekking hebben op ritten die door de chauffeurs zijn uitgevoerd, over de periode vanaf 2011 tot en met 2015 tot op de datum dat het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
6.De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
principale grief 5luidt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Unitrans.
Verordening Brussel I bis (hierna: Brussel I bis).
Woonplaats hoofdbestuurDe werkgever kan op grond van art. 21 lid 1 onderdeel Pro a Brussel I bis voor het gerecht van zijn woonplaats worden gedaagd. Over de woonplaats van vennootschappen is in art. 63 lid 1 onderdeel Pro b Brussel I bis bepaald dat deze zich (ook) bevindt op de plaats van hun hoofdbestuur. Het hoofdbestuur van Unitrans wordt (bij uitsluiting) gevormd door [hoofdbestuurder] (hierna: [hoofdbestuurder] ). Alleen [hoofdbestuurder] is bevoegd bestuursbesluiten voor Unitrans te nemen. [hoofdbestuurder] woont in Nederland ( [woonplaats 10] ).
Gewone werklandDe werkgever kan op grond van art. 21 lid 1 onderdeel Pro b Brussel I bis voor het gerecht van het gewone werkland worden gedaagd. Zoals hierna in r.o. 25 tot en met 39 zal worden onderbouwd is Nederland het gewone werkland in de zin van art. 8 Verordening Pro Rome I (hierna: Rome I). Daar gaat het om de vraag of Nederlands recht op de arbeidsovereenkomsten tussen Unitrans en de chauffeurs van toepassing is. Ook daar is de uitleg van het begrip ‘gewone werkland’ aan de orde. Het hof komt op grond van de daar genoemde redenen ook tot het oordeel dat Nederland het ‘gewone werkland’ is in de zin van art. 21 lid 1 onderdeel Pro b Brussel I bis.
“in het licht van die van het Executieverdrag”, maar wel
“coherent”daaraan. Het gaat om de volgende overwegingen in het arrest.
Pluraliteit van verweerdersDe bevoegdheid van de rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van de vorderingen in eerste aanleg.
principale grief 1betoogt Unitrans dat op de arbeidsovereenkomsten tussen haar en de chauffeurs geen Nederlands recht van toepassing is.
werknemersperspectieften aanzien van zijn werkzaamheid.
“Met name”- criteria
In welk land bevindt zich de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht?
Overige criteria
“het geheel der omstandigheden”en
“alle omstandigheden die de arbeidsbetrekking kenmerken”.
“kennelijk”nauwer verband, of anders gezegd: een evident/overduidelijk geval. Ter beoordeling is of dit zo is ten aanzien van de chauffeurs.
principale grief 2betoogt Unitrans dat zij niet onder de werkingssfeer van de CAO valt.
Deze overeenkomst is van toepassing op:
Slotsom toepasselijkheid van de cao
principale grief 3wijst Unitrans er op dat de CAO niet steeds algemeen verbindend is verklaard en dat zij in de perioden dat dit niet zo was niet aan de CAO gebonden is. Deze grief slaagt.
principale grief 4betoogt Unitrans dat de kantonrechter de nabetalingen verkeerd, namelijk te hoog berekend heeft. In het
voorwaardelijk incidenteel hoger beroepbetogen de chauffeurs primair en subsidiair dat zij meer geld tegoed hebben dan door de kantonrechter is toegewezen, omdat deze niet alle door hen gewerkte uren betrokken heeft in de berekening van de nabetaling. Uiterst subsidiair betogen de chauffeurs dat moet worden uitgegaan van de door de kantonrechter toegewezen bedragen.
7.Beslissing
- wijst de incidentele vordering af;
- verwijst naar de rol van 18 augustus 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van Unitrans:
- houdt iedere verdere beslissing aan.