ECLI:NL:GHDHA:2026:2200

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.355.114/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230o BWArt. 6:230p BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ontbindingsrecht en informatieplicht bij overeenkomst uitvaartverzorging

Monuta vordert betaling van een openstaande factuur voor de uitvaart van de moeder van geïntimeerde, die niet is verschenen. De kantonrechter stelde vast dat sprake was van een overeenkomst op afstand tussen handelaar en consument en dat Monuta niet voldeed aan haar informatieplicht over het ontbindingsrecht volgens art. 6:230m lid 1 sub h BW. Hierdoor werd de betalingsverplichting van geïntimeerde met 25% verminderd.

Monuta voert in hoger beroep aan dat uitvaartverzorging geen ontbindingsrecht kent vanwege de aard van de dienst en wettelijke termijnen, en dat zij daarom niet hoefde te informeren. Het hof oordeelt dat de wet geen uitzondering voor uitvaartverzorging kent en dat het ontbindingsrecht blijft bestaan. Monuta heeft niet aangetoond dat geïntimeerde uitdrukkelijk instemde met uitvoering binnen de ontbindingstermijn en afstand deed van het recht, zodat de informatieplicht is geschonden.

Het hof vernietigt het vonnis voor wat betreft de toegewezen rente en proceskosten en wijst de contractuele rente van 7% toe in plaats van de wettelijke rente. Ook wordt het salaris van de gemachtigde aangepast. De overige grieven worden verworpen. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bevestigt de gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst wegens schending van de informatieplicht, wijzigt de rente- en proceskostenveroordeling en compenseert de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.355.114/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11307689 \ CV EXPL 24-23450
Arrest van 30 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
Monuta [naam] B.V.,
gevestigd in Capelle aan den IJssel,
appellante,
advocaat: mr. C.A.M.H. Vink, kantoorhoudend in 's-Hertogenbosch,
tegen
[geïntimeerde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Het hof noemt partijen hierna Monuta en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
Monuta vordert in deze zaak betaling van een openstaande factuur voor de in opdracht van [geïntimeerde] verzorgde uitvaart van zijn moeder. [geïntimeerde] is niet verschenen. De kantonrechter heeft geconstateerd dat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die op afstand of buiten de verkoopruimte is gesloten. Daarop heeft de kantonrechter ambtshalve onderzocht of Monuta aan haar informatieverplichting uit hoofde van art. 6:230m lid 1 BW heeft voldaan. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van het recht van ontbinding (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Met toepassing sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%. De kantonrechter heeft 75% van de gevorderde hoofdsom, kosten, rente en proceskosten toegewezen.
1.2
In hoger beroep voert Monuta aan dat uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken, en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen recht van ontbinding had, zodat Monuta ook geen informatieplicht had. Zij meent daarom dat de kantonrechter ten onrechte haar vordering niet volledig heeft toegewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter.
1.3
De grief dat de kantonrechter ten onrechte niet de gevorderde contractuele rente heeft toegewezen en de proceskosten verkeerd heeft berekend, slaagt wel. Op dit punt wordt het bestreden vonnis vernietigd.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 21 februari 2025, waarmee Monuta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 december 2024, met bijlagen.
2.2
[geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Monuta is een onderneming die zich, onder meer, bezighoudt met het (doen) verzorgen van uitvaarten.
3.2
Op 21 maart 2023 heeft Monuta aan [geïntimeerde] een offerte/kostenbegroting met algemene voorwaarden gestuurd voor het verzorgen van de uitvaart van zijn overleden moeder.
3.3
Bij e-mail van 22 maart 2023 heeft [geïntimeerde] zich hiermee akkoord verklaard. In de offerte/kostenbegroting is bepaald dat [geïntimeerde] (de toepasselijkheid van) de Algemene Voorwaarden van de Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaarondernemingen (hierna: de algemene voorwaarden) aanvaardt.
3.4
Monuta heeft de uitvaart, die plaatsvond op 27 maart 2023, overeenkomstig de opdracht verzorgd.
3.5
Monuta heeft [geïntimeerde] hiervoor een factuur gedateerd 26 april 2023 gestuurd van € 4.632,10. Op grond van de algemene voorwaarden bedroeg de betalingstermijn twee weken. Ondanks herhaalde aanmaningen, sommaties en ingebrekestellingen is de factuur onbetaald gebleven.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Monuta heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen aan haar € 5.713,71 met rente en kosten te betalen.
4.2
[geïntimeerde] is (ook in eerste aanleg) niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.
4.3
De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen tot een bedrag van € 4.323,11, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten.
4.4
De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de overeenkomst is gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte tussen een handelaar en een consument. Bij of voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomsten moet de handelaar bepaalde informatie aan de consument verstrekken en deze informatie bevestigen op een duurzame gegevensdrager, aldus de kantonrechter. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, beslist dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan een aantal informatieverplichtingen is voldaan. Het gaat dan om de informatie waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt als deze niet wordt gegeven en om de informatie waaraan extra gewicht moet worden toegekend. Dit zijn de essentiële informatieverplichtingen. De Hoge Raad heeft ook beslist dat de rechter de overeenkomst geheel of gedeeltelijk moet vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting, aldus de kantonrechter.
4.5
De kantonrechter heeft verder overwogen dat op grond van artikel 6:230m lid 1 onderdeel h BW de consument erop moet worden gewezen dat hij of zij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. De kantonrechter oordeelde dat Monuta niet heeft aangetoond dat aan deze informatieverplichting is voldaan en dat deze bepaling daarom was geschonden. Met toepassing van de door de rechtbanken opgestelde sanctierichtlijn heeft de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] is verminderd met 25%, en een bedrag van € 3.474,08 aan hoofdsom (75% van € 4.632,10), € 571,62 aan buitengerechtelijke kosten en € 277,41 aan vervallen wettelijke rente toegewezen.

5.Beoordeling in hoger beroep

Grieven

5.1
Monuta is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter en heeft daartegen drie grieven aangevoerd.
5.2
Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat art. 6:230m onder h BW is geschonden en tegen de vermindering van de vordering met 25% overeenkomstig de sanctierichtlijn. Monuta stelt dat, hoewel haar specifieke dienstverlening niet expliciet in de wet is opgenomen, het gelet op het doel en de achtergrond van het ontbindingsrecht en de genoemde uitzonderingen daarop, overeenkomsten tot uitvaartverzorging behoren te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht. In dit verband wijst zij op de uitzonderingen van art. 6:230p onder d, e en f BW en verder op de Wet op de Lijkbezorging die bepaalt dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft Monuta daarom verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Er moest van alles geregeld, gereserveerd, gemaakt en besteld worden: opbaring en laatste verzorging van de overledene, het kiezen tussen begraven of cremeren, het bepalen van de locatie en de datum van de uitvaart, het versturen van rouwkaarten, het opstellen van een rouwadvertentie, het uitkiezen van een uitvaartkist, het regelen van het rouwvervoer en het vormgeven van de uitvaartdienst. Uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en zaken en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven volgt dat [geïntimeerde] geen ontbindingsrecht had. Daarom is art. 6:230m lid 1 onder h niet geschonden en bestond geen aanleiding voor het opleggen van een sanctie, aldus Monuta. De vordering is volgens haar ten onrechte met toepassing van de sanctierichtlijn met 25% verminderd.
5.3
Grief 2 is gericht tegen de vermindering door de kantonrechter van de (toegewezen) buitengerechtelijke kosten en de (wettelijke) rente met 25% en grief 3 is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%. Monuta voert aan dat, omdat geen sprake is van schending van de informatieplicht art. 6:230m lid 1 onder h BW, op de nevenvorderingen en de proceskosten eveneens ten onrechte een vermindering is toegepast.
5.4
In grief 3 wordt verder nog geklaagd:
- dat onder 2.12 van het bestreden vonnis het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (vordering met een waarde van € 2.500-€ 5.000) in plaats van € 524 (vordering met een waarde van € 5.000-€ 12.500);
- dat onder 2.12 het salaris van de gemachtigde ten onrechte is vastgesteld op € 271 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 5.000) in plaats van € 339 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten tot en met € 10.000); en
- dat ten onrechte zonder nadere motivering de subsidiair gevorderde wettelijke rente in plaats van de primair gevorderde contractuele rente van 7% per jaar is toegewezen.
Informatieplichten ex art. 6:230m lid 1BW; toetsingskader
5.5
Monuta stelt dat de overeenkomst tussen Monuta en [geïntimeerde] moet worden aangemerkt als een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die buiten de verkoopruimte is gesloten. Dat is niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. In een dergelijk geval moet de handelaar op grond van artikel 6:230m BW op een duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over een aantal voor de consument belangrijke zaken. In zijn prejudiciële beslissing van 12 november 2021 heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of is voldaan aan de in artikel 6:230m lid 1 sub a, b, c, e, f, g, h, o en p BW neergelegde essentiële informatieplichten. Als aan één of meer van dergelijke essentiële precontractuele informatieverplichtingen niet is voldaan, moet de rechter een doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie toepassen. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten kan de rechter als sanctie de overeenkomst geheel of gedeeltelijk vernietigen. Bij gedeeltelijk vernietigen van de overeenkomst moet worden gedacht aan vermindering van de betalingsverplichting van de consument. [1] Ontbindingsrecht; uitzonderingen
5.6
Op grond van art. 6:230o lid 1, aanhef en onder a, BW kan de consument een op afstand of een buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst tot het verrichten van diensten zonder opgave van redenen ontbinden tot een termijn van veertien dagen is verstreken vanaf de dag waarop de overeenkomst is gesloten. Voor het geval dat een ontbindingsrecht bestaat, heeft de handelaar de verplichting de consument informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Art. 6:230p BW voorziet in enkele uitzonderingen op het ontbindingsrecht (ook wel aangeduid als herroepingsrecht) in verband met de aard van de betrokken dienst of zaak. In de considerans van Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten worden die uitzonderingen als volgt toegelicht:
‘(49) Bepaalde uitzonderingen op het herroepingsrecht moeten mogelijk zijn, zowel toe voor op afstand als voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. Het is mogelijk dat een herroepingsrecht, bijvoorbeeld gezien de aard van de betrokken goederen of diensten, niet op zijn plaats is. Dat is bijvoorbeeld het geval voor overeenkomsten van speculatieve aard betreffende wijn die pas langere tijd na sluiting van een overeenkomst wordt geleverd, en waarbij de waarde afhangt van schommelingen van de markt (‘vin en primeur’). Het herroepingsrecht mag ook niet gelden voor volgens specificaties van de consument vervaardigde goederen of die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn, zoals op maat gemaakte gordijnen, noch voor de levering van bijvoorbeeld brandstof die, door zijn aard zelf, een goed is dat na levering niet meer te scheiden is van de andere goederen. Het toekennen van een herroepingsrecht aan de consument kan ook niet passend zijn in het geval van bepaalde diensten waarbij de sluiting van de overeenkomst impliceert dat er capaciteit wordt gereserveerd, waarvoor de handelaar bij de uitoefening van een herroepingsrecht mogelijk geen bestemming meer kan vinden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer hotelkamers, vakantiewoningen of plaatsen voor culturele of sportieve evenementen worden gereserveerd.
(50) Enerzijds moeten consumenten over een herroepingsrecht beschikken, ook als zij hebben verzocht om verrichting van de dienst voor het verstrijken van de herroepingstermijn. Anderzijds dient de handelaar, indien de consument zijn herroepingsrecht uitoefent, ook te kunnen rekenen op een passende betaling voor de dienst die hij heeft verricht. Bij de berekening van het evenredige bedrag dient te worden uitgegaan van de in de overeenkomst vastgestelde prijs, tenzij de consument kan aantonen dat die totale prijs zelf onevenredig is; in dat geval dient het te betalen bedrag te worden berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde dienst. De marktwaarde moet worden vastgesteld door vergelijking met de prijs van een gelijkwaardige dienst, uitgevoerd door andere handelaren op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst. Daarom moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Van zijn kant dient de handelaar de consument op een duurzame gegevensdrager te informeren over de verplichting om de pro rata kosten voor de reeds verrichte dienst te betalen. Bij overeenkomsten die zowel op goederen als op diensten betrekking hebben, dienen de in deze richtlijn opgenomen voorschriften inzake het terugzenden van goederen te gelden voor de goederenaspecten en dient de vergoedingsregeling voor diensten te gelden voor de dienstenaspecten.’
Geldt een uitzondering voor de overeenkomst tot uitvaartverzorging?
5.7
In deze zaak is aan de orde of [geïntimeerde] het recht had de overeenkomst met Monuta tot verzorging van de uitvaart van zijn moeder binnen veertien dagen na het sluiten daarvan (zonder opgave van redenen) te ontbinden. In dat geval had Monuta de verplichting [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht (art. 6:230m lid 1 onder h jo art. 6:230o BW). Vast staat dat Monuta geen informatie over een (eventueel) ontbindingsrecht heeft verstrekt.
5.8
In art. 6:230p BW, waarin is geregeld in welke gevallen de consument geen recht van ontbinding van de overeenkomst heeft, wordt de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart niet genoemd, zoals Monuta ook erkent. In dit verband wijst zij op wel genoemde overeenkomsten waarvoor het ontbindingsrecht niet geldt. Naar Monuta stelt, heeft de consument geen recht van ontbinding bij een consumentenkoop betreffende de levering van volgens specificaties van de consument vervaardigde zaken, die niet geprefabriceerd zijn en die worden vervaardigd op basis van een individuele keuze of beslissing van de consument, of die duidelijk voor een specifiek persoon bestemd zijn (art. 6:230p, aanhef en onder f, 1°, BW), zonder dit verder toe te lichten. Monuta wijst ook nog op de uitzondering van art. 6:230p, aanhef en onder e, BW dat bepaalt dat de consument geen recht van ontbinding heeft bij een overeenkomst tot het verrichten van diensten die strekt tot, onder meer, de terbeschikkingstelling van accommodatie anders dan voor woondoeleinden, van autoverhuurdiensten en van catering, indien in de overeenkomst een bepaald tijdstip of een bepaalde periode van nakoming is voorzien. Ook bij deze verwijzing ontbreekt een toelichting. Het hof onderkent dat de overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart elementen van de verschillende, in deze bepalingen genoemde typen overeenkomsten bevat en dat in zoverre sprake is van een gemengde overeenkomst. Naar het oordeel van het hof kan dit niet ertoe toe leiden dat, zonder dat de wet hierin voorziet, voor een overeenkomst tot uitvaartverzorging het ontbindingsrecht in zijn geheel komt te vervallen. De totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten.
5.9
Monuta beroept zich verder op art. 6:230p, aanhef en onder d, BW dat luidt:
‘De consument heeft geen recht van ontbinding bij:
[…]
d. een overeenkomst tot het verrichten van diensten, na nakoming van de overeenkomst, en voor zover de overeenkomst voor de consument een betalingsverplichting inhoudt, indien:
1° de nakoming is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande instemming van de consument; en
2° de consument heeft verklaard afstand te doen van zijn recht van ontbinding zodra de handelaar de overeenkomst is nagekomen’.
Deze bepaling voorziet in een
generiekeuitzondering voor overeenkomsten tot het verrichten van diensten. [2] De consument heeft dus wel een ontbindingsrecht, maar dit vervalt als de overeenkomst volledig is nagekomen tijdens de termijn van veertien dagen waarbinnen kan worden ontbonden. Bij betaalde dienstverlening moet bovendien aan twee voorwaarden zijn voldaan: de consument moet hebben ingestemd met de uitvoering van de dienst tijdens de ontbindingstermijn én de consument moet uitdrukkelijk hebben verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Monuta stelt, onder verwijzing naar alle diensten genoemd in de kostenbegroting, dat [geïntimeerde] haar heeft verzocht om direct voor hem aan de slag te gaan. Voor zover deze stelling zo moet worden begrepen dat de eerste voorwaarde is vervuld, heeft Monuta die stelling niet onderbouwd. Volgens de hiervoor geciteerde overweging 50 moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht immers uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Wat daarvan zij, daarnaast geldt als voorwaarde dat de consument uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij afstand doet van het ontbindingsrecht nadat de dienst volledig zal zijn verricht. Ontbreekt deze verklaring, dan kan de consument alsnog gebruik maken van zijn ontbindingsrecht. Monuta heeft hierover niets gesteld, zodat moet worden aangenomen dat deze voorwaarde niet is vervuld en dat het recht tot ontbinding in stand is gebleven. De conclusie is dan ook dat Monuta haar verplichting om [geïntimeerde] informatie te verstrekken over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van recht tot ontbinding, niet is nagekomen.
5.1
Het voorgaande wordt niet anders vanwege het voorschrift in de Wet op de Lijkbezorging dat de uitvaart maximaal zes dagen na het overlijden moet plaatsvinden. Het ligt op de weg van de uitvaartondernemer, in dit geval Monuta, om als voorwaarde voor het beginnen met de uitvoering van de overeenkomst, van de consument te verlangen dat hij zijn uitdrukkelijk voorafgaande toestemming met uitvoering binnen de ontbindingstermijn (schriftelijke) bevestigt en een verklaring ondertekent waarmee hij afstand doet van zijn ontbindingsrecht. Voor de uitvaartondernemer is dit een simpele handeling die ook niet anderszins bezwaarlijk voorkomt.
5.11
Hieruit volgt dat grief 1 ongegrond is. Hetzelfde geldt voor de grieven 2 en 3, voor zover deze laatstgenoemde grief is gericht tegen de vermindering van de proceskostenveroordeling met 25%, die (wat betreft grief 3: in zoverre) geen zelfstandige betekenis hebben.
Proceskostenveroordeling en rente in eerste aanleg
5.12
Grief 3 is wel gegrond voor zover daarin wordt opgekomen tegen de toewijzing van de contractuele rente in plaats van de wettelijke rente.
5.13
In artikel 9.4 van de algemene voorwaarden dat bij niet tijdige betaling, de uitvaartverzorger gerechtigd is rente in rekening te brengen met een maximum van 7% per jaar. Het hof acht dit percentage niet onevenredig hoog. Ter vergelijking: de wettelijke rente bedroeg in 2023 tot 1 juli 4% en vanaf 1 juli 6%, in 2024 6% en in 2025 7%. Van een onredelijk bezwarend beding is dus geen sprake. Dan valt niet in te zien waarom de primair gevorderde contractuele rente niet toewijsbaar is. Het hof zal alsnog de contractuele rente van 7% over de hoofdsom toewijzen.
5.14
Grief 3 slaagt niet voor zover daarin wordt betoogd dat het griffierecht ten onrechte is vastgesteld op € 496 (zaken met een vordering of een verzoek van een waarden van meer dan € 2.500 en niet meer dan € 5.000, terwijl dit – volgens Monuta – het tarief voor vorderingen tussen de € 5.000 en € 10.000 had moeten zijn. Monuta stelt niet dat bij haar in eerste aanleg meer in rekening is gebracht dan het bedrag dat de kantonrechter heeft toegewezen aan vergoeding voor door haar betaald griffierecht. Het hof zal wel het salaris gemachtigde opnieuw begroten naar het tarief voor zaken met een geldwaarde tussen de € 5.000 en € 10.000.
5.15
Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg opnieuw (correct) vaststellen:
kosten dagvaarding € 153,66
griffierecht € 496
salaris gemachtigde € 339
nakosten € 135 +totaal € 1.123,66
Ambtshalve toetsing schending informatieplichten en onredelijke bedingen
5.16
Voor het overige heeft het hof geen schending van informatieplichten of onredelijk bezwarende bedingen geconstateerd.
Conclusie en proceskosten
5.17
De conclusie is dat het hoger beroep van Monuta wat betreft de toegewezen rente en de proceskostenveroordeling slaagt. Op dit punt zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof het dictum opnieuw formuleren.
5.18
Omdat de grieven slechts op een ondergeschikt punt slagen, ziet het hof aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 november 2024 en,
opnieuw rechtdoende,
  • veroordeelt [geïntimeerde] om aan Monuta tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 4.323,11, vermeerderd met de contractuele rente van 7% per jaar over € 3.474,08 vanaf 27 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg, die aan de kant van Monuta worden begroot op € 1.123,66;
  • compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
  • verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. C.J. Verduyn, mr. A.J.P. Schild en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 520, nr. 3, p. 40.