Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
uitspraak van 8 juli 2026
[X] te [Z] , belanghebbende,
Heffingsambtenaar van de gemeente Zuidplas, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
Type hoorzitting
Oordeel van de Rechtbank
1(totaal beroepsfase € 453,50)). Gegeven het oordeel van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 januari 2025
2, is toepassing van de lagere vergoeding voor de beroepsfase die voortvloeit uit de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm in een geval als dit niet onrechtmatig of anderszins niet gerechtvaardigd.
het bedrijfsmodeleruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
3worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.
4Dat in dit geval sprake is van een dergelijk bijzonder geval, heeft belanghebbende noch zijn gemachtigde aannemelijk gemaakt. Weliswaar zijn in de onderhavige zaak door deze gemachtigde duidelijk tijd en moeite gestoken in de procedure, en zijn in zijn aanvulling op het beroepschrift ook op de zaak toegespitste gronden opgenomen die niet kunnen worden aangemerkt als gestandaardiseerde tekstblokken, echter, dat is naar het oordeel van de rechtbank niet de toets die in dit verband geldt. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust
5, heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfatcor(en) wel geld(t)(en).
6
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het geschil
Kamerstukken II1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 145).