ECLI:NL:GHDHA:2026:2394

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/128
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, lid 1, onderdeel a BpbArt. 7:2 AwbArt. 7:15, tweede lid, AwbArt. 8:75 AwbArt. 17, tweede lid, Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding na hoger beroep

Belanghebbende, eigenaar van een tussenwoning, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €443.000 voor het jaar 2023. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank stelde de waarde vast op €415.000 en veroordeelde de Heffingsambtenaar in proceskosten.

Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en vorderde een verdere verlaging van de waarde tot €399.000 en vergoeding van proceskosten voor een schriftelijke hoorzitting. Partijen bereikten ter zitting overeenstemming over een waarde van €407.000 en de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Het hof oordeelde dat een schriftelijke hoorzitting niet gelijkgesteld kan worden aan een mondelinge hoorzitting en dat de rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding voor een hoorgesprek had toegekend. Wel achtte het hof dat belanghebbende op grond van een werkafspraak met de Heffingsambtenaar redelijkerwijs mocht vertrouwen op een procespunt voor de schriftelijke hoorzitting bij gegrondverklaring van het beroep.

Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, stelde de waarde vast op €407.000, en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten van in totaal €2.394,26 en het betaalde griffierecht van €143. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €407.000, de aanslag wordt verminderd en de Heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/128

uitspraak van 8 juli 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A. Oosters)
en

Heffingsambtenaar van de gemeente Zuidplas, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 februari 2025, nummer SGR 24/3027.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 443.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 415.000;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 415.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.228,76 (€ 1.100,50 + € 128, 26);
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.”
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 maart 2025 en 7 april 2026 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een tussenwoning met een carport. De gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 121 m2 en de oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 128 m2.
2.2.
De voormalige gemachtigde van belanghebbende heeft een brief van 25 juli 2023 aan de Heffingsambtenaar gestuurd die, voor zover van belang, het volgende inhoudt:
“Dit is een verslag van de hoorzitting en ook een aanvulling op het bezwaarschrift. Heeft u nog vragen of heeft u extra informatie of stukken nodig om het bezwaar goed te kunnen beoordelen? Laat het ons weten, we reageren snel en verzorgen (voor zover mogelijk) uw verzoek binnen een redelijke termijn.

Type hoorzitting

Op verzoek van de Heffingsambtenaar, omwille van efficiëntie, heeft de hoorzitting schriftelijk plaatsgevonden. Dit betekent dat er geen gesprek is geweest van hoor en wederhoor, maar dat hetgeen besproken zou worden schriftelijk is toegestuurd. Hierdoor zijn er over en weer geen vragen gesteld en/of beantwoord.
Ik heb hiermee ingestemd, het gebrek aan een mondelinge behandeling van de hoorzitting mag echter geen obstakel vormen voor de heffingsambtenaar om het bezwaar of één van de grieven negatief te beoordelen vanwege een gebrek aan informatie die de heffingsambtenaar redelijkerwijs had kunnen achterhalen of opvragen tijdens de hoorzitting. Ik ga er dan ook vanuit dat de heffingsambtenaar mijn vragen ten uiterste tijdens de uitspraak zal beantwoorden en, indien nodig, zijn vragen of verzoeken voor het doen van uitspraak aan mij te stellen. Ook dat is van belang in het kader van het Fair Play Beginsel, zoals onder andere blijkt uit jurisprudentie (ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9081) maar ook uit het stuk “Fair play als exponent van fiscaal fatsoen” (WFR 2007/1133) van mr. J.A.R. van Eijsden.”
2.3.
De Heffingsambtenaar heeft op 3 februari 2024 het bezwaar tegen de beschikking en de aanslag ongegrond verklaard.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 399.000. De eerder bepleite waarde van € 320.000 heeft belanghebbende ter zitting laten vallen. De heffingsambtenaar bepleit uiteindelijk, naar ter zitting is gebleken, een waarde van € 420.000.
2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de uiteindelijk door hem bepleite waarde van € 420.000 niet te hoog is. De rechtbank acht de matrix van de heffingsambtenaar, afgezet tegenover wat belanghebbende daartegenover heeft aangevoerd en overgelegd - daaronder begrepen een taxatierapport dat eveneens is gebaseerd op goed vergelijkbare referentieobjecten - een onvoldoende onderbouwing van de uiteindelijk door de heffingsambtenaar bepleite waarde. Ook de door de heffingsambtenaar ter zitting aangedragen alternatieve benaderingswijze waarbij een vergelijk wordt gemaakt met de drie door belanghebbendes taxateur in aanmerking genomen referentieobjecten plus de twee door de heffingsambtenaar gehanteerde referentieobjecten die zijn gelegen in dezelfde straat als de woning ( [adres 2] en [adres 3] ), waaruit volgens de heffingsambtenaar een waarde van (afgerond) € 420.000 volgt, acht de rechtbank onvoldoende overtuigend om die waarde aannemelijk te achten. Dit met name omdat naar het oordeel van de rechtbank, overeenkomstig belanghebbende benadrukt, niet aannemelijk is geworden dat de aldus herleide waarde in een juiste verhouding staat tot de met het nabijgelegen object [adres 4] behaalde transactieprijs. Dat object is eind 2022 verkocht voor € 430.000 in een, naar belanghebbende overtuigend heeft aangevoerd en de rechtbank ook afleidt uit de door belanghebbende overgelegde verkoopdocumentatie, aanmerkelijk betere staat (met name veel betere voorzieningen). Afgezet tegen die transactieprijs en in aanmerking nemend de betere staat van dat referentieobject ten tijde van de verkoop, acht de rechtbank de door de heffingsambtenaar bepleite waarde van € 420.000 nog steeds te hoog en daarmee niet aannemelijk. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat zij, overeenkomstig belanghebbendes gemachtigde ter zitting nadrukkelijk heeft bepleit, het door de heffingsambtenaar bij de waardeherleiding gebruikte referentieobject [adres 3] minder goed vergelijkbaar en bruikbaar vindt, terwijl dat object juist wel tot een hoge(re) waarde leidt dan de overige referentieobjecten doen. Immers, niet alleen heeft dat object, zoals uit de matrix van de heffingsambtenaar en de daarin opgenomen foto’s blijkt, een fraaiere uitstraling en aanmerkelijk meer grond, maar ook, naar belanghebbendes gemachtigde ter zitting gemotiveerd en onweersproken heeft verklaard, een betere ligging dan de andere objecten in die straat. Afgezet hiertegen heeft de heffingsambtenaar onvoldoende gemotiveerd en/of inzichtelijk gemaakt dat de door hem bepleite waarde van € 420.000 wel in een goede verhouding staat tot dit verkoopcijfer, al dan niet bezien in samenhang met de overige referentobjecten en transactieprijzen. De stelling van de heffingsambtenaar ter zitting dat – kort gezegd – het ene object nu eenmaal wat beter is dan het andere, maar dat dat niet wegneemt dat ze allemaal in de vergelijking kunnen worden meegenomen en dat het een en ander zich uitmiddelt in de vergelijking, acht de rechtbank onvoldoende concreet en overtuigend om tot een ander oordeel te komen. Daartoe heeft de heffingsambtenaar de ‘plussen en minnen’ onvoldoende concreet in beeld gebracht en dus ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe dit dan precies uitwerkt in de waardeherleiding. Gelet op dit alles acht de rechtbank de door de heffingsambtenaar bepleite waarde van € 420.000 niet aannemelijk gemaakt.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de door hem bepleite lagere waarde van € 399.000 evenmin aannemelijk gemaakt. Deze waarde verhoudt zich niet tot de waarde zoals die uit de referentieobjecten van de heffingsambtenaar kan worden herleid (zie ook diens matrix), en al helemaal niet tot de door de heffingsambtenaar ter zitting aangedragen benaderingswijze die leidt tot een waarde van (afgerond) € 420.000 waarin, naar ter zitting duidelijk is gebleken, belanghebbendes gemachtigde zich ook in verre mate kan vinden. Belanghebbende heeft verder geen, althans onvoldoende verschillen tussen de woning en de onderwerpelijke vergelijkingsobjecten benoemd, laatst staan onderbouwd en aannemelijk gemaakt, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de waarde, afgezet dus tegen de met alle referentieobjecten behaalde transactieprijzen, niet meer dan € 399.000 bedraagt. De enkele veronderstelling dat er wellicht verschillen zijn, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Nu uit de vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar een hogere waarde dan de door belanghebbende bepleite waarde volgt, is de door belanghebbende bepleite waarde evenmin aannemelijk gemaakt.
5. Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank erin is geslaagd het gevergde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking nemend, de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 415.000.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond. De overige gronden behoeven geen behandeling meer.
Proceskosten
7. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.100,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647 (tarief 2025) en wegingsfactor 1 (totaal bezwaarfase € 647); 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 (tarief 2025), een wegingsfactor 1 en vermenigvuldigd met een factor van 0,25
1(totaal beroepsfase € 453,50)). Gegeven het oordeel van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 januari 2025
2, is toepassing van de lagere vergoeding voor de beroepsfase die voortvloeit uit de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm in een geval als dit niet onrechtmatig of anderszins niet gerechtvaardigd.
8. Immers, de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan
het bedrijfsmodeleruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
3worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.
4Dat in dit geval sprake is van een dergelijk bijzonder geval, heeft belanghebbende noch zijn gemachtigde aannemelijk gemaakt. Weliswaar zijn in de onderhavige zaak door deze gemachtigde duidelijk tijd en moeite gestoken in de procedure, en zijn in zijn aanvulling op het beroepschrift ook op de zaak toegespitste gronden opgenomen die niet kunnen worden aangemerkt als gestandaardiseerde tekstblokken, echter, dat is naar het oordeel van de rechtbank niet de toets die in dit verband geldt. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust
5, heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfatcor(en) wel geld(t)(en).
9. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor het in beroep ingebrachte taxatierapport. De rechtbank stelt de vergoeding voor het taxatierapport, overeenkomstig de heffingsambtenaar ter zitting heeft bepleit en met inachtneming van de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, vast op € 128,26.
10. Voor een vergoeding voor een hoorgesprek in de bezwaarfase bestaat verder geen aanleiding. In de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de proceshandelingen opgesomd waarvoor een proceskostenvergoeding kan worden toegekend. Het indienen van een geschrift met nadere gronden dat in de plaats komt van een hoorzitting is daarin niet als proceshandeling genoemd. Er bestaat ook geen grond om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht hiervoor een vergoeding toe te kennen omdat het indienen van nadere gronden in een extra schriftelijke ronde in de kern niet anders is dan het formuleren van de beroepsgronden in een beroepschrift, waarvoor wel een vergoeding kan worden toegekend. De rechtbank kent voor de door de gemachtigde in dit verband aangevoerde nadere gronden geen kostenvergoeding toe. De omstandigheid dat de heffingsambtenaar de gemachtigde heeft bericht dat deze proceshandeling voor de toekenning van een proceskostenvergoeding wordt gelijkgesteld met een (telefonische) hoorzitting doet hieraan niet af. De rechtbank is niet gebonden aan deze opvatting van de heffingsambtenaar die geen steun vindt in het recht. Deze grond faalt.
6
11. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is:
of de waarde van de woning, na vermindering door de Rechtbank, te hoog is vastgesteld;
of de Rechtbank ten onrechte geen kostenvergoeding voor een hoorgesprek heeft toegekend; en
zo nee, of het vertrouwensbeginsel is geschonden.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot verlaging van de waarde tot € 399.000 en tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief de kosten voor een hoorgesprek in de bezwaarfase.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Waarde woning
5.1.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over hetgeen hen verdeeld houdt voor zover het de waarde van de woning en de toepassing van artikel 30a Wet WOZ betreft. Ze zijn ter zitting overeengekomen dat de voor het onderhavige jaar vastgestelde waarde van de woning wordt verminderd tot € 407.000 en dat de aanslag dienovereenkomstig wordt verminderd. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de Heffingsambtenaar het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht en de proceskosten vergoedt, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd en artikel 30a Wet WOZ wordt toegepast voor de beroeps- en hogerberoepsprocedure.
5.2.
Het Hof sluit zich aan bij deze gezamenlijke standpunten van partijen en zal dienovereenkomstig beslissen.
Schriftelijke hoorzitting
5.3.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte geen kostenvergoeding voor een hoorgesprek in de bezwaarfase heeft toegekend. Belanghebbende voert daartoe aan dat zijn voormalige gemachtigde en de Heffingsambtenaar de afspraak hadden gemaakt dat de schriftelijke hoorzitting gezien wordt als een reguliere hoorzitting en “dat deze bij een gegronde zaak vergoed moet worden.” Voorts stelt belanghebbende dat de Rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door hierover een afwijkend oordeel te geven, omdat het toetsen van deze afspraak geen punt van openbare orde is.
5.3.2.
Artikel 7:2, lid 1, Awb bepaalt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Met het horen in bezwaar heeft de wetgever onder meer beoogd te waarborgen dat de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren kan brengen bij het bestuursorgaan, en te bevorderen dat het bestuursorgaan bij de besluitvorming beschikt over alle relevante informatie die nodig is voor een zorgvuldige heroverweging en besluitvorming (
Kamerstukken II1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 145).
5.3.3.
Naar het oordeel van het Hof kan de brief van 25 juli 2023, die naast hetgeen vermeld is in 2.2, een weergave van de standpunten van partijen en een nadere onderbouwing en aanvulling van de bezwaargronden bevat, niet op één lijn worden gesteld met ‘het verschijnen ter hoorzitting’ in de zin van onderdeel A5, onder 2, van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Met het begrip ‘verschijnen ter hoorzitting’ is een mondelinge hoorzitting bedoeld, hetgeen ook volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:2 Awb Pro. Naast fysieke deelname, kan deze ingevolge de jurisprudentie telefonisch dan wel via een digitale beeldverbinding plaatsvinden, maar in alle gevallen wordt mondeling deelgenomen aan de hoorzitting. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake geweest; er heeft geen gesprek met hoor en wederhoor plaatsgevonden (zie 2.2). De Rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage in het onderhavige geval geen ruimte laat voor toekenning van een procespunt voor het verschijnen ter hoorzitting.
5.3.4.
In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat hij aan de werkafspraak met de Heffingsambtenaar het vertrouwen kan ontlenen dat bij het bepalen van de proceskostenvergoeding in geval van een gegrond bezwaar of (hoger) beroep een procespunt wordt toegekend voor het deelnemen aan een hoorzitting.
5.3.5.
De Heffingsambtenaar heeft niet weersproken dat de werkafspraak tevens inhield dat in het geval het bezwaar, beroep of hoger beroep gegrond wordt verklaard voor de ‘schriftelijke hoorzitting’ een procespunt zal worden toegekend. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat belanghebbende aan de uitlating van de Heffingsambtenaar bij het maken van de werkafspraak het vertrouwen heeft ontleend, en in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs heeft mogen ontlenen, dat in het geval het bezwaar, beroep of hoger beroep gegrond wordt verklaard een procespunt wordt toegekend voor de ‘schriftelijke hoorzitting’.
Het Hof is van oordeel dat de gedane toezegging van de Heffingsambtenaar niet zozeer in strijd is met een juiste toepassing van het Bpb dat belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming van die toezegging mocht rekenen.
5.3.6.
Anders dan belanghebbende stelt is de Rechtbank niet buiten de rechtsstrijd getreden door voor de bepaling van de hoogte van de (proces)kostenveroordeling een oordeel te geven over het al dan niet toekennen van een procespunt voor een hoorzitting. Ingevolge artikel 8:75 Awb Pro is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Anders dan belanghebbende stelt, geldt dat aangezien het bestaan en de inhoud van de werkafspraak niet tot de gedingstukken behoort en in bezwaar, noch in beroep het vertrouwensbeginsel aan de orde was gesteld, de Rechtbank over de toepassing van dit beginsel geen oordeel kon geven.
Slotsom
5.4.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor veroordeling van de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht.
Bezwaar
6.2.1.
Voor de bezwaarfase stelt het Hof de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 7:15, tweede lid, Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.332 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor een hoorzitting à € 666 x wegingsfactor 1).
Beroep
6.3.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 1 x factor 0,25 (artikel 30a Wet WOZ)). Tevens heeft belanghebbende recht op een vergoeding à € 128,26 voor het in beroep ingebrachte taxatierapport.
Hoger beroep
6.4.
Het Hof stelt de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 (1 punt voor het hogerberoepschrift,
1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1 x factor 0,25 (artikel 30a Wet WOZ)).
Griffierecht
6.5.
Tevens dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 143 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover daarin een vergoeding van het griffierecht is toegekend;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de waarde nader wordt vastgesteld op € 407.000;
- vermindert de aanslag dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.394,26; en
- gelast de Heffingsambtenaar het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.
De griffier, de voorzitter,
D.W. Renes Chr.Th.P.M. Zandhuis

De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.