Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:338

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/542
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WbrArt. 3.111 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep overdrachtsbelasting: geen toepassing verlaagd tarief wegens ontbreken hoofdverblijf recreatiewoning

Belanghebbende kocht een recreatiewoning en betaalde overdrachtsbelasting tegen het hoge tarief van 10,4%. Zij stelde dat zij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf zou gebruiken en vorderde toepassing van het verlaagde tarief van 2%. De Rechtbank wees het beroep af omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de woning haar centrale levensplaats is.

In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Belanghebbende verbleef slechts twee dagen per week op haar hoofdadres waar zij ook vrijwilligerswerk doet en sociale contacten onderhoudt. De overige dagen verbleef zij in de recreatiewoning, maar zij kon zich niet inschrijven op dat adres en permanente bewoning was niet toegestaan. De door haar overgelegde bankafschriften toonden vooral weekenduitgaven, wat eerder duidt op recreatief gebruik.

Het Hof overwoog dat de bewijslast bij belanghebbende ligt en dat de vrije bewijsleer geldt. De betrokkenheid bij de coöperatie en het lidmaatschap daarvan zijn onvoldoende om het hoofdverblijf aan te nemen. Het feit dat belanghebbende haar hoofdverblijf op het gehuurde adres handhaafde en haar sociale en economische belangen daar liggen, leidde tot de conclusie dat het verlaagde tarief niet van toepassing is.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verlaagde overdrachtsbelastingtarief wordt niet toegepast omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/542

Uitspraak van 3 maart 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N. Swaneveld)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 5 juni 2025, nummer SGR 24/9654.

Procesverloop

1.1.
Belanghebbende heeft op aangifte overdrachtsbelasting voldaan.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de voldoening op aangifte afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende nog een stuk ingezonden. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van dat stuk, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Feiten

2.1.
Belanghebbende huurt vanaf 1 november 2022 een kamer in een woning aan de [adres 1] te [woonplaats 1] (de gehuurde woonruimte).
2.2.
Belanghebbende heeft voor een koopsom van € 100.000 een woning gekocht aan de [adres 2] te [woonplaats 2] (de woning). In de leveringsakte van 26 januari 2024 staat onder meer:

“OMSCHRIJVING REGISTERGOED

het recht van eigendom met betrekking tot de recreatie woning en verder toebehoren gelegen te [postcode] [woonplaats 2] , [gemeente 2] , [adres 2] , kadastraal bekend [gemeente 1] , sectie […] , nummer […] ter grootte van vier are en zevenenveertig centiare (4 a 47 ca), hierna aangeduid met: "het Verkochte".
(…)
OVERDRACHTSBELASTING
Wegens de levering van het verkochte is overdrachtsbelasting verschuldigd. De overdrachtsbelasting komt voor rekening van koper. De overdrachtsbelasting is verschuldigd over de koopprijs, aangezien deze ten minste gelijk is aan de waarde van het verkochte.
VERKLARING OVERDRACHTSBELASTING
Koper heeft verklaard dat terzake de hiervoor omschreven verkrijging aan overdrachtsbelasting is verschuldigd: tien vier/tiende procent (10,4%) over honderdduizend euro (€ 100.000,00), zijnde tienduizend vierhonderd euro (€ 10.400,00).
(…)
BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN
(…)
III. Overige kwalitatieve verplichtingen:
- Recreatief gebruik
Omtrent het gebruik en de gebruiker van de recreatiewoning - niet de eigenaar zelf zijnde - is tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen dat dit slechts een recreatief gebruik casu quo een recreatieve gebruiker mag en kan zijn, die het recreatieve gebruik heeft verkregen middels het afsluiten van een huurovereenkomst met een (externe) verhuur-/boekings- /exploitatie- organisatie. Het gebruik is derhalve slechts in de recreatieve sfeer toegestaan; ook het toegestane gebruik door de eigenaar wordt geacht plaats te vinden in de recreatieve sfeer en dient als zodanig ook te worden uitgeoefend.
- Permanente bewoning is niet toegestaan.
(…)
- Exploitatie van de recreatiewoning met aanbehoren:
De exploitatie valt uiteen in twee delen, te weten:
a. de uitbating van de recreatiewoning met aanbehoren;
b. het beheer van de recreatiewoning met aanbehoren.
Terzake van deze uitbating casu quo exploitatie heeft de koper met de na te noemen coöperatie een exploitatieovereenkomst gesloten, tegelijk met het sluiten van het koopcontract.
(…)
“D. VERKLARINGEN VAN KOPER.
Koper verklaarde:
(…)
2. zich te hebben verbonden het verkochte uitsluitend te gaan of te doen gebruiken voor de bouw en instandhouding van een recreatiewoning, dus slechts "tweede bewoning";”
2.3.
Belanghebbende heeft op 26 januari 2024 een “Verklaring Overdrachtsbelasting Laag tarief” ondertekend. Hierin is door belanghebbende verklaard dat zij de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken.
2.4.
Namens belanghebbende is op 21 februari 2024 ter zake van de verkrijging van de woning € 10.400 (10,4%) aan overdrachtsbelasting voldaan.
2.5.
Belanghebbende staat in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres van de gehuurde woonruimte. Inschrijving op het adres van de woning is niet mogelijk.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Beoordeling van het geschil
10. Overdrachtsbelasting wordt geheven over de verkrijging van (in dit geval) een woning. Het tarief van de overdrachtsbelasting bedraagt in beginsel 10,4% van de koopsom van de woning. Op grond van artikel 14, tweede lid, Wbr kan het verlaagde overdrachtsbelastingtarief van 2% worden toegepast indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken (het hoofdverblijfcriterium).
11. In de wetsgeschiedenis[1] van artikel 14 Wbr Pro is ter verduidelijking van het hoofdverblijfcriterium, het volgende opgenomen:
“Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf» wordt aangesloten bij het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan» in de eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij gaat het om een duurzaam eigen gebruik van de woning die de verkrijger overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat. Het begrip «hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale levensplaats». Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld analoog aan artikel 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de verkrijger bevindt.”
12. Zoals hiervoor is overwogen dient de vraag waar iemand zijn centrale levensplaats heeft naar omstandigheden te worden beoordeeld. De bewijslast rust daarbij op degene die een beroep doet op het verlaagde overdrachtsbelastingtarief. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat het middelpunt van haar persoonlijke en economische belangen na de verkrijging van de woning zich op het adres van de verkregen woning bevindt. Daarbij geldt binnen het belastingrecht de zogenoemde vrije bewijsleer. Dat betekent dat eiseres vrij is in de keuze van de bewijsmiddelen en dat de rechter vrij is in de waardering daarvan.
13. Eiseres heeft aangevoerd dat zij twee dagen per week in [woonplaats 1] verblijft alwaar zij vrijwilligerswerk doet en sociale contacten heeft. De overige vijf dagen per week verblijft zij in de woning. Eiseres heeft verklaard dat ze in de buurt van de woning wekelijks haar boodschappen doet, aldaar nieuwe sociale contacten heeft opgebouwd, betrokken is bij de VvE en zich er thuis voelt. Voor de zitting bij de rechtbank heeft eiseres schermprints overgelegd van een achttiental bankafschriften die zien op betalingen die zij vanaf maart 2024 heeft verricht bij winkels in [woonplaats 2] , [woonplaats 3] en [woonplaats 4] . Deze plaatsen zijn in de buurt van de woning gelegen.
14. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Naast de bankafschriften heeft eiseres geen stukken of verklaringen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de woning haar hoofdverblijf is. Zo heeft zij geen inzicht gegeven in de aard en context van haar betrokkenheid bij de VvE of van de contacten die zij zegt te hebben aangeknoopt in de omgeving van de woning. Evenmin wordt duidelijk wat de verkrijging van de woning heeft betekent voor de band die eiseres heeft met [woonplaats 1] . Eiseres heeft de gehuurde woonruimte aangehouden en zij heeft haar vrijwilligerswerk in [woonplaats 1] voortgezet, zodat die band in ieder geval deels in stand is gebleven. Het had op de weg van eiseres gelegen om daaromtrent duidelijkheid te verschaffen. Met de afschriften maakt eiseres weliswaar aannemelijk dat zij regelmatig in de woning verblijft, maar de afschriften bieden op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de woning haar centrale levensplaats vormt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat zij zien op een beperkt aantal betalingen en dat daarvan ruim driekwart in het weekend heeft plaatsgevonden.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het verlaagde tarief terecht niet toegepast en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 576, nr. 3, pagina 21.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of belanghebbende voor de verkrijging van de woning recht heeft op het verlaagde tarief van 2% in de overdrachtsbelasting en meer specifiek of is voldaan aan het hoofdverblijfcriterium.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van € 8.400.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Juridisch kader
5.1.1. Artikel 14 Wet Pro op belastingen van rechtsverkeer (Wbr; tekst 2024) luidt, voor zover van belang:
“1 De belasting bedraagt 10,4 percent.
2 In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging door een natuurlijk persoon van een woning (…) als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring.”
5.1.2. In de memorie van toelichting bij de Wet differentiatie overdrachtsbelasting staat voor zover hier van belang (voetnoten weggelaten):
“Andere natuurlijke personen - niet zijnde starters - die een woning verkrijgen, hebben recht op de toepassing van het verlaagde tarief van 2%, mits zij de woning verkrijgen om deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. (…) Alle overige verkrijgingen worden vanaf 1 januari 2021 belast tegen het hogere algemene tarief.”
(Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 576, nr. 3, p. 5 en 6)
en
“Met het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf» wordt aangesloten bij het begrip «anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan» in de eigenwoningregeling van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij gaat het om een duurzaam eigen gebruik van de woning die de verkrijger overeenkomstig de bestemming als woning ter beschikking staat. (…) Voor een natuurlijk persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf gelden. Dit betekent dat vakantiehuizen, pied-à-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen dat op naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf kunnen worden aangemerkt.”
(Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 576, nr. 3, p. 21)
5.1.3. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet differentiatie overdrachtsbelasting staat voor zover hier van belang (voetnoten weggelaten):
“De leden van de fractie van de VVD vragen wat precies wordt bedoeld met «na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken» in relatie tot de vrijstelling of het tarief van 2%. Het begrip «hoofdverblijf» is synoniem met het begrip «centrale levensplaats». Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van een persoon zich bevindt. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de school of opvang waar de kinderen naartoe gaan en speelmaatjes hebben, waar de sportclub is, waar de persoon lid is van zijn geloofsgemeenschap of sportvereniging. De bewijslast om aannemelijk te maken dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de koper van een woning zich na de verkrijging van de woning op het adres van de verkregen woning bevindt, ligt bij de koper. Een persoon kan slechts één woning als hoofdverblijf hebben. Dit betekent doorgaans dat pied-à-terre’s of een huis voor uitwonende kinderen dat op naam van de ouders staat niet als hoofdverblijf zullen worden aangemerkt. Hetzelfde geldt in verreweg de meeste gevallen ook voor recreatiewoningen. Dit is slechts anders als de recreatiewoning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf wordt gebruik door de verkrijger. Is de woning niet de centrale levensplaats, dan geldt vanaf 2021 het tarief van 8%.
Netwerk Notarissen en de NOB vragen welk tarief van toepassing is ingeval één van de echtgenoten de echtelijke woning verlaat, een andere woning tijdelijk aankoopt en daar alleen in gaat wonen. Netwerk Notarissen vragen specifiek of bij verkrijging van een recreatiewoning in gemeenten waarin inschrijving in het Basisregistratie Personen niet mogelijk is, omdat permanente bewoning in recreatiewoningen niet is toegestaan, geen beroep kan worden gedaan op de startersvrijstelling en het tarief van de overdrachtsbelasting 8% bedraagt. Zij noemen hierbij het voorbeeld dat in het kader van een echtscheiding door een van de ex-partners een recreatiewoning wordt gekocht, zodat daarin gewoond kan worden totdat de hele scheiding is afgewikkeld (wat vaak één tot twee jaar duurt). Doorgaans zal aan het hoofdverblijfcriterium niet worden voldaan ingeval de echtgenoot in een recreatiewoning gaat wonen, waarvoor permanente bewoning niet is toegestaan en inschrijving in het BRP niet mogelijk is, zodat de koper niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of het verlaagde tarief. De woning moet het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de koper zijn. Daarnaast moet de beoogde bewoning een bepaalde duurzaamheid bevatten. Hierop ziet de bewoording «anders dan tijdelijk». Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of een recreatiewoning in aanmerking komt voor het verlaagde tarief of de vrijstelling. Hiervoor zal de koper aannemelijk moeten maken dat zijn persoonlijke en economische belangen zich op het adres van de verkregen (recreatie)woning bevinden en ook dat er sprake is van een mate van duurzaamheid. De beoordeling hiervan is in de eerste plaats aan de inspecteur en uiteindelijk aan de rechter.
en
De leden van de fractie van de VVD en D66 vragen onder welk tarief de aankoop van recreatiewoningen valt. Een recreatiewoning zal normaal gesproken niet in aanmerking komen voor toepassing van de startersvrijstelling of het verlaagde tarief, omdat de verkrijger die woning doorgaans niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf zal gaan gebruiken.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 576, nr. 6, p. 20 en 27)
5.1.4. In het besluit van 15 juli 2021, nr. 2021-140430, “Overdrachtsbelasting.
Startersvrijstelling en 2%-tarief; vragen en antwoorden” staat onder meer:

“Vraag 38

A verkrijgt een recreatiewoning die volgens het bestemmingsplan niet bestemd is voor permanente bewoning. A kan zich ook niet op dit adres laten inschrijven bij de gemeente. Niettemin wenst A de verkregen woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Is het mogelijk dat het 2%-tarief of de startersvrijstelling van toepassing is op deze verkrijging?

Antwoord

Om in aanmerking te komen voor het 2%-tarief of de startersvrijstelling moet A voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden. Als voorwaarde geldt onder meer dat A de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Of aan deze voorwaarde wordt voldaan moet aan de hand van objectieve gegevens worden beoordeeld. De publiekrechtelijk bestemming van de woning en de omstandigheid dat A zich niet op het adres van de woning kan laten inschrijven bij de gemeente zijn daarbij niet beslissend. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de gemeente permanente bewoning gedoogt, maar ook als dat niet het geval is, is een gebruik anders dan tijdelijk als hoofdverblijf door A niet uitgesloten.”
Beoordeling
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat aan het hoofdverblijfcriterium is voldaan. Hiertoe voert zij aan dat zij slechts twee dagen per week in [woonplaats 1] verblijft waar zij vrijwilligerswerk doet en sociale contacten heeft. Zij ziet haar kinderen en kleinkinderen daar. De overige vijf dagen per week verblijft zij in de woning. Belanghebbende heeft verklaard dat ze in de buurt van de woning wekelijks haar boodschappen doet, aldaar nieuwe sociale contacten heeft opgebouwd, betrokken is bij de coöperatie en zich er thuis voelt. De betrokkenheid bij de coöperatie is gericht op het in de avond actief meelopen met de parkpreventie groep in verband met de veiligheid op het park. Daarnaast volgt zij actief de ontwikkelingen op het park en woont zij de (bijzondere) ledenvergaderingen bij. Belanghebbende heeft afschriften van pinbetalingen overgelegd die zien op betalingen die zij vanaf maart 2024 heeft verricht bij winkels in [woonplaats 2] , [woonplaats 3] en [woonplaats 4] . Deze plaatsen zijn in de buurt van de woning gelegen.
5.2.2.
De Inspecteur stelt dat belanghebbende geen controleerbare, objectieve gegevens heeft verstrekt waaruit volgt dat belanghebbende de woning duurzaam als hoofdverblijf heeft gebruikt. De onderbouwing van de verklaringen van belanghebbende ontbreekt. Het patroon van de door belanghebbende overgelegde afschriften van pinbetalingen past volgens de Inspecteur net zozeer of wellicht meer bij iemand die een recreatiewoning vooral in het weekend recreatief gebruikt dan bij iemand die deze als hoofdverblijf heeft. Hij wijst daarbij erop dat is verklaard dat belanghebbende de periode tot begin mei 2024 langere tijd in het buitenland is verbleven, terwijl over die periode wel afschriften van pinbetalingen zijn overgelegd. Dat belanghebbende stelt betrokken te zijn bij de coöperatie is niet relevant, omdat deze ziet op eigenaren en niet op bewoners. Verder stelt de Inspecteur dat de [gemeente 2] permanente bewoning op het recreatiepark niet gedoogt. Hij wijst daarbij op de bepalingen in de akte van levering en publicaties waaruit onder meer volgt dat de [gemeente 2] is gestart met handhaving op het gebruik dat niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Tot slot wijst de Inspecteur erop dat belanghebbende na verkrijging van de woning de gehuurde woonruimte heeft aangehouden en nog op dat adres staat ingeschreven in de BRP.
5.2.3.
Het Hof stelt voorop dat naar omstandigheden dient te worden beoordeeld waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. De bewijslast rust daarbij op degene die een beroep doet op het verlaagde tarief. Het is dan ook aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij de woning duurzaam als hoofdverblijf heeft gebruikt. Daarbij geldt binnen het belastingrecht de zogenoemde vrije bewijsleer. Dat betekent dat belanghebbende vrij is in de keuze van de bewijsmiddelen en dat de rechter vrij is in de waardering daarvan.
5.2.4.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in overweging 14 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. Het Hof neemt deze gronden over, maakt deze tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe. Uit de betrokkenheid van belanghebbende bij de coöperatie kan niet worden opgemaakt dat zij de woning duurzaam als hoofdverblijf heeft gebruikt. Belanghebbende is als eigenaar van de woning blijkbaar ook lid van een coöperatie tot verhuurexploitatie geworden en bij dat lidmaatschap behoren bepaalde rechten en plichten, die de overige eigenaren/leden ook hebben. Ook deze eigenaren mogen van de gemeente niet permanent op het park wonen. Het feit dat belanghebbende de gehuurde woonruimte in [woonplaats 1] heeft aangehouden, dat zij in die omgeving vrijwilligerswerk doet en daar haar kinderen en kleinkinderen ziet, wijst eerder erop dat belanghebbende haar hoofdverblijf heeft in de gehuurde woonruimte. De afschriften van de pintransacties laten vooral kleine uitgaven in het weekend zien, wat eerder een aanwijzing van recreatief gebruik is dan van bewoning gedurende het grootste deel van de week. Ook de verklaring ter zitting bij het Hof dat belanghebbende langzaam haar leven aan het opbouwen is in [woonplaats 2] , ondersteunt – mede gelet op het feit dat het om een tijdstipbelasting gaat – niet de conclusie dat zij de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. Het staat belanghebbende vrij om in verband met haar privacy geen verdere toelichting te geven over haar persoonlijke levenssfeer, maar dit neemt niet weg dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat zij de woning na de verkrijging duurzaam als hoofdverblijf is gaan gebruiken. Belanghebbende heeft daartoe geen dan wel onvoldoende concreet bewijs overgelegd.
Slotsom
5.3
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, H.A.J. Kroon en A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.