ECLI:NL:GHDHA:2026:382

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.342.780/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 41 NR 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomst en advisering door niet-vergunde tussenpersoon

Deze zaak betreft een effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en geïntimeerde, tot stand gekomen via Spaar Select, een tussenpersoon zonder vergunning voor beleggingsadvies. De kernvraag was of Spaar Select daadwerkelijk beleggingsadvies heeft gegeven en of Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn.

Het hof verwijst naar de feiten vastgesteld door de kantonrechter, die niet zijn bestreden. Geïntimeerde stelde dat Spaar Select een gepersonaliseerd advies gaf, gebaseerd op persoonlijke gesprekken over financiële situatie en doelen, waarna geïntimeerde het effectenleaseproduct van Dexia afnam. Dexia betwistte dit onvoldoende concreet en kon haar betwisting niet onderbouwen, mede omdat zij bewust koos voor deze tussenpersoon.

Het hof oordeelde dat Spaar Select vergunningplichtig beleggingsadvies heeft gegeven en dat Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn, gelet op de nauwe samenwerking en bedrijfsopzet. Dexia handelde daardoor onrechtmatig en in strijd met artikel 41 NR Pro 1999. De schadevergoeding aan geïntimeerde is volledig toegekend, het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt Dexia tot volledige schadevergoeding en proceskosten wegens onrechtmatige advisering door een niet-vergunde tussenpersoon.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer gerechtshof: 200.342.780/01
Zaaknummer rechtbank: 10045471 EL 22-97
Arrest van 24 maart 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2024.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (Spaar Select). In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerde] door deze tussenpersoon is geadviseerd. Deze tussenpersoon beschikte niet over de daarvoor vereiste vergunning. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat dat Dexia
met betrekking tot de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst van effectenlease met
nummer [contractnummer] aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen
schadevergoedingsverbintenissen en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is.
3.3.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als onder 4.15. van het bestreden vonnis weergegeven.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vorderingen.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia in haar appel, althans tot afwijzing van de vorderingen van Dexia.
Verjaring
4.4.
Het beroep van Dexia op verjaring van de vordering van [geïntimeerde] gaat niet op. Dexia voert aan vanaf 2006 nimmer stuitingsbrieven te hebben ontvangen, maar licht niet duidelijk toe waarom zij van mening is dat de stuitingsbrieven die Leaseproces in de loop der jaren heeft gestuurd, niet afdoende zouden zijn geweest.
Advisering Spaar Select
4.5.
Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde] tot stand is gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als cliëntenremisier optrad. Het stond Spaar Select niet vrij om op te treden als beleggingsadviseur, omdat zij niet over de daarvoor benodigde vergunning beschikte. Het is Dexia niet toegestaan om een effectenleaseovereenkomst met een cliënt aan te gaan, indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden
4.6.
In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862, rov. 2.7.1 t/m 2.10.21), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het antwoord op de vraag wanneer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door een daarbij optredende tussenpersoon dient te worden gevonden door vast te stellen van welke – als ‘beleggingsadvies’ te kwalificeren – activiteiten een cliëntenremisier zich diende te onthouden om vrijgesteld te blijven van de vergunningplicht (rov. 2.10.1). De reikwijdte van deze vrijstelling dient als volgt te worden bepaald (rov. 2.10.13):
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet.
4.7.
In de onderhavige zaak heeft [geïntimeerde] een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “II. 4 Advisering door de tussenpersoon” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met een bij naam genoemde medewerker van Spaar Select. Daarbij is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel en welke middelen [geïntimeerde] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerde] door de medewerker van Spaar Select geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de Spaar Select medewerker geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft op het advies van de medewerker van Spaar Select vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens is het contract aan [geïntimeerde] gestuurd en is [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomst aangegaan, aldus [geïntimeerde] .
4.8.
Dexia voert aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Het hof is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde stellingname van [geïntimeerde] Dexia meer concreet had moeten maken dat en waarom volgens haar in dit geval destijds geen sprake is geweest van advisering. Dat Dexia, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren, of in bewijsnood is, omdat zij niet betrokken is geweest bij het gesprek, komt daarbij voor haar rekening en risico, omdat Dexia destijds bewust heeft gekozen om voor de afzet van haar producten gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon. Nu het aan Dexia als een aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, had het op haar weg gelegen om op dit punt controle uit te oefenen. Dit temeer omdat de tussenpersoon een provisie ontving voor het aanbrengen van een cliënt en aldus een financieel belang had bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde] .
4.9.
De door [geïntimeerde] beschreven gang van zaken duidt erop dat een medewerker van Spaar Select een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt immers dat (i) de adviseur van Spaar Select heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] , (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de adviseur kenbaar heeft gemaakt, en (iii) de adviseur vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van (de rechtsvoorganger van) Dexia, heeft geadviseerd. De tussenpersoon heeft derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar Spaar Select als cliëntenremisier wel toe gehouden was. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2022 geformuleerde criteria.
4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd door Spaar Select. Aan (nadere) (tegen-)bewijslevering aan de zijde van Dexia wordt niet toegekomen, omdat Dexia de door [geïntimeerde] gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
Wetenschap Dexia
4.11.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Dexia bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomst wist dat sprake was van deze advisering door Spaar Select of dit behoorde te weten. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.
4.12.
[geïntimeerde] heeft stukken in de procedure gebracht, welke documentatie in eerdere rechtspraak ook werd beoordeeld, waaruit kan worden afgeleid dat Dexia in de periode dat [geïntimeerde] de overeenkomst sloot nauw samenwerkte met Spaar Select bij de verkoop van de producten van Dexia door Spaar Select. Daaruit volgt ook dat Dexia er in dat kader mee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Ook volgt uit die stukken dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [geïntimeerde] dat Dexia ook in dit geval bekend was of behoorde te zijn met de advisering van [geïntimeerde] door Spaar Select (zie: HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882).
4.13.
Gezien deze onderbouwing van [geïntimeerde] heeft Dexia onvoldoende betwist dat zij op het moment dat Spaar Select [geïntimeerde] als cliënt bij Dexia aanbracht, van deze advisering op de hoogte was of behoorde te zijn. In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, waaronder Spaar Select, was het aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR Pro 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van Spaar Select was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door Spaar Select, op grond waarvan Dexia de effectenleaseovereenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico. Voor het leveren van (tegen-)bewijs is op dit punt dan ook geen plaats.
4.14.
Dat betekent dat Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR Pro 1999 en onrechtmatig heeft gehandeld door met [geïntimeerde] een effectenleaseovereenkomst te sluiten.
Omvang schade
4.15.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Dexia de schade van [geïntimeerde] volledig moet vergoeden. Het hof verwijst voor de omvang van de schade naar rov. 4.15 van het vonnis van de kantonrechter.
Conclusie en proceskosten
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.290,00 (1 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, A.J.P. Schild en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.