Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 26 april 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank 31 januari 2024 van de rechtbank Den Haag;
- het arrest van dit hof van 15 oktober 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);
- de memorie van grieven van [appellante] ;
- de memorie van antwoord van DUO, met bijlagen 19 en 20;
3.Feitelijke achtergrond
6 januari 2005 bepaald dat [appellante] vanaf 1 januari 2005 niets hoefde te betalen. Op 21 september 2005 heeft [appellante] formulieren voor een draagkrachtmeting voor 2006 ingevuld. Op 15 december 2005 heeft DUO een brief naar [appellante] gestuurd met het verzoek om aanvullende stukken. Bij besluit van 6 januari 2006 heeft DUO de aflostermijn vanaf 1 januari 2006 aanvankelijk vastgesteld op € 281,26. Na ontvangst van aanvullende stukken heeft DUO bij besluit van 6 maart 2006 de draagkracht van [appellante] met ingang van 1 januari 2006 vastgesteld op nihil. Vanaf 1 januari 2006 hoefde zij niets te betalen. Deze berichten zijn per post naar het adres van [appellante] in [woonplaats 2] gezonden en hebben haar daar ook bereikt.
4.Procedure in eerste aanleg; vorderingen in hoger beroep
5.Beoordeling in hoger beroep
Internationale bevoegdheid
- [appellante] heeft de stelling van DUO dat zij na medio 2006 haar adreswijzigingen in Duitsland niet aan DUO heeft doorgegeven, niet voldoende gemotiveerd betwist. Weliswaar voert zij aan dat zij zulke wijzigingen wel heeft verstuurd maar zij geeft daarbij tevens aan dit niet te kunnen onderbouwen. Daarom moet in deze procedure van de juistheid van deze stelling van DUO worden uitgegaan.
- [appellante] moest op grond van artikel 9.2 lid 3 Wet Studiefinanciering 2000 haar adreswijzigingen doorgeven. Dit was voor haar ook mogelijk. Door dit niet te doen heeft zij DUO ernstig bemoeilijkt in het stuiten van de verjaring van haar vordering. Dit maakt het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hierbij verdient aantekening dat zodra DUO ermee bekend was geworden dat [appellante] was verhuisd, zij onderzoek is gestart naar het nieuwe adres. Een eerste onderzoek is verricht in 2008 en dat leverde een adres op in [woonplaats 3] , waarop DUO [appellante] herhaaldelijk heeft aangeschreven. Pas in 2015 ontving DUO voor het eerst post van dat adres retour. DUO heeft toen nieuw onderzoek gedaan in 2016, maar zonder dat dat een nieuw adres opleverde. Eerst in 2019 is DUO via Facebook Messenger met [appellante] in contact gekomen (hiervoor, 3.6). Het hof acht verder niet aannemelijk dat [appellante] sinds de verhuizingen binnen Duitsland vanaf juni 2006 niet meer aan haar studieschuld had gedacht en zich (steeds) niet had gerealiseerd dat DUO niet over haar gewijzigde adresgegevens beschikte.
- De enkele omstandigheid dat DUO in 2004 op de hoogte raakte van het e-mailadres van [appellante] en dat zij daarop steeds bereikbaar is geweest, maakt het oordeel niet anders. Na de e-mailcorrespondentie uit 2004 (hiervoor, 3.3) hebben partijen uitsluitend per post gecommuniceerd (over de studieschuld) (totdat DUO [appellante] in 2019 benaderde via Facebook Messenger). Ook daarom mocht [appellante] niet ervan uitgaan dat zij haar verdere adreswijzigingen, in afwijking van haar desbetreffende wettelijke verplichting, niet meer hoefde door te geven. DUO heeft onweersproken aangevoerd dat zij het in 2004 aan haar bekend geworden e-mailadres van [appellante] toen niet heeft geregistreerd en in haar systemen ook niet kon registreren. Dat DUO met verdergaand adresonderzoek mogelijk eerder het juiste adres van [appellante] had kunnen achterhalen maakt het oordeel evenmin anders. De door [appellante] verzaakte wettelijke verantwoordelijkheid om haar adreswijzigingen zelf door te geven is doorslaggevend voor het oordeel dat haar beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
6.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van DUO begroot op € 5.704,-;
- bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.