ECLI:NL:GHDHA:2026:662
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na hoger beroep tegen belastingaanslag
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1955 en betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €641.000 voor het jaar 2023. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank en de WOZ-beschikking.
De heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten in de buurt om de waarde te bepalen, terwijl belanghebbende een eigen taxatierapport en herziene taxatiematrix overlegde met andere referentieobjecten. Het Hof oordeelde dat de vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar voldoende vergelijkbaar waren en dat de door belanghebbende aangevoerde referentieobjecten onvoldoende overtuigend waren onderbouwd.
Hoewel het verweerschrift van de heffingsambtenaar buiten de gestelde termijn werd ingediend, werd dit als nader stuk geaccepteerd omdat het tijdig voor de zitting was ontvangen en geen strijd met de goede procesorde opleverde. De waarde van de woning werd niet te hoog vastgesteld, ook na correctie van de waarde van een vervallen serre.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €641.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.