Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:878

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
BK-25/312 tot en met BK-25/315
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BPMArt. 10 Wet BPMArt. 110 VWEUArt. 16a Wet BPMArt. 6a Uitvoeringsregeling BPM 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens onjuiste CO2-uitstoot en waardevermindering voertuigen

Belanghebbende, een autohandelaar, kreeg voor vier voertuigen naheffingsaanslagen BPM opgelegd wegens onjuiste CO2-uitstoot. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd de naheffingsaanslag deels verminderd, maar belanghebbende ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor een lagere CO2-uitstoot van twee voertuigen en dat het ontbreken van het volledige certificaat van overeenstemming (CVO) en een incompleet technisch document voor haar rekening komt. De stelling dat de voertuigen gelijksoortig zijn aan referentievoertuigen werd verworpen, mede vanwege onvoldoende bewijs van gelijke slijtage en opties.

Verder werd geoordeeld dat de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten onvoldoende aannemelijk maken dat er sprake is van waardevermindering door schade anders dan normale gebruikssporen. De naheffingsaanslag werd vastgesteld op €1.114, waarbij een eerdere vergissing van de Rechtbank werd rechtgezet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt vastgesteld op €1.114 en het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/312 tot en met BK-25/315

Uitspraak van 14 april 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 maart 2025, nummers SGR 23/7099 tot en met SGR 23/7102.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is voor vier voertuigen een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van in totaal € 1.340 (de naheffingsaanslag). Het betreft een Peugeot met kenteken [kenteken 1] (auto 1), een Peugeot met kenteken [kenteken 2] (auto 2), een Opel Corsa met kenteken [kenteken 3] (auto 3) en een Opel Corsa met kenteken [kenteken 4] (auto 4).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffing voor auto 1 en auto 2 verminderd en die voor auto 3 en auto 4 gehandhaafd. De naheffingsaanslag is verminderd tot € 1.144.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer SGR 23/7099 gegrond en verklaart de overige beroepen ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover deze betrekking heeft op de Peugeot met kenteken [kenteken 1] (auto 1);
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.310 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108; en
  • draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 412 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van auto 1.
2.2.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 372 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van auto 2.
2.3.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 619 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van auto 3. Bij de aangifte is gebruikgemaakt van een taxatierapport opgemaakt door [naam] . De taxateur heeft (afgerond) € 5.429 aan schade gecalculeerd, en daarvan € 3.909 (80%) in aftrek gebracht op de handelsinkoopwaarde. Voorts is € 1.048 in aftrek gebracht vanwege het schadeverleden van de auto. De handelsinkoopwaarde in beschadigde toestand is in het taxatierapport bepaald op € 5.085.
2.4.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 590 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van auto 4. Bij de aangifte is gebruikgemaakt van een taxatierapport opgemaakt door [naam] . De taxateur heeft (afgerond) € 5.706 aan schade gecalculeerd, en daarvan € 4.108 (80%) in aftrek gebracht op de handelsinkoopwaarde. Voorts is € 1.030 in aftrek gebracht vanwege het schadeverleden van de auto. De handelsinkoopwaarde in beschadigde toestand is in het taxatierapport bepaald op € 4.706.
2.5.
Bij brieven van respectievelijk 27 juli 2022 (auto 1 en auto 2) en 23 juni 2022 (auto 3 en auto 4) zijn aan belanghebbende kennisgevingen van een naheffingsaanslag verstuurd. In de brieven staat vermeld dat belanghebbende voor alle auto’s een onjuiste CO2-uitstoot zou hebben vermeld. Voor auto 1 is in de aangifte een uitstoot vermeld van 30 g/km, terwijl de RDW een uitstoot heeft geregistreerd van 41 g/km. Voor auto 2 is in de aangifte ook een uitstoot vermeld van 30 g/km, terwijl de RDW een uitstoot heeft geregistreerd van 39 g/km. Voor auto 3 is in de aangifte een uitstoot vermeld van 124 g/km, terwijl de RDW een uitstoot heeft geregistreerd van 137 g/km. Voor auto 4 is in de aangifte eveneens een uitstoot vermeld van 124 g/km, terwijl de RDW een uitstoot heeft geregistreerd van 137 g/km.
2.6.
Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om op de kennisgevingen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.7.
Met dagtekening 23 september 2022 is aan belanghebbende, conform de onder 2.5 bedoelde kennisgevingen, een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.340 voor de vier auto’s tezamen (voor auto 1 € 388, voor auto 2 € 286, voor auto 3 € 341 en voor auto 4 € 325).
2.8.
Bij uitspraak op bezwaar is de naheffing voor auto 1 verminderd op grond van artikel 16a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) tot € 370 en is de naheffing van auto 2 verminderd tot € 108 omdat de uitstoot van de auto door de RDW is aangepast naar 35 g/km. De naheffing voor auto 3 en auto 4 is in stand gebleven. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.144.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“9. In geschil is of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de naheffing ter zake van auto 2 niet in geschil is.
10. Eiseres stelt dat verweerder de historische nieuwprijs van auto’s 1, 3 en 4 onjuist heeft berekend. Deze klacht slaagt. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [1] dient bij de berekening van de afschrijving immers te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de auto en niet die van de referentieauto.
11. Verweerder heeft daar tegenover gesteld dat een hogere historische nieuwprijs meebrengt dat ook moet worden uitgegaan van een hogere handelsinkoopwaarde. Hij heeft deze stelling evenwel niet met concreet op de auto’s betrekking hebbende informatie onderbouwd. De enkele stelling dat een verkoper een hogere prijs zal vragen voor een auto als deze een hogere historische nieuwprijs had, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat de handelsinkoopwaardes van auto’s 1, 3 en 4 hoger zijn, dan de waar thans vanuit is gegaan. Deze stelling faalt daarom.
12. Verweerder heeft verder een beroep gedaan op interne compensatie. Volgens verweerder is de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog vastgesteld, omdat bij de berekening van de verschuldigde bpm ook voor auto 1, 3 en 4 had moeten worden uitgegaan van de forfaitaire tabel. Voor auto 1 mocht volgens verweerder niet worden uitgegaan van de koerslijst, omdat die auto niet voorkomt in een koerslijst vanwege een andere CO2-uitstoot. Voor auto’s 3 en 4 voert verweerder aan dat de taxatierapporten van eiseres niet kunnen dienen om de handelsinkoopwaardes van die auto’s vast te stellen.
13. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat voor auto 1 niet mag worden uitgegaan van de koerslijst, omdat een zelfde auto met deze CO2-uitstoot niet op enige koerslijst voorkomt. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 11 oktober 2023[2].
14. De stelling van verweerder berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van het Hof. Het Hof heeft in die uitspraak geoordeeld:
“4.12. (…) Vaststaat dat de auto een Co2-uitstoot heeft van 136 g/km en dat de door de inspecteur gehanteerde koerslijst uitgaat van een auto met een uitstoot van 132 g/km. Gesteld noch gebleken is dat er een koerslijst voor deze auto met een uitstoot van 136 g/km voorhanden is.
4.13.
Nu is vast komen te staan dat de auto niet voorkomt in een koerslijst, kan de taxatiemethode worden toegepast. Belanghebbende beroept zich dan op de door de taxateur van DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 31.667, welke waarde is vastgesteld op grond van marktonderzoek.
4.14.
Het hof is van oordeel dat deze waarde van € 31.667 niet kan worden gevolgd. De taxateur van DRZ heeft deze waarde niet bepaald aan de hand van de handelsinkoopwaarden van referentievoertuigen maar aan de hand van de gemiddelde vraagprijzen van drie referentievoertuigen waarop diverse correcties zijn aangebracht. Het hof acht het hanteren van (gecorrigeerde) vraagprijzen van referentievoertuigen niet, dan wel onvoldoende, geschikt om tot een juiste vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto te komen.
4.15.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat ter bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto, gelet op het zeer geringe verschil in Co2uitstoot, in het onderhavige geval het beste kan worden aangesloten bij de door de inspecteur gehanteerde koerslijst van AutotelexPro (…).”
Dat de auto met deze CO2-uitstoot niet voorkomt in de koerslijsten, brengt nog niet mee dat de koerslijstmethode niet kan worden toegepast. Als in de koerslijsten een goede referentieauto is te vinden met een iets andere CO2-uitstoot, dan mag voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde worden uitgegaan van die referentieauto in de koerslijst. Hof Den Bosch gaat daar ook vanuit. Het beroep op interne compensatie voor auto 1 faalt derhalve.
De naheffing voor auto 1 dient dan te worden verminderd met € 30 tot € 358 in verband met de hogere historische nieuwprijs en daardoor de hogere afschrijving. Dat brengt mee dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met € 30 tot € 1.310.
15. Wat betreft de taxatierapporten voor auto’s 3 en 4 overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de foto’s bij de taxatierapporten blijkt niet dat de in de kostenoverzichten vermelde reparaties daadwerkelijk het gevolg zijn van schade en niet betrekking hebben op normale gebruikssporen. De foto’s zijn dermate onduidelijk dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van schade aan de auto’s. Verder worden in het kostenoverzicht ook expertisekosten en kosten voor het programmeren van Nederlandse software vermeld. Dat zijn kosten die sowieso niets met schade te maken hebben. In de taxatierapporten wordt vermeld dat de opnametijd per auto 15 minuten is. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de taxateur in slechts 15 minuten tijd de wielophanging, de velgen en banden, de stuurinrichting, de remmen, de motor, de versnellingsbak en aandrijving, de elektrische installatie, de gehele carrosserie en het interieur van de auto’s kan beoordelen. Verder wordt in de taxatierapporten, naast een waardevermindering wegens schade, ook een waardevermindering van 10% in aanmerking genomen wegens het schadeverleden van de auto’s maar deze wordt op geen enkele wijze toegelicht. Uit dit alles volgt dat eiseres met de taxatierapporten de door haar gestelde waardeverminderingen wegens schade en een schadeverleden van auto’s 3 en 4 niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat de naheffingen voor auto’s 3 en 4 dan eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. Het beroep van verweerder op interne compensatie voor deze auto’s slaagt daarom. Dat bij de naheffingsaanslag geen correctie is aangebracht op de door eiseres voor auto’s 3 en 4 in aanmerking genomen schadebedragen en waardeverminderingen wegens een vermeend schadeverleden, staat daar niet aan in de weg. Het is verweerder toegestaan de grondslag van de naheffingsaanslag in beroep aan te vullen dan wel te wijzigen, zolang dit niet resulteert in een hogere naheffingsaanslag. Dit is, anders dan eiseres stelt, niet in strijd met het vertrouwensbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel.
16. Gelet op wat onder 14 is overwogen, is het beroep met zaaknummer SGR 23/7099 (auto 1) gegrond verklaard en zijn de overige beroepen (auto’s 3 en 4) ongegrond verklaard. Het beroep ziet niet op auto 2, zodat deze buiten beschouwing blijft.
17. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 5 oktober 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, vijf maanden.
18. De rechtbank merkt op dat het overgangsrecht van het arrest van 14 juni 2024 [3] hier niet van toepassing is, omdat de redelijke termijn op de datum van het arrest nog niet was overschreden. De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag of de termijnoverschrijding moet leiden tot een schadevergoeding. Eiseres heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de naheffing voor auto 2 niet in geschil is. Daarmee heeft zij haar primaire standpunt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd tegen beter weten ingenomen. Het financiële effect van dat standpunt dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten. [4] Het financiële belang van het subsidiaire standpunt bedraagt minder dan € 1.000. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en op een te hoog bedrag is vastgesteld, en meer specifiek:
  • of de CO2-uitstoot voor auto 3 en auto 4 juist is vastgesteld;
  • of auto 3 en auto 4 schade hebben.
4.1.2.
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de naheffing voor auto 1 en auto 2 juist is. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar stellingname omtrent het niet toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase ingetrokken.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag (voor auto 3 primair tot € 26 en subsidiair tot € 281, en voor auto 4 primair tot € 25 en subsidiair tot € 266). Tot slot concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

CO2-uitstoot
5.1.1.
Volgens belanghebbende dient de CO2-uitstoot voor auto 3 en auto 4 te worden vastgesteld op 125 g/km. Belanghebbende verwijst naar 201 referentievoertuigen van hetzelfde merk, dezelfde handelsbenaming, hetzelfde type, dezelfde uitvoering en dezelfde variant. De referentievoertuigen hebben volgens belanghebbende dezelfde technische parameters, zoals gewicht, motorvermogen, aantal cilinders, et cetera. Uitgaande van het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader in het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, is volgens belanghebbende het overgelegde bewijs voldoende.
5.1.2.
De Inspecteur stelt daartegenover dat andere kenmerken en eigenschappen van de auto (mede) invloed kunnen hebben gehad op het verschil in CO2-uitstoot. De Inspecteur verwijst naar het Malta-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:158). Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijksoortige auto’s.
5.1.3.
De Hoge Raad heeft in het onder 5.1.1 genoemde arrest bij wijze van beantwoording van de derde prejudiciële vraag het volgende antwoord gegeven:
“Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”
5.1.4.
Het Hof stelt vast dat de onder 5.1.3 weergegeven antwoorden niet van belang zijn voor de onderhavige zaken. Het betreft hier geen voertuigen die tussen 1 september 2018 en 1 september 2019 voor het eerst zijn toegelaten. Het Hof zal hierna de overige standpunten van belanghebbende over de CO2-uitstoot bespreken.
5.1.5.
Vooropgesteld moet worden dat de CO2-uitstoot van een auto moet blijken uit de gegevens zoals die zijn opgesomd in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm 1992. De CO2-uitstoot geldt als maatstaf van heffing, ongeacht of het gaat om binnenlandse auto’s of om auto’s die vanuit het buitenland worden ingevoerd. De bewijslast dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld rust op belanghebbende.
5.1.6.
Belanghebbende voert op dit punt het volgende aan. Eén van de gegevensdragers bedoeld in de onder 5.1.5 genoemde bepaling is het certificaat van overeenstemming (CVO), dat de fabrikant op verzoek en tegen betaling afgeeft aan de huidige eigenaar van een voertuig. Belanghebbende heeft voor beide auto’s dit CVO niet en kan dit, naar zij stelt, evenmin aanvragen aangezien zij niet langer de eigenaar van de auto’s is. Op het Spaanse kentekenbewijs staat de CO2-uitstoot niet, zodat de RDW bij de registratie de hoogste CO2-uitstoot heeft gekozen van de voertuigen met dezelfde typegoedkeuring (door belanghebbende aangeduid als een “familie van auto’s”). Belanghebbende verkeert dus in bewijsnood. Belanghebbende heeft in dit geval een procedure aangespannen omtrent de juistheid van de registratie van de CO2-uitstoot in het kentekenregister, welke procedure nu aanhangig is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat belanghebbende, die als ervaren autohandelaar weet dat de CO2-uitstoot niet op een Spaans kentekenbewijs staat, een CVO had moeten aanvragen toen zij nog de eigenaar van de auto’s was of (zelfs) bij aankoop van de auto’s had kunnen bedingen dat het CVO van de auto’s daarbij werd geleverd. Tot de gedingstukken behoort weliswaar een deel van een technisch document (“ficha técnica de un vehículo”) dat bij de auto’s hoort, maar het deel dat de CO2-uitstoot (V.7) vermeldt, ontbreekt. Belanghebbende moet dat deel ook hebben en overleggen, aldus de Inspecteur.
5.1.7.
Het Hof is het eens met de Inspecteur dat belanghebbende, een ervaren autohandelaar, bij de invoer van deze Spaanse auto’s een CVO had moeten opvragen bij de fabrikant toen zij daartoe nog de mogelijkheid had. Zeker nu belanghebbende in de aangiften is uitgegaan van een CO2-uitstoot die niet op enig objectief gegeven van de auto’s zelf was gebaseerd. Het technische document is niet compleet. Tot de gedingstukken lijkt slechts een fragment te behoren, dat uitsluitend was ingebracht om het verleden als huurauto aannemelijk te maken. Belanghebbende had het complete document, waarop ook de CO2-uitstoot staat, moeten overleggen. De RDW had deze uitstoot bij de registratie dan ook kunnen overnemen. Het Hof vraagt zich af waarom belanghebbende tot en met het sluiten van de zitting bij het Hof niet het gehele document, maar slechts een fragment daarvan heeft ingebracht.
5.1.8.
Tot slot beroept belanghebbende zich op artikel 110 VWEU Pro. De toets is of de auto’s gelijksoortig zijn aan de 201 referentievoertuigen waar belanghebbende naar verwijst (zie 5.1.1). Het moet dan gaan om voertuigen van hetzelfde type, met dezelfde kenmerken en dezelfde slijtage (zie het onder 5.1.2 genoemde Malta-arrest). Dat de voertuigen dezelfde slijtage hebben, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Uitsluitend de leeftijd van een voertuig is niet voldoende om dit te kunnen bepalen. Uit de door belanghebbende overgelegde overzichten volgt evenmin dat de kenmerken dezelfde zijn. Zo is onduidelijk of de voertuigen dezelfde opties en dezelfde pakketten hebben als auto 3 en auto 4. Opties en accessoires maken bij de keuze voor de aankoop van een auto voor de gemiddelde consument wel degelijk verschil.
5.1.9.
Het Hof ziet geen aanleiding om, zoals belanghebbende heeft betoogd, de zaken aan te houden in afwachting van de beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbende heeft voldoende mogelijkheden gehad – en onbenut gelaten – om een gegeven in te brengen waarop de CO2-uitstoot van de auto’s staat vermeld. De naheffing gebaseerd op een CO2-uitstoot van 137 g/km voor auto’s 3 en 4 moet dan ook voor juist worden gehouden.
Waardevermindering wegens schade
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat auto’s 3 en 4 geen schade (anders dan normale gebruikersschade) hadden. Volgens belanghebbende blijkt uit de taxatierapporten en de daarbij gevoegde schadecalculaties dat voor beide auto’s sprake is van een waardevermindering wegens schade. Belanghebbende verwijst in dit kader naar de vergrote foto’s, waarop diverse krassen aan de carrosserie te zien zijn.
5.2.2.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering vanwege het schadeverleden van de auto. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).
5.2.3.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat auto’s 3 en 4 ten tijde van het doen van de aangifte bpm schade (anders dan normale gebruiksschade) hadden. Het Hof onderschrijft wat de Rechtbank in overweging 15 heeft overwogen. De enkele verwijzing naar de taxatierapporten, de bijgevoegde schadecalculaties en de daarbij behorende foto’s is voor het in aanmerking nemen van schade onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de op haar rustende bewijslast. De sporen die op de vergrote foto’s te zien zijn, zijn te kwalificeren als normale gebruikssporen voor de onderhavige auto’s. Voor de correcties wegens het schadeverleden en sommige van de opgevoerde kosten, zoals expertisekosten, onderhoudskosten en softwareprogrammering ziet het Hof geen enkele rechtvaardiging. Deze posten zijn niet als schade aan te merken dan wel, evenals de gestelde ex-schade, niet onderbouwd. Ook op de inkoopfacturen is geen melding gemaakt van schade. Het Hof merkt in dit verband op dat belanghebbende de auto’s voor ruim twee maal de in de taxatierapporten vermelde handelsinkoopwaarden heeft gekocht (ex btw en bpm). Hoewel de bpm geen factuurbelasting is, is dit wel een aanwijzing dat de aangegeven handelsinkoopwaarden niet juist kunnen zijn.
Conclusie naheffingsaanslag
5.3.
Het Hof heeft vastgesteld dat de Rechtbank bij de vermindering van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een onjuist vertrekpunt, namelijk van het oorspronkelijke bedrag van de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag in de bezwaarfase echter verminderd tot € 1.144 (zie 2.8). Na vermindering met € 30 voor auto 1 had de Rechtbank de naheffingsaanslag moeten vaststellen op € 1.114. Dit is tussen partijen, zo bleek tijdens de zitting van het Hof, niet in geschil. Het Hof zal dit rechtzetten. Nu de Inspecteur de in de aangiften vermelde schade ten onrechte heeft geaccepteerd en in zoverre een beroep toekomt op interne compensatie, komt het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslag op € 1.114 dient te worden vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat, zoals de Rechtbank al had vastgesteld, de door belanghebbende voorgestane historische nieuwprijzen aan deze conclusie niet afdoen.
Slotsom
5.4.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht. Het Hof heeft immers geconstateerd dat de Rechtbank bij de vermindering van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een onjuist vertrekpunt. Deze eenvoudige vergissing is dus niet de reden geweest voor het instellen van het hoger beroep. In het geval belanghebbende dit zelf had ontdekt, had zij de Rechtbank kunnen verzoeken om de kennelijke fout te herstellen (HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127).

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat de vermindering van het bedrag van de naheffingsaanslag betreft;
  • stelt de naheffingsaanslag vast op € 1.114.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen A. van Dongen
De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.