Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 23 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024;
- de memorie van grieven van [appellant], met bijlage;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
nietlag op het verhaal van de vordering op de watervilla’s, maar op verhaal op de ingelegde gelden. Ook heeft [appellant] onvoldoende betwist dat hij op de hoogte was van de bankbeslagen. [appellant] had [geïntimeerde] erop moeten wijzen dat dit niet de bedoeling was. Daarvan is niets gebleken. [appellant] heeft verder onvoldoende betwist dat er tussen 24 november 2021 en 20 december 2021 veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat het leggen van bankbeslagen in overleg met [appellant] is gedaan. Het is bovendien niet komen vast te staan dat de watervilla’s tot 17 december 2021 daadwerkelijk in Havelte waren en dat [geïntimeerde] dat wist.
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Het beroep van [geïntimeerde] op het in de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding wordt verworpen
de factoeen wettelijke verjaringstermijn vervangen, vallen onder art. 6:237 onder Pro h BW (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, JOR 2020, 192 mt.nt. Spanjaard, en de in die noot genoemde vindplaatsen). Voorts volgt uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1698) van art. 6:237 BW Pro dat bedingen die betrekking hebben op gevallen waarin de wet het verval van rechten aan een door een partij binnen een “binnen bekwame tijd” te verrichten handeling verbindt, zoals artikel 6:89 BW Pro, óók worden bestreken door art. 6:236 onder Pro h BW.
7.Conclusie
8.Beslissing
- laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17/18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres];
- bepaalt dat, als [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. Schreuder, op 19 juni 2026 om 09:00 uur;
- bepaalt dat, als één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden juni tot en met oktober van 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.