Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:942

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.342.473/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:230l BWArt. 6:230m BWArt. 6:231 BWArt. 6:233 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepsfout advocaat door niet tijdig executoriaal beslag leggen op woonboten

De zaak betreft een geschil tussen een consument en zijn advocaat over de vraag of de advocaat toerekenbaar tekort is geschoten door niet tijdig conservatoir en executoriaal beslag te leggen op woonboten die eigendom waren van de wederpartij van de consument. De consument had via een obligatielening geïnvesteerd in de bouw van watervilla’s, maar kreeg de rente niet betaald. De advocaat voerde de procedure om het geld te verhalen, maar legde geen executoriaal beslag op de woonboten na het vonnis.

De rechtbank wees de vorderingen van de consument af en veroordeelde hem tot betaling van een deel van de facturen van de advocaat. In hoger beroep oordeelt het hof dat het vervalbeding in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en dat de advocaat geen beroep daarop kan doen. Het hof stelt dat de advocaat wel een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig executoriaal beslag te leggen op de woonboten, terwijl dit wel mogelijk en noodzakelijk was.

Het hof laat de consument toe tot bewijslevering dat de woonboten tussen 24 november 2021 en 17/18 december 2021 nog in of bij een loods lagen op een bekend adres. Indien dit wordt bewezen, zal de omvang van de schade worden vastgesteld. Daarnaast oordeelt het hof dat het prijsbeding in de overeenkomst voldoende transparant en niet oneerlijk is, en dat de informatieplicht is nageleefd. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na bewijslevering.

Uitkomst: Hof oordeelt dat advocaat beroepsfout maakte door niet tijdig executoriaal beslag te leggen; consument krijgt bewijsopdracht over ligging woonboten en omvang schade; vervaltermijn onredelijk bezwarend.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.342.473/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/652830/HA ZA 23-751
Arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. I.N.A. Denninger, kantoorhoudend in Haarlem,
tegen
[geïntimeerde],
kantoorhoudend in [kantoorplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. L.C. Dufour, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde] is advocaat. Hij heeft [appellant] bijgestaan in een procedure, waarin aan [appellant] een bedrag is toegewezen. Deze zaak gaat over de vraag of [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten door niet tijdig conservatoir en/of executoriaal beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de wederpartij van [appellant]. Daarnaast is aan de orde of [appellant] facturen van [geïntimeerde] moet betalen. Volgens [appellant] is de prijsafspraak in de vorm van alleen een uurtarief niet transparant, is daarmee sprake van een oneerlijk beding en dient dit ertoe te leiden dat de betalingsverplichting van [appellant] geheel vervalt.
1.2
Het hof komt tot het oordeel dat een kans om tijdig executoriaal beslag te laten leggen op een aantal in aanbouw zijnde woonboten door [geïntimeerde] ten onrechte niet is benut. Het staat echter nog niet vast dat deze woonboten in de relevante periode nog in of bij de werkplaats lagen. [appellant] krijgt de gelegenheid dit te bewijzen.
1.3
Wat betreft de prijsafspraak komt het hof tot het oordeel dat deze voldoende transparant was. Ook is ten aanzien van de kosten voldaan aan de informatieplicht, omdat duidelijk is hoe de prijs moet worden berekend.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 23 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024;
  • de memorie van grieven van [appellant], met bijlage;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.
2.2
Op 27 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellant] is consument. Hij heeft in 2019 via een obligatielening in totaal € l50.000 uitgeleend aan Houseboats Invest B.V. (hierna Houseboats) ten behoeve van de bouw van zogenoemde watervilla’s, een soort woonboten bestemd voor de verhuur (in de stukken ook wel aangeduid als houseboats). Houseboats vormde samen met andere partijen waaronder Youmanitas Projects C.V. (hierna: Youmanitas) een samenstel van entiteiten dat was gericht op het drijven van de onderneming die watervilla’s bouwt en verkoopt. Het hof zal deze groep ook aanduiden als de Houseboats groep. Youmanitas was de eigenaar van de (in aanbouw zijnde) watervilla’s. Stichting Youmanitas Energy Farms was de beherend vennoot van Youmanitas. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was de uiteindelijk belanghebbende bij de bij het project betrokken juridische entiteiten.
3.2
De overeengekomen rentebedragen werden niet of niet op tijd aan [appellant] betaald. In april 2021 verleende [appellant] aan [geïntimeerde] de opdracht om als zijn advocaat de door [appellant] uitgeleende bedragen met rente en kosten op Houseboats te verhalen. In de door [geïntimeerde] opgestelde en door [appellant] ondertekende opdrachtbevestiging staat onder meer:
“U heeft mij, [geïntimeerde], advocaat te Den Haag, (...), op 7-4-2021 de opdracht verstrekt om aan u juridische bijstand te verlenen ter zake: (...)(...)Algemene voorwaarden1. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] toepasselijk. De toepasselijke algemene voorwaarden zijn als bijlage aan deze opdrachtbevestiging gehecht.”
3.3
In de aangehechte algemene voorwaarden staat onder meer:
“1. [geïntimeerde] jr is een eenmanszaak van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] jr neemt met zijn eenmanszaak deel aan de samenwerking met Deen Advocaten(...)15. Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden.(...)17. Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”
3.4
In mei 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een verzoekschrift voor het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Het verzoek strekte tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Houseboats, Smit Holding B.V. en Youmanitas op drie bankrekeningen bij drie verschillende banken. De rechtbank Amsterdam liet op 20 mei 2021 weten dat de voorzieningenrechter niet bereid was verlof te verlenen, omdat de obligatieovereenkomst nog niet was ontbonden en omdat de onderbouwing van de groepsaansprakelijkheid onvoldoende was om ook Smit Holding B.V. en Youmanitas aansprakelijk te kunnen achten. De rechtbank Amsterdam deelde mee dat er een aangepast verzoekschrift kon worden ingediend. [geïntimeerde] heeft geen aangepast verzoekschrift ingediend.
3.5
[geïntimeerde] heeft op 21 mei 2021 namens [appellant] een ontbindingsbrief naar Houseboats gestuurd. Op 7 juni 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een (herhaalde) sommatie tot betaling aan Houseboats gestuurd en op diezelfde dag ook een dagvaarding betekend aan Houseboats, Youmanitas, Smit Holding B.V., Stichting Youmanitas Energy Farms en [betrokkene 1]. Namens alle gedaagden stelde zich een advocaat, die zich daarna weer heeft onttrokken. Op 24 november 2021 sprak de rechtbank een vonnis op tegenspraak uit waarin alle gedaagden hoofdelijk zijn veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van het geleende bedrag, inclusief rente en (proces)kosten. Vanwege het ontbreken van verweer is het vonnis gemotiveerd als ware het een verstekvonnis.
3.6
Dit vonnis heeft [geïntimeerde] op 25 november 2021 doorgestuurd naar [appellant]. Naar aanleiding van het vonnis is er telefonisch contact geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant]. Op 26 november 2021 heeft [geïntimeerde] de deurwaarder gemaild met het verzoek het vonnis ten uitvoer te leggen. De deurwaarder stuurde als reactie een verhaalsformulier. [geïntimeerde] heeft dit formulier ingevuld en onder vermelding van de veroordeelde partijen en samen met KvK-uittreksels van de Houseboats groep teruggestuurd. In het verhaalsformulier staat onder meer:
“VERHAALSINFORMATIE SCHULDENAAR/SCHULDENAREN(...)Overige verhaalsmogelijkheden: Er zouden een aantal watervilla’s door Houseboats Invest in aanbouw zijn. Het adres waar deze zich bevinden is nog niet bekend maar daar wordt aan gewerkt.”
3.7
Een kopie van het formulier heeft [geïntimeerde] op 20 december 2021 naar [appellant] gestuurd. De deurwaarder heeft in opdracht van [geïntimeerde] het vonnis op 29 november 2021 betekend aan het huisadres van [betrokkene 1]. Tussen 1 december 2021 en 17 januari 2022 heeft de deurwaarder onder diverse banken en de belastingdienst beslag gelegd. De beslagen troffen geen doel.
3.8
Rond 16 februari 2022 is gebleken dat de watervilla’s lagen bij een zekere [betrokkene 2]. Op 16 februari 2022 heeft de deurwaarder onder [betrokkene 2] op de watervilla’s executoriaal beslag gelegd ten laste van alle in het vonnis veroordeelde partijen. Op 1 maart 2022 werd Youmanitas failliet verklaard. Daarmee vervielen alle ten laste Youmanitas gelegde beslagen. De deurwaarder heeft op 7 maart 2022 opnieuw beslag gelegd bij één van de banken ten laste van de overige in het vonnis van 24 november 2021 hoofdelijk veroordeelde partijen. Ook dit beslag trof geen doel. Op 9 maart 2022 berichtte de deurwaarder aan [geïntimeerde] dat verdere executie zinloos leek. In het bericht stond:
“Ik adviseer u het faillisement aan te vragen diverse ebslagen geen effect. Ik ben diverse weekenden op zoek naar de boten geweest. De boten zouden in pandrecht toebehoren aan de aan [betrokkene 1] gelieerde failliete B.V.”
3.9
Uit het faillissementsverslag van de curator van Youmanitas van 17 januari 2023 volgt dat de curator de watervilla’s heeft verkocht aan een derde voor een bedrag van € 50.000.
3.1
[geïntimeerde] heeft [appellant] op 9 januari 2023 verzocht om de deurwaarderskosten van € 4.320,48 te betalen. Op 16 februari 2023 stuurde hij een betalingsherinnering. Diezelfde dag heeft Oomen, de inmiddels nieuwe advocaat van [appellant], aan [geïntimeerde] vragen gesteld over het dossier van [appellant]. [geïntimeerde] heeft deze vragen beantwoord. Op 14 april 2023 heeft Oomen namens [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor door [appellant] gestelde beroepsfouten. [geïntimeerde] heeft op 26 april 2023 op deze aansprakelijkstelling gereageerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op 14 augustus 2023 is de dagvaarding betekend. Daarna heeft [geïntimeerde] op 9 oktober 2023 een factuur van € 3.847,80 voor zijn werkzaamheden van april 2021 tot en met april 2023 naar [appellant] gestuurd.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd (na vermindering van eis) dat de rechtbank (i) [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellant] te betalen al hetgeen [appellant] in geld te vorderen heeft uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 (tussen [appellant] en de Houseboats groep) en (ii) voor recht verklaart dat [geïntimeerde] niets meer te vorderen heeft van [appellant] in verband met de gelegde bankbeslagen en het beslag onder de belastingdienst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
4.2
[appellant] legde samengevat aan zijn vordering ten grondslag dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Bij adequaat handelen van [geïntimeerde] zou op de drie watervilla’s (1) conservatoir beslag zijn gelegd of in elk geval (2) executoriaal beslag gelegd zijn vóór 17 december 2021, de datum waarop de eerste watervilla werd getransporteerd vanuit Havelte. Ook zou hij (3) [appellant] dan de kans hebben gegeven om de onzekerheid die [geïntimeerde] stelde te hebben over de situering van de watervilla’s weg te nemen, zodat hij per direct de deurwaarder alsnog correct had kunnen instrueren. In alle drie de gevallen zou tijdig beslag zijn gelegd op de watervilla’s en zouden deze zonder verdere discussies executoriaal verkocht zijn ruim vóór het faillissement van Youmanitas in maart 2022. Nu dit niet is gebeurd, heeft [appellant] schade geleden: in totaal zou de opbrengst van de watervilla’s na tijdige beslaglegging en veiling zonder meer genoeg zijn geweest om de volledige vordering uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 te verhalen, aldus [appellant]. Hoe dan ook is sprake van een gemiste kans om verhaal op de watervilla’s te nemen, zodat [appellant] in ieder geval recht heeft op een kansschadevergoeding.
4.3
[geïntimeerde] voerde gemotiveerd verweer en vorderde in reconventie betaling van de door hem voor [appellant] betaalde deurwaarderskosten ten bedrage van € 4.320,48, en een bedrag van € 8.168,28 aan openstaande declaraties. [geïntimeerde] legde aan die vordering ten grondslag dat dit kosten zijn voor verrichtingen waarvoor [appellant] opdracht heeft gegeven.
4.4
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 7.130,62 met de wettelijke rente over dat bedrag berekend met ingang van drie dagen na betekening van het vonnis, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
4.5
De rechtbank kwam kort samengevat op de volgende gronden tot dit oordeel.
4.5.1
[geïntimeerde] is niet tekortgeschoten door geen conservatoir beslag te leggen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij met [appellant] de keuze besproken om af te zien van het conservatoir beslag en de daarmee samenhangende strategische overwegingen, waarna is besloten het conservatoire beslag niet door te zetten. Deze gang van zaken is door [appellant] onvoldoende weersproken.
4.5.2
Het verwijt dat [geïntimeerde] niet voor 17 december 2021 executoriaal beslag heeft laten leggen op de watervilla’s wordt door de rechtbank verworpen. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat de focus
nietlag op het verhaal van de vordering op de watervilla’s, maar op verhaal op de ingelegde gelden. Ook heeft [appellant] onvoldoende betwist dat hij op de hoogte was van de bankbeslagen. [appellant] had [geïntimeerde] erop moeten wijzen dat dit niet de bedoeling was. Daarvan is niets gebleken. [appellant] heeft verder onvoldoende betwist dat er tussen 24 november 2021 en 20 december 2021 veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat het leggen van bankbeslagen in overleg met [appellant] is gedaan. Het is bovendien niet komen vast te staan dat de watervilla’s tot 17 december 2021 daadwerkelijk in Havelte waren en dat [geïntimeerde] dat wist.
4.5.3
De deurwaarderskosten en de facturen van [geïntimeerde] voor zover betrekking hebbend op handelingen verricht voor de sluiting van het dossier op 17 februari 2023 komen voor vergoeding in aanmerking, in totaal een bedrag van € 7.130,62.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert in hoger beroep dat het hof zijn vordering alsnog toewijst en de vordering in reconventie van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep.
5.2
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

6.Beoordeling in hoger beroep

Het beroep van [geïntimeerde] op het in de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding wordt verworpen

6.1
[geïntimeerde] deed in eerste aanleg een beroep op de in artikel 15 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden opgenomen vervaltermijn van één jaar. Artikel 15 luidt Pro als volgt:
“Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden”
6.2
In artikel 17 van Pro de algemene voorwaarden staat:
“Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van een opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”
6.3
De rechtbank oordeelde op dit punt, dat [geïntimeerde] zich op deze voorwaarden kan beroepen, ook al vermelden deze voorwaarden Deen advocaten. Uit artikel 1 van Pro de algemene voorwaarden blijkt namelijk dat [geïntimeerde] deelneemt aan de samenwerking met Deen advocaten en artikel 17 van Pro die voorwaarden brengt mee dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op de vervaltermijn van artikel 15. De rechtbank heeft vervolgens echter in het midden gelaten of het vervalbeding onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar is, omdat zij oordeelde dat de vorderingen van [appellant] op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn.
6.4
Omdat een van de grieven van [appellant] slaagt (zie hierna), brengt de devolutieve werking van het appel mee dat door de geïntimeerde in eerste aanleg gevoerde verweren die toen zijn verworpen of niet behandeld, alsnog aan de orde moeten komen. Het beroep op het vervalbeding is het verweer van de verste strekking: als dat slaagt, zijn de vorderingen van [appellant] vervallen. Het hof zal dit verweer daarom als eerste behandelen. Daarbij moet het hof ook de stellingen betrekken die [appellant] in eerste aanleg op dit punt heeft ingenomen. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [appellant] grieven had moeten aanvoeren tegen het oordeel dat de voorwaarden van toepassing zijn en ook in hoger beroep opnieuw aan de orde had moeten stellen dat de desbetreffende voorwaarden vernietigbaar zijn. Dat is niet juist. Het vonnis van de eerste aanleg heeft gezag van gewijsde voor zover het gaat om overwegingen waartegen niet is gegriefd, maar uitsluitend voor zover het dictum op die overwegingen steunt. Omdat het dictum in dit geval nu juist niet steunt op de overwegingen van de rechtbank over de algemene voorwaarden, behoefde [appellant] tegen deze overwegingen geen grieven te richten (vgl. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779).
6.5
Het hof verenigt zich wat betreft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] met de overwegingen van de rechtbank (rov. 4.3) en maakt deze tot de zijne. [appellant] heeft in hoger beroep niet nader toegelicht dat en waarom de voorwaarden niet van toepassing zouden zijn op de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde].
6.6
[appellant] heeft wel aangevoerd dat het vervalbeding onredelijk bezwarend dan wel oneerlijk is. [appellant] is consument en beroept zich op de vernietigbaarheid van het beding, primair met een beroep op art. 6:236 onder Pro g BW (zwarte lijst), subsidiair op art. 6:237 onder Pro h BW (grijze lijst) en meer subsidiair op de algemene norm ex art. 6:233 onder Pro a BW. Het al na een jaar laten vervallen van een claim verstoort volgens [appellant] ernstig het contractuele evenwicht, zeker gelet op het feit dat mr. [geïntimeerde] verzekerd is (en ook moet zijn) voor dergelijke claims. Namens [geïntimeerde] is hiertegen in gebracht dat het voor beroepsbeoefenaren van belang is om na afronding van hun werkzaamheden in een bepaalde kwestie niet nog lange tijd later met claims te worden geconfronteerd. Als redenen daarvoor noemt hij: dossiers en mailboxen worden geschoond en (extern) gearchiveerd, de herinneringen aan een zaak worden minder scherp, advocaten stappen over naar een andere verzekeraar met mogelijke in- en uitloopdiscussies tot gevolg en collega's met wie is samengewerkt aan een zaak stappen over en raken zo uit beeld.
6.7
Het hof oordeelt als volgt. Bedingen in algemene voorwaarden die een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht moet geldend maken, verkorten tot een verjarings- onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar, staan op de zogenoemde zwarte lijst onder artikel 6:236 sub g BW Pro. In dit geval gaat het echter om een vervaltermijn van een jaar, dus dit artikel is niet van toepassing. Uit jurisprudentie volgt dat bedingen die een wettelijke vervaltermijn verkorten tot een vervaltermijn van één jaar of meer, niet vallen onder artikel 6:236 sub g noch Pro onder artikel 6:237 sub h BW Pro, en wat hun inhoud betreft alleen getoetst kunnen worden aan de open norm van art. 6:233 sub a BW Pro. Alle andere contractuele vervalbedingen, waaronder vervalbedingen die
de factoeen wettelijke verjaringstermijn vervangen, vallen onder art. 6:237 onder Pro h BW (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, JOR 2020, 192 mt.nt. Spanjaard, en de in die noot genoemde vindplaatsen). Voorts volgt uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1698) van art. 6:237 BW Pro dat bedingen die betrekking hebben op gevallen waarin de wet het verval van rechten aan een door een partij binnen een “binnen bekwame tijd” te verrichten handeling verbindt, zoals artikel 6:89 BW Pro, óók worden bestreken door art. 6:236 onder Pro h BW.
6.8
Naar het oordeel van het hof vervangt het contractuele vervalbeding uit artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden de klachttermijn van artikel 6:89 BW Pro. Ingevolge de parlementaire geschiedenis valt het beding daarmee onder art. 6:236 onder Pro h BW. Het hof merkt op dat ook wanneer het vervalbeding niet geacht moet worden de klachttermijn van artikel 6:89 BW Pro te vervangen omdat in het vervalbeding niet wordt gesproken van een klachtplicht, het beding wordt bestreken door artikel 6:237 onder Pro h BW. In dat geval vervangt het contractuele vervalbeding immers (feitelijk) de wettelijke verjaringstermijn.
6.9
Naar het oordeel van het hof valt het beding gezien het voorgaande hoe dan ook onder artikel 6:237 sub h BW Pro en wordt het dus vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] omstandigheden naar voren moet brengen die maken dat het vervalbeding (toch) niet onredelijk bezwarend is. [geïntimeerde] heeft hierover aangevoerd dat hij er belang bij heeft om niet met late claims te worden geconfronteerd omdat informatie over de zaak na verloop van een jaar verloren kan zijn gegaan. Het hof vindt dit argument onvoldoende om het beding niet onredelijk bezwarend te achten.
6.1
Van een advocaat mag immers worden verwacht dat hij op een zorgvuldige wijze dossier houdt en vastlegt welke afspraken met een cliënt zijn gemaakt en welke procesbeslissingen op welke gronden zijn genomen. Belangrijke afspraken dienen bij voorkeur schriftelijk aan de cliënt te worden bevestigd, en in ieder geval te worden neergelegd in een telefoonnotitie. Dat een dossier binnen een jaar al zou kunnen zijn geschoond, zoals [geïntimeerde] suggereert, sluit niet aan bij de op een advocaat rustende bewaarplicht van dossiers gedurende vijf jaar (vergelijk artikel 7:412 BW Pro). Tegenover het belang van [geïntimeerde] om niet met late claims te worden geconfronteerd staat bovendien het belang van een cliënt als [appellant], die heeft vertrouwd op de juridische juistheid van de door zijn advocaat verstrekte adviezen. De onbekendheid van [appellant] met de materie was immers de reden dat hij een advocaat in de arm nam. Daarmee verhoudt zich niet een vervaltermijn van slechts een jaar in het geval van een beroepsfout. Van een consument als [appellant] (voormalig vrachtwagenchauffeur) kan ook niet worden verwacht dat hij bedacht is op de consequenties van een vervalbeding als het onderhavige.
6.11
Ten overvloede overweegt het hof dat het verval van recht in artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden niet is gekoppeld aan enig nalaten van de cliënt. Bij letterlijke lezing vervalt de vordering na een jaar, ook als binnen dat jaar is geklaagd of zelfs een vordering aanhangig is gemaakt. Een dergelijk beding vormt een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en plichten van de gebruiker ([geïntimeerde]) en de wederpartij die consument is ([appellant]).
6.12
De slotsom is dat het vervalbeding in artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en dat [geïntimeerde] daarom geen beroep op dat artikel toekomt. Het hof hoeft daarom niet te beoordelen wanneer de in artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden neergelegde vervaltermijn in dit geval is gaan lopen.
Het beroep van [geïntimeerde] op de klachtplicht slaagt niet
6.13
[geïntimeerde] heeft ook een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro. Volgens [geïntimeerde] is namens [appellant] op 16 februari 2023 voor het eerst een brief aan hem gestuurd met klachten; dat is bijna anderhalf jaar na het vonnis van de rechtbank van 21 november 2021 in de zaak tegen Youmanitas c.s. en bijna een jaar na het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. [geïntimeerde] is, zo stelt hij, door deze late klacht in zijn belangen geschaad. Door de overstap naar een andere softwareleverancier in mei 2022 zijn een deel van de e-mails van voor die tijd verloren gegaan. Ook registraties van (telefoon)notities zijn hierdoor verloren gegaan. Daarnaast is er WhatsApp belgeschiedenis verdwenen. Ten slotte was er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid geweest om het vonnis van 21 november 2021 tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen.
6.14
De ratio van artikel 6:89 BW Pro is bescherming van de schuldenaar tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De lengte van de termijn die beschikbaar is voor het te verrichten onderzoek is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de schuldeiser. Bij dit alles is in belangrijke mate mede bepalend of de belangen van de schuldenaar zijn geschaad, en zo ja, in hoeverre. Als die belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten.
6.15
Aan de hand van deze maatstaven komt het hof tot het oordeel dat de klacht van [appellant] niet te laat was. Het hof verwijst naar de overwegingen hierboven over het beroep van [geïntimeerde] op de vervaltermijn. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht dat hij door het tijdstip van de klacht in zijn belangen is geschaad. Het ligt op de weg van een advocaat om zodanig dossier te houden dat hij ook na (ruim) een jaar kan nagaan welke adviezen zijn gegeven en wat daaraan ten grondslag lag. Daaraan voegt het hof toe, dat een probleem met software of het overschrijven van belgeschiedenis in de risicosfeer van [geïntimeerde] ligt, en niet in die van [appellant]. Verder geldt dat [appellant] mag afgaan op de juistheid van de door [geïntimeerde] gegeven juridische adviezen en ligt het voor de hand dat hij niet meteen kon doorzien of [geïntimeerde] een fout had gemaakt.
6.16
Het argument dat er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid was geweest om het vonnis tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen maakt het voorgaande niet anders. [geïntimeerde] doet geen beroep op feitelijke omstandigheden die het bestaan van een alternatieve verhaalmogelijkheid aannemelijk maken. Ook legt [geïntimeerde] niet uit waarom na het vonnis, toen hij nog optrad voor [appellant], niet is geprobeerd van deze alternatieve verhaalmogelijkheden gebruik te maken.
[geïntimeerde] had na het vonnis executoriaal beslag moeten laten leggen in Havelte
6.17
De grieven II t/m IV gaan over de vraag of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt. Concreet verwijt [appellant] [geïntimeerde] dat hij geen conservatoir beslag heeft laten leggen op de watervilla’s en dat hij, toen het vonnis was verkregen, niet aan de deurwaarder opdracht heeft gegeven om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Volgens [appellant] lagen de watervilla’s tot in ieder geval 17 en 18 december 2021 in Havelte en was dat ook bij [geïntimeerde] bekend, althans had dat moeten zijn.
6.18
Het hof sluit zich aan bij het door de rechtbank in haar vonnis van 10 april 2024 in rov. 4.5 weergegeven toetsingskader: [geïntimeerde] moet als advocaat de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. [appellant] heeft (in de toelichting op grief 1) opgemerkt dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedragsregels, die kleuring geven aan het toetsingskader. In het bijzonder wijst [appellant] op de informatieplicht van de advocaat (gedragsregel 16) en de plicht van de advocaat om bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken te maken over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Het hof zal ingaan op de informatieplicht en de plicht duidelijke afspraken te maken voor zover dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] relevant is.
6.19
Grief II heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen beroepsfout heeft gemaakt door geen conservatoir beslag te leggen op de watervilla’s.
6.2
Deze grief slaagt niet. Van belang is dat niet de contractuele wederpartij van [appellant], Houseboats, de eigenaar van de watervilla’s was, maar Youmanitas. [geïntimeerde] heeft in mei 2021 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank. Dat verlof is echter niet gegeven zoals volgt uit een e-mail van de rechtbank van 20 mei 2021. Daarin staat onder meer dat de groepsaansprakelijkheid in het voorliggende verzoekschrift onvoldoende is onderbouwd. [appellant] heeft in zijn grief niet toegelicht, dat de aansprakelijkheid van Youmanitas voor de vordering die [appellant] had op Houseboats op dat moment zodanig onderbouwd kon worden dat het verlof zou zijn gegeven. Dit volgt ook niet uit het vonnis in de bodemprocedure: dat vonnis is, hoewel op tegenspraak gewezen, feitelijk een verstekvonnis en zonder nadere toelichting valt ook niet zonder meer in te zien dat inderdaad sprake was van groepsaansprakelijkheid.
6.21
Het was uitgaande van de stand van zaken op dat moment daarom een goed verdedigbare keuze om eerst in te zetten op de bodemprocedure, en het conservatoire beslag niet door te zetten. Uit de eigen stellingen van [appellant] (hij had zijn hele vermogen in het project gestoken) volgt immers dat zijn financiële middelen om aan de procedure te besteden beperkt waren, zodat keuzes gemaakt moesten worden. Hoewel [geïntimeerde] deze keuze(s) onvoldoende heeft vastgelegd – hij heeft geen telefoonnotities, e-mails of brieven overgelegd waaruit blijkt dat en hoe hij deze keuze met [appellant] heeft besproken – is het ook gelet op de stand van zaken op dat moment waarbij er procesrechtelijke keuzes moesten worden gemaakt, onvoldoende aannemelijk dat [appellant] erop had aangedrongen dat het conservatoire beslag zou zijn voortgezet.
6.22
Dat ligt anders met betrekking tot het executoriale beslag. Toen met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 een titel was verkregen, ook tegen Youmanitas als eigenaar van de watervilla’s, was snel handelen vereist. De omstandigheid dat geen rentebetalingen meer werden gedaan, vormde immers een belangrijke aanwijzing dat de Houseboats groep haar verplichtingen niet meer kon nakomen. Ook het feit dat in de bodemprocedure geen verweer werd gevoerd, wees daarop. Dit maakt het ook onaannemelijk dat er enig positief saldo zou zijn op bekende bankrekeningen van de Houseboats groep. Het lag daarom voor de hand om met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 in ieder geval te proberen executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s en niet alleen op de bankrekeningen.
6.23
Dat de watervilla’s de meest voor de hand liggende mogelijkheid waren om (een deel van) het toegewezen bedrag te executeren volgt ook uit de brief van [geïntimeerde] die hij schreef aan mr. Oomen op 13 maart 2023, naar aanleiding van vragen die mr. Oomen stelde namens [appellant]. [geïntimeerde] schreef:
“Toen de heer [appellant] bij mij kwam was House Boats Invest al lang en breed gestopt met het nakomen van haar (financiële) verplichtingen. Bovendien bereikte ons via verscheidene kanalen het bericht dat House Boats Invest geen liquide middelen meer had. Vanaf het begin van de zaak leek mij de enige reële manier voor de heer [appellant] om zijn schade te verhalen een beslag op eventueel nog aanwezige houseboats. Dit heb ik de heer [appellant] vaak uitgelegd. Destijds echter, kon niemand mij vertellen of deze houseboats nog bestonden, of zij werkelijk eigendom waren van House Boats Invest B.V. en waar zij zich dan wel bevonden.”
6.24
[geïntimeerde] heeft hierover gesteld, dat hij de brief van 13 maart 2023 schreef terwijl hij de feiten uit het dossier niet helder voor ogen had. Het hof gaat daaraan voorbij. [geïntimeerde] licht onvoldoende toe welke feiten hij onvoldoende voor ogen had. De brief van 13 maart 2023 sluit juist goed aan bij de in deze zaak vaststaande feiten.
6.25
[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 niet wist waar de watervilla’s waren en dat [appellant] hem dat ook niet kon vertellen. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de watervilla’s aanvankelijk werden gebouwd op het adres [adres]. [geïntimeerde] betwist ook niet dat dit adres hem bekend was. Dat de watervilla’s ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 daar al waren weggehaald, volgt niet uit hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. [geïntimeerde] verwijst naar een nieuwbrief van Houseboats van 5 juli 2021, waarin staat dat productiefaciliteit te Havelte is verkocht en dat de nieuwe pandeigenaar deze faciliteit op termijn zelf wil gaan gebruiken. In de nieuwsbrief staat echter niet per wanneer dat zal zijn. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen feiten gesteld waaruit onomstotelijk volgt dat de watervilla’s vóór 24 november 2021 waren weggehaald in Havelte.
6.26
Ten tijde van het vonnis van 24 november 2021 was het adres in Havelte de bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vestigingsplaats van Houseboats. Dat vonnis had dus door de deurwaarder daar betekend kunnen worden, in plaats van aan het woonadres van bestuurder [betrokkene 1]. Dan had – zonder (veel) extra kosten te maken, omdat het vonnis hoe dan ook betekend moest worden – door de deurwaarder kunnen worden onderzocht of de watervilla’s daar nog lagen. Dat het te duur was om de deurwaarder naar de watervilla’s te laten zoeken, volgt het hof dus niet. [geïntimeerde] heeft bovendien de deurwaarder op een gegeven moment kennelijk wel degelijk opdracht gegeven om naar de watervilla’s te zoeken, hetgeen de deurwaarder, zo volgt uit diens e-mail van 10 januari 2022, kort voor die datum heeft gedaan. Daar heeft de deurwaarder ook kosten voor in rekening gebracht, die [geïntimeerde] wil doorbelasten aan [appellant]. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht wanneer deze opdracht (in overleg met [appellant]) aan de deurwaarder is gegeven en waarom dat niet meteen na het verkrijgen van het vonnis is gedaan.
6.27
Het standpunt van [geïntimeerde] dat hij geen beslag kon laten leggen op de watervilla’s omdat hij niet kon weten waar de watervilla’s lagen, wordt gezien het voorgaande verworpen. Er was wel degelijk reden om aan te nemen dat de watervilla’s kort na het verkrijgen van het veroordelend vonnis nog in Havelte lagen. Er was bovendien een makkelijke manier (het laten betekenen van het vonnis aldaar) om daar achter te komen. Dat [appellant] (in deze executoriale fase) alleen beslag wilde leggen op bankrekeningen en niet op de watervilla’s, zoals [geïntimeerde] stelt, wordt door [appellant] betwist. Deze stelling van [geïntimeerde] is ook niet aannemelijk gezien het doel van [appellant] om – in ieder geval een deel – van het door hem uitgeleende geld terug te krijgen. Het is daarbij voor [appellant] niet relevant of dit gebeurt door een beslag op de watervilla’s en een daarop volgende executoriale verkoop daarvan, of door een beslag op een bankrekening. Voor zover [appellant] zou hebben gedacht dat een beslag op de watervilla’s ertoe zou leiden dat hij zelf eigenaar van de watervilla’s zou worden, heeft [geïntimeerde] hem hierover kennelijk onvoldoende voorgelicht. Er is bovendien geen enkele vastlegging in het dossier waaruit volgt dat hierover overleg met [appellant] heeft plaatsgevonden, zoals telefoonnotities of e-mails. De verhaalsinformatie waaruit blijkt dat alleen executoriaal beslag is gelegd onder banken, heeft [appellant] pas op 20 december 2021 gekregen.
6.28
De conclusie uit het voorgaande is dus dat een redelijk bekwaam, redelijk handelend advocaat ervoor had gezorgd dat in de eerste weken na het toewijzend vonnis van 24 november 2021 met bekwame spoed een poging werd gedaan om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Als dat was gelukt, moet er van uit gegaan worden dat – anders dan in de huidige situatie – de watervilla’s executoriaal verkocht hadden kunnen worden nog voor het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. In zoverre slagen de grieven II t/m IV.
6.29
Voor het oordeel dat [appellant] door het nalaten van [geïntimeerde] schade heeft geleden, moet wel vaststaan dat de watervilla’s in die eerste weken na het vonnis daadwerkelijk nog in Havelte lagen. De bewijslast rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro op [appellant], die zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling. Zoals gezegd zijn er geen sluitende aanwijzingen dat de watervilla’s op of rond 24 november 2021 niet meer in Havelte waren. Tussen partijen is niet in geschil dat de watervilla’s rond 16 februari 2022 zijn opgedoken bij een zekere [betrokkene 2]. Het staat echter ook nog niet vast dat de villa’s tot die tijd in Havelte zijn gebleven. [appellant] heeft een e-mail van [betrokkene 2] aan een kantoorgenoot van Oomen overgelegd, waarin [betrokkene 2] verklaart dat het transport van de watervilla’s plaatsvond op 17 en 18 december 2021. Uit dat mailbericht blijkt echter niet waar de watervilla’s toen vandaan kwamen. [appellant] heeft te bewijzen aangeboden dat de watervilla’s tot 17 of 18 december 2021 in Havelte waren, in of buiten de werkplaats aan de Oeveraseweg en zal worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.
6.3
Als [appellant] slaagt in dit bewijs, zal nog moeten worden vastgesteld wat de omvang van de schade is die [appellant] heeft geleden doordat geen executoriaal beslag is gelegd. Dat bedrag moet in dat geval worden vastgesteld door een schatting van de opbrengst van de executieverkoop verminderd met de aan die verkoop verbonden deurwaarderskosten. Vooruitlopend op de beoordeling hiervan merkt het hof op dat als uitgangspunt bij de vaststelling daarvan kan dienen het bedrag waarvoor de curator de watervilla’s heeft verkocht, zijnde € 50.000,-. Bij de huidige stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat de watervilla’s bij een executoriale verkoop meer zouden hebben opgebracht. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat de waarde van de watervilla’s substantieel was, onder verwijzing naar een in opdracht van Youmanitas opgemaakt taxatierapport, maar dat verhoudt zich niet tot de beperkte opbrengst bij verkoop door de curator. Dat de waarde ten tijde van die verkoop door de curator aanzienlijk zou zijn teruggelopen door beschadigingen of juridische onduidelijkheid over het eigenaarschap van de watervilla’s, acht het hof onvoldoende toegelicht. Daarbij komt nog dat een executoriale verkoop door een deurwaarder een (aanzienlijk) drukkend effect heeft op de opbrengst. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt onvoldoende toegelicht dat de opbrengst, bij verkoop door een deurwaarder, lager zou zijn geweest dan de door de curator gerealiseerde opbrengst.
6.31
In het geval [appellant] slaagt in het bewijs zal het hof, in het kader van het vaststellen van de schade, nog moeten ingaan op het beroep op eigen schuld dat [geïntimeerde] heeft gedaan. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de schade aan zichzelf te wijten, doordat hij een zeer ondoordachte investeringsbeslissing heeft genomen. Die stelling slaagt niet. Dat sprake was van een ondoordachte investeringsbeslissing is juist, maar daar gaat deze zaak niet over. In deze zaak is die beslissing een gegeven en gaat het er om of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt die ertoe heeft geleid dat [appellant] de schade die van die beslissing het gevolg is niet (gedeeltelijk) op de Houseboats groep heeft kunnen verhalen.
6.32
[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat de schade het gevolg is van aan [appellant] toerekenbare omstandigheden, doordat [appellant] na het beëindigen van de relatie met [geïntimeerde] onvoldoende moeite heeft gedaan om het toewijzend vonnis van 24 november 2021 te verhalen op de andere veroordeelden, waaronder bestuurder [betrokkene 1]. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit verweer rusten op [geïntimeerde]. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake was van reële verhaalsmogelijkheden bij de veroordeelden op andere vermogensbestanddelen dan de watervilla’s. Als [appellant] slaagt in het hem opgedragen bewijs zal bij het vaststellen van de schade dus geen rekening worden gehouden met deze door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden.
De declaraties van [geïntimeerde]
6.33
Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde] – na enkele correcties – kon worden toegewezen. Volgens [appellant] dient de rechter – desnoods ambtshalve – de (on)eerlijkheid van een prijsbeding te beoordelen (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen) en in dat kader (eerst) of het beding voldoende transparant is, omdat de prijs een kernbeding betreft (artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen). [appellant] verwijst daarbij naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna HvJEU) (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Volgens [appellant] is het tussen hem en [geïntimeerde] afgesproken prijsbeding (een uurtarief) onvoldoende transparant. Weliswaar heeft [appellant] afgesproken dat maandelijks werd gefactureerd, maar dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan. [appellant] had geen zicht op de tijdsbesteding door [geïntimeerde] en deze heeft [appellant] ook nooit geïnformeerd dat de kosten van de zaak konden oplopen tot meer dan € 9.500,-, aldus [appellant]. Het beding is volgens [appellant] ook oneerlijk, zodat het prijsbeding vernietigd moet worden. Dit brengt mee dat alle bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan moet terugbetalen, aldus nog steeds [appellant].
6.34
[geïntimeerde] betwist dat sprake is van een oneerlijk beding. [appellant] wist voldoende van procedures en de daarbij horende kosten en werd daarover ook door derden geadviseerd. Het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] hem tussentijds geen declaraties heeft gestuurd is volgens [geïntimeerde] ongepast, omdat dit de afspraak was. Tijdens de zitting heeft [geïntimeerde] hierover opgemerkt dat het er gewoon niet van gekomen was. [geïntimeerde] beroept zich verder op artikel 10 van Pro de algemene voorwaarden, waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na de dagtekening van de factuur schriftelijk moeten worden ingediend. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Artikel 11 bepaalt Pro verder dat kosten van derden, zoals deurwaarders, voor rekening komen van de opdrachtgever, aldus [geïntimeerde].
6.35
Het hof overweegt als volgt. In de opdrachtbevestiging van [geïntimeerde] staat over de financiële afspraken onder meer het volgende:
2. Het standaard honorarium bedraagt € 150,— per uur, exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten. Verschotten zijn de voor u door mij gedane uitgaven, zoals griffierecht, deurwaarderskosten, reis- en verblijfkosten en bureaukosten (porti, telefoon, telefax, fotokopieën en dergelijke). De bureaukosten bedragen 3% van het geldende uurtarief.3. In dit geval komen wij overeen een vast tarief van €150,- exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten tot een maximum van 10 declarabele uren en exclusief4. griffierechten. Indien ik meer dan 10 uur aan uw zaak dien te besteden breng ik u mijn standaard uurtarief als hiervoor genoemd onder punt 2 in rekening.5. [geïntimeerde] is gerechtigd opdrachtgever een voorschot in rekening te brengen. Het betaalde voorschot zal worden verrekend met de eerste declaratie.6. U ontvangt van mij per maand een declaratie voor dc door mij verrichte werkzaamheden inclusief de door mij voor u gedane uitgaven.7. De declaraties dienen door u binnen 14 dagen te zijn voldaan, zonder aftrek, korting of verrekening.
6.36
Tussen partijen staat verder vast dat [geïntimeerde] bij aanvang van de werkzaamheden een voorschot van € 1.500,- in rekening heeft gebracht. Tussentijds heeft hij verder geen declaraties verzonden. Op 9 oktober 2023 heeft hij een declaratie gezonden voor de werkzaamheden over de periode april 2021 tot en met april 2023.
6.37
Artikel 10 van Pro de algemene voorwaarden van [geïntimeerde], waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na dagtekening daarvan kenbaar moeten worden gemaakt, staat er niet aan in de weg dat het hof (zo nodig ambtshalve) toetst of sprake is van oneerlijk beding. Een ander oordeel zou op onaanvaardbare wijze de werking van het Europese consumentenrecht doorkruisen. Het gaat hier ook niet om een klacht over de inhoud van de factuur als zodanig, maar om het toetsen van de bepalingen van de overeenkomst die ten grondslag liggen aan de factuur.
6.38
Het afgesproken uurtarief is een kernbeding. Kernbedingen waarover niet is onderhandeld hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn (zie artikel 6:231 sub a BW Pro en artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de Richtlijn). Er is niet gebleken dat over dit beding is onderhandeld; [geïntimeerde] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij voor [appellant], omdat [appellant] weinig geld had, zijn vaste lage tarief heeft toegepast, waarover niet is onderhandeld.
6.39
In zijn arrest van 12 januari 2023 oordeelde het HvJEU dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder heeft het HvJEU overwogen dat een dienstverlener als [geïntimeerde], voordat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die een consument zoals [appellant] in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.
6.4
Het hof moet de transparantie van het tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen beding beoordelen naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst (vlg. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773). Het gaat bij die beoordeling niet om de vraag of het beding (dat al dan niet transparant is) ook daadwerkelijk is nagekomen. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] bevat een verbintenis om met redelijke tussenpozen, namelijk maandelijks, tussentijdse facturen te sturen. Naar het oordeel van het hof is een prijsbeding als het onderhavige, waarbij is overeengekomen dat maandelijks tussentijdse facturen zullen worden gestuurd, voldoende transparant. Daarbij betrekt het hof dat in een zaak als de onderhavige zeer lastig te voorspellen is hoeveel uren daaraan uiteindelijk in totaal besteed moeten worden. Hoeveel werk [geïntimeerde] aan de zaak zou moeten besteden, zou immers sterk afhangen van de houding van de wederpartij. Een voorspelling daarvan vooraf voegt daarom niet zoveel toe aan het maandelijks tussentijds declareren.
6.41
Ten overvloede overweegt het hof dat als toch zou moeten worden geoordeeld dat het beding niet transparant is, dit niet automatisch betekent dat het ook oneerlijk is. Of het beding oneerlijk is, moet namelijk worden getoetst aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Een gebrek aan transparantie is één van die omstandigheden. In dit geval geldt dat [geïntimeerde] een zeer redelijk uurtarief heeft gehanteerd: € 150,- ligt ruim onder hetgeen gebruikelijk is in de commerciële advocatuur. Verder is niet aannemelijk dat [appellant] de overeenkomst niet had willen sluiten als [geïntimeerde] meer informatie had gegeven over de te verwachten totale kosten. Het was voor [appellant] immers zeer belangrijk om een poging te doen om het aan Houseboats uitgeleende geld via een procedure terug te krijgen. Hierbij komt, zoals hiervoor al overwogen, dat het ramen van de totale kosten in dit geval niet goed mogelijk was. Dit leidt het hof tot de conclusie dat (ook) geen sprake is van een oneerlijk beding.
6.42
Daarmee is de (ambtshalve) toetsing nog niet voltooid: het hof moet ook beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen zoals neergelegd in artikel 6:230l onder c of 6:230m onder e BW. Omdat de hiervoor genoemde artikelen gelijkluidend zijn, hoeft het hof niet vast te stellen of het gaat om een overeenkomst gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte, of een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte.
6.43
De genoemde artikelen schrijven voor, dat de handelaar de consument vóór het aangaan van de overeenkomst informatie verstrekt over de totale prijs van de diensten of, als de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. In dit geval geldt dat de prijs redelijkerwijs niet vooraf kon worden berekend omdat niet voorspelbaar was hoeveel uren aan de zaak zouden moeten worden besteed. Wel bevat de overeenkomst de manier waarop de prijs moet worden berekend, namelijk het uurtarief vermeerderd met BTW vermenigvuldigd met het aantal bestede uren (vgl. conclusie Wissink vóór HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:1856). De overeenkomst vermeldt ook dat de deurwaarderskosten zullen worden doorberekend. Het hof is van oordeel dat daarmee aan de informatieplicht is voldaan.
6.44
De conclusie uit al het voorgaande is dat er geen aanleiding is om de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] te vernietigen en ook niet om een korting toe te passen op de door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen.
6.45
Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Het feit dat [geïntimeerde], anders dan overeengekomen, niet maandelijks tussentijds heeft gedeclareerd, vormt een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Een dergelijke tekortkoming kan een grondslag vormen voor schadevergoeding. Dat schade is geleden zal het geval kunnen zijn als de wederpartij van de advocaat aannemelijk kan maken dat hij, als tussentijds was gedeclareerd, aanleiding had gezien om de opdracht aan de advocaat te beëindigen vanwege het oplopen van de kosten. In deze zaak is hierop geen beroep gedaan.
6.46
[appellant] heeft ten aanzien van de facturen van [geïntimeerde] wel een beroep gedaan op een opschortingsrecht en aangevoerd dat de openstaande facturen verrekend moeten worden met de verschuldigde schadevergoeding. Het hof geeft een bewijsopdracht en zal alle verdere beslissingen aanhouden. Het beroep op het opschortingsrecht hoeft het hof daarom nu niet te behandelen. Op het beroep op verrekening zal zo nodig in het eindarrest worden ingegaan.

7.Conclusie

7.1
De conclusie uit het voorgaande is dat het hof [appellant] toelaat tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17/18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres].
7.2
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

8.Beslissing

Het hof:
  • laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17/18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres];
  • bepaalt dat, als [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. Schreuder, op 19 juni 2026 om 09:00 uur;
  • bepaalt dat, als één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden juni tot en met oktober van 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
  • deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. R.G.C. Veneman en mr. L.M. van Bochove en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.