ECLI:NL:GHLEE:2010:BL2814
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over belastbaarheid van lijfrentetermijnen in inkomstenbelasting
Belanghebbende ontving in 2004 en 2005 lijfrentetermijnen uit een testamentaire beschikking. De Inspecteur had deze bedragen opgenomen in het belastbare inkomen uit werk en woning. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de lijfrentetermijnen niet in rechte vorderbaar zijn en wel een tegenprestatie vormen, terwijl de Inspecteur het tegenovergestelde stelde.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of de lijfrentetermijnen in rechte vorderbaar zijn en of zij de tegenwaarde voor een prestatie vormen zoals bedoeld in artikel 3:101 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Het Hof overwoog dat ondanks de kwalificatie van de lijfrente als 'last' in het testament, de bedoeling van de erflater was om belanghebbende een vorderingsrecht toe te kennen. Dit blijkt onder meer uit de verplichting van de bewindvoerders om de lijfrente maandelijks uit te keren.
Verder stelde het Hof vast dat de vijf stichtingen die erfgenaam zijn, gezamenlijk als schuldenaar van de lijfrente-uitkeringen moeten worden beschouwd. De tegenprestatie bestaat uit het vermogen van de nalatenschap dat aan deze stichtingen is toegevallen. Het Hof verwierp het standpunt van de Inspecteur dat geen schuldenaar kon worden aangewezen en dat er geen tegenprestatie was. Ook de door de Inspecteur aangevoerde wanverhouding tussen tegenprestatie en lijfrente werd verworpen op grond van jurisprudentie.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en stelde de aanslagen voor 2004 en 2005 vast op een lager belastbaar inkomen conform de standpunten van belanghebbende. Tevens veroordeelde het Hof de Inspecteur in de proceskosten en gelastte vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard en de aanslagen inkomstenbelasting over 2004 en 2005 worden verminderd conform het standpunt van belanghebbende.