ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ4834
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- J.C.W. Rang
- H.J.M. Boukema
- R.J.Q. Klomp
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van vordering door deelgenoten tegen mede-deelgenoot inzake bewaring geldbedrag
In deze zaak vorderen meerdere erfgenamen (deelgenoten) betaling van een bedrag dat volgens hen door de overledene in bewaring is gegeven aan een mede-deelgenoot. De rechtbank had de vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat niet alle deelgenoten gezamenlijk optraden, op grond van de artikelen 3:170 en 3:171 BW.
Het hof stelt echter vast dat een beperkte groep deelgenoten een rechtsvordering op eigen naam ten behoeve van de gemeenschap kan instellen, ook als niet alle deelgenoten instemmen. Dit geldt ook wanneer de vordering tegen een mede-deelgenoot wordt ingesteld, mits de vordering niet voortkomt uit het erfgenaamschap zelf, maar uit een externe overeenkomst.
De vordering tegen de mede-deelgenoot wordt toegelaten, en het hof benoemt een raadsheer-commissaris voor het getuigenverhoor om te bewijzen dat de overledene daadwerkelijk een bedrag van ƒ 125.000 in bewaring heeft gegeven. De verdere beoordeling wordt aangehouden tot na bewijslevering. Kostenveroordelingen worden afhankelijk gesteld van de uitkomst van het bewijs.
Uitkomst: Het hof verklaart de vordering ontvankelijk en staat bewijslevering toe over de bewaring van het geldbedrag; verdere beslissing wordt aangehouden.