Conclusie
1.[verweerder 1] ,
[verweerster 2],
[verweerster 3],
[verweerster 4],
[de dochters van [verweerder 1] ,rb] de blote eigendom kopen en Misth BV (een BV 100% van mijzelf) het vruchtgebruik tezamen voor E 600.400
de vader,rb] verleent bij deze aan vruchtgebruiker [
[verweerder 1] ,rb], die van verkoper aanvaardt:
de vader,rb] verkoopt en levert bij deze aan koper [
de dochters van [verweerder 1], rb], die van verkoper koopt en bij deze aanvaardt:
Betreft: Stuiting verjaring
Cento-arrest) en de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst is verjaard.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.3niet opgaat, ontbeert [eiseres] volgens mij belang in cassatie bij de klachten van
onderdeel 2.2.Indien immers het verjaringsoordeel blijft staan, kunnen eventuele slagende klachten over de niet-ontvankelijkheid jegens de dochters van [verweerder 1] toch niet tot een materieel andere uitkomst leiden; dan blijft de vernietigingsvordering wegens verjaring niet toewijsbaar [3] . Ik behandel daarom eerst het verjaringsonderdeel 2.3.
subonderdeel 2.3.2dat het hof heeft moeten responderen op het bewijsaanbod uit MvA inc. 35 en de akte uitlating producties van 29 september 2015 onder 9 (cass. dgvd. p. 17), hetgeen het volgende inhield:
- ‘een e-mail van het BLCC Kids-team waaruit blijkt dat haar zoon in augustus 2010 het taalkamp te Leuven bezocht dat startte op 16-08-2010 en eindigde op 27-08-2010’;
- ‘een verklaring van [betrokkene 9] waaruit blijkt dat [eiseres] met een aantal mensen, waaronder [betrokkene 9] , in de zomer van 2010 verbleef in Leuven/Oud Heverlee waar de kinderen een dagkamp bezochten, gedurende de gehele periode’;
- ‘zichzelf te horen als getuige’;
- ‘aanvullend bewijs […] van haar verblijf in het buitenland eind 2009’ [bedoeld zal zijn 2010, AG]; en
- ‘bewijs […] van haar stelling dat zij ook de dochters van [verweerder 1] op 5 juni 2013 een aangetekende brief heeft gestuurd waarover zij in elk geval een getuigenverklaring af kan leggen’.
Cento-arrest een normale exploitatiehandeling vormen en zodoende een dergelijke daad van beheer in de zin van deze bepaling [4] .
Cento-arrest [7] is vervolgens uitgemaakt dat art. 3:171 BW Pro alleen ziet op vorderingen tegen derden en dat vorderingen van de gemeenschap op een deelgenoot bij de verdeling (ex art. 3:184 en Pro 3:185 BW) aan de orde kunnen (en dienen te) komen. Art. 3:184 BW Pro bepaalt dat iedere deelgenoot bij een verdeling kan verlangen dat op een aandeel van een andere deelgenoot diens schuld aan de gemeenschap wordt toegerekend [8] . De term “toerekening” impliceert dat de schuld gedwongen wordt verrekend [9] . Voor een erfgenaam behoort tot deze schuld hetgeen hij aan de erflater schuldig is gebleven (art. 4:228 lid 1 BW Pro) [10] . Bij gebreke van overeenstemming over verdeling van een gemeenschap kan volgens art. 3:185 BW Pro een rechterlijke beslissing daarover worden uitgelokt door een deelgenoot [11] .
Centodit overwogen:
kanworden betrokken [12] .
Cento.
eerste klacht van subonderdeel 2.1.2geen doel treft.
vervolgklacht uit subonderdeel 2.1.2mist feitelijke grondslag, nu niet blijkt dat het hof iets dergelijks voor ogen heeft gehad [24] .
voortbouwende klacht van subonderdeel 2.1.3over de niet-ontvankelijkheidspassage van [verweerder 1] uit rov. 3.6 zou dan in zoverre evenmin slagen.
Centois uitgemaakt dat het instellen van rechtsvorderingen kan vallen onder een beheersdaad in de zin van normale exploitatie en volgens de hoofdregel uit art. 3:170 lid 2 BW Pro geschiedt dat door de deelgenoten gezamenlijk. Het rechtsoordeel van het hof is op dit punt dus juist, waar deze klacht op afketst. De vervolgklacht uit subonderdeel 2.1.4 haalt het instellen van een vordering
namensde gemeenschap en
ten behoeve vande gemeenschap door elkaar en mist overigens feitelijke grondslag, nu niet valt in te zien dat het hof heeft geoordeeld als aangevoerd. Het hof heeft in rov. 3.1 overwogen dat de vorderingen van [eiseres] zijn ingesteld ten behoeve van de gemeenschap van de nalatenschap van de vader en niet ten behoeve van zichzelf. Met het oordeel in rov. 3.3 dat ‘ingevolge het bepaalde in art. 3:170 BW Pro van [ [eiseres] ] [wordt] vereist dat zij optreedt voor de gezamenlijke deelgenoten’, heeft het hof klaarblijkelijk bedoeld dat art. 3:170 BW Pro vereist dat het beheer door de deelgenoten tezamen geschiedt. Dat is iets anders dan het instellen van een vordering ten behoeve van de gemeenschap bedoeld in rov. 3.1.
onderdeel 2.2bestaat volgens mij om de in 2.2 en 2.17 aangegeven reden geen belang in cassatie, zodat de bespreking van dit onderdeel in zoverre ten overvloede is.
de dochters van [verweerder 1]niet-ontvankelijk is. Voor het instellen van een vordering op grond van art. 3:171 BW Pro is niet vereist dat alle deelgenoten daarmee hebben ingestemd. Het verzet van één van de deelgenoten moet volgens het onderdeel niet automatisch resulteren in de niet-ontvankelijkheid van de deelgenoot die de rechtsvordering instelt.
subonderdeel 2.2.1dat art. 3:171 BW Pro niet vereist dat andere deelgenoten met zo’n vordering hebben ingestemd lijkt mij dan ook, indien daar belang bij zou bestaan, doel te treffen. Bij die stand van zaken kan de motiveringsklacht blijven rusten, die overigens zou moeten stranden, omdat bij MvA inc 11 en 12, waar die klacht naar verwijst, niets wordt gezegd over het gezamenlijk optreden van de deelgenoten of het verzet van [verweerder 1] .
subonderdeel 2.4.2erover klaagt dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat [eiseres] zich al in extenso had moeten uitlaten over het causaal verband tussen de beweerdelijke onrechtmatige daad en de door haar gevorderde schade nader op te maken bij staat, mist de klacht feitelijke grondslag. Uit het arrest van het hof blijkt niet dat het hof dit heeft geoordeeld.
pro sejegens de dochters van [verweerder 1] . De klacht verwijst daarbij naar de volgende in feitelijke instanties aangevoerde stellingen:
pro seen in rov. 3.5
in fineoordeelt het hof als “toegift” dat (ook) haar vordering jegens de dochters van [verweerder 1] gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking niet voor toewijzing in aanmerking komt, zodat deze vordering niet onbesproken is gelaten. Daarop strandt deze klacht.
pro sejegens de dochters op grond van onrechtmatige daad niet nader onderbouwd is omdat deze nu eenmaal – linksom of rechtsom – ten behoeve van de gemeenschap is ingesteld. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het gestelde onrechtmatig handelen jegens [eiseres] zelf (in plaats van jegens de gemeenschap). Hetgeen het subonderdeel veronderstelt, valt niet in rov. 3.6 te lezen.
onderdeel 2.6deelt het lot van de hiervoor besproken onderdelen.