ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4750
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Oprichtingsakte kwalificeert niet als akte van cessie in geschil over dekgelden hengstenexploitatie
In deze civiele procedure staat centraal of de oprichtingsakte van Farmerhoeve B.V. kan worden aangemerkt als een akte van cessie waarmee vorderingen uit huurovereenkomsten en exploitatieovereenkomsten met betrekking tot hengstenexploitatie zijn overgedragen. De appellanten, erfgenamen van de overleden exploitant, betwisten dat de oprichtingsakte een overdracht van deze vorderingen inhoudt.
Het hof stelt vast dat de oprichtingsakte geen levering van de vorderingen beoogt, mede gelet op de bewoordingen en jurisprudentie van de Hoge Raad. Hierdoor zijn vorderingen die dateren van voor de oprichting van Farmerhoeve (voor 1993) niet toewijsbaar. Daarnaast is een beroep op vervaltermijnen en arbitragebedingen besproken, waarbij het hof oordeelt dat bepaalde vorderingen zijn vervallen en dat het beroep op een buitengewoon geval niet is onderbouwd.
Verder behandelt het hof diverse geschilpunten over de hoogte van de vorderingen, verrekeningen, kortingen op het dekgeld, en de toepassing van een 80%-drachtigheidsregel. Ook de positie van de maatschap en de verrekening van gezamenlijke veulenaankopen komen aan de orde. Het hof beveelt een comparitie van partijen om resterende geschilpunten te bespreken en een mogelijke schikking te beproeven.
De uitspraak bevestigt dat de oprichtingsakte niet als cessieakte geldt en wijst vorderingen uit 1992 af. Het hof wijst tevens diverse griefen van appellanten af en handhaaft eerdere beslissingen over rente en verrekeningen, waarbij het resterende geschil beperkt is tot enkele specifieke posten.
Uitkomst: De oprichtingsakte kwalificeert niet als akte van cessie, vorderingen uit 1992 worden afgewezen, en een comparitie wordt bevolen voor resterende geschilpunten.