ECLI:NL:GHSGR:2003:AF4105
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Tijnagel
- Van Rijnberk
- Van Walderveen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verliesneming na staking onderneming en aandeelhouderswisseling in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, had haar onderneming ultimo 1993 gestaakt en bezat toen nog een waardeloze deelneming in C BV. In 1995 werden de aandelen van belanghebbende overgedragen aan B BV en daarna aan Y, waarna belanghebbende in 1999 een liquidatieverlies van ruim ƒ 107 miljoen claimde.
De Inspecteur weigerde dit verlies in aftrek te nemen, stellende dat het verlies reeds bij de staking van de onderneming was geleden en niet kon worden toegerekend aan de nieuwe aandeelhouder. Het hof bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het liquidatieverlies als een nagekomen verlies van de gestaakte onderneming moet worden gezien, en niet kan worden verrekend met latere winsten.
Belanghebbende voerde aan dat artikel 20, lid 5, van de Wet op de vennootschapsbelasting slechts de voorwaartse verliesverrekening beperkt en niet ziet op verliezen die na het stakingsmoment zijn geleden. Het hof verwierp dit en stelde dat de wetgever dergelijke situaties niet had voorzien, maar dat het doel en de strekking van de wet meebrengen dat derden geen verliescompensatie kunnen claimen via een lege huls.
Het hof oordeelde ook over de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat het hof bevoegd was ondanks een onjuiste rechtsmiddelverwijzing. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard.