ECLI:NL:HR:2004:AO7333
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verliesverrekening bij liquidatie deelneming in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 1999 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar werd verminderd. Tegen deze aanslag kwam belanghebbende in beroep bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of het verlies dat ontstond bij de liquidatie van de deelneming C B.V. in 1999 moest worden aangemerkt als een verlies uit de gestaakte onderneming in 1993 (toepassing artikel 20 lid 5 Wet Pro Vpb) of dat artikel 13d van de Wet van toepassing was. Het Hof oordeelde dat het liquidatieverlies reeds aanwezig was ten tijde van de aandelenoverdracht in 1995 en dat het verlies als nagekomen verlies van de gestaakte onderneming moest worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en wees erop dat artikel 20 lid 5 Wet Pro Vpb beoogt te voorkomen dat verliezen van een gestaakte onderneming worden verrekend met latere winsten die niet aan de oorspronkelijke aandeelhouder toekomen. Dit wetsartikel is ook van toepassing als het verlies fiscaal pas na de overgang is gerealiseerd, maar voortvloeit uit feiten die zich voor die overgang hebben voorgedaan.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het liquidatieverlies wordt toegerekend aan de gestaakte onderneming volgens artikel 20 lid 5 Wet Vpb.