ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7147
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Oosterhof
- Aler
- Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens medeplegen schending van de wetten en gebruiken van de oorlog in Afghanistan
De verdachte was tussen 1979 en 1989 hoofd van de afdeling verhoor bij de militaire inlichtingendienst Khad-e-Nezami in Kabul, Afghanistan. Hij werd beschuldigd van medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, waaronder marteling van zeven slachtoffers. In eerste aanleg werd hij vrijgesproken voor vier slachtoffers en veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf voor de overige.
In hoger beroep werd vastgesteld dat het conflict in Afghanistan een niet-internationaal gewapend conflict was en dat de Nederlandse rechter universele rechtsmacht heeft op grond van de Wet Oorlogsstrafrecht. Diverse verweren van de verdediging, waaronder het ontbreken van rechtsmacht, nietigheid van de dagvaarding en schending van procesrechten, werden verworpen. De bewijslast bestond uit verklaringen van slachtoffers en getuigen, ondanks de moeilijke omstandigheden en tijdsverloop.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan ernstige martelingen, waaronder het toedienen van stroomstoten, slaan, schoppen en het afknippen van een vinger zonder verdoving. De verdachte toonde geen berouw. Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden werd een gevangenisstraf van negen jaar opgelegd, met aftrek van voorarrest.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van ernstige oorlogsmisdrijven in Afghanistan.