ECLI:NL:GHSGR:2008:BE9425
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.T. Sanders
- U.E. Tromp
- B. van Walderveen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwalificatie dubbele huisvestingskosten als extraterritoriale kosten en opgelegde boetes
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de vergoeding van dubbele huisvestingskosten niet als extraterritoriale kosten kwalificeert en dat de opgelegde boetes onterecht zijn. Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende haar werknemers woonruimte ter beschikking stelde, waarbij voor de meeste werknemers dit beperkt bleef tot de eerste twee maanden, maar voor sommigen, vooral management, langer duurde. Belanghebbende had dit voordeel niet tot het loon gerekend.
Het Hof oordeelde dat op grond van artikel 15a van de Wet op de loonbelasting 1964 dubbele huisvestingskosten wel degelijk als extraterritoriale kosten moeten worden beschouwd. Het beroep op internationale verdragsartikelen en het EVRM werd verworpen, waarbij de wetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid toekomt. Ook het beroep op het vertrouwen in de overgang van de 35%- naar de 30%-regeling werd niet gehonoreerd.
Ten aanzien van de opgelegde boetes stelde het Hof vast dat belanghebbende onbelaste reiskostenvergoedingen had verstrekt aan werknemers die minder dan 10 kilometer van de arbeidsplaats woonden, mede door het gebruik van een onnauwkeurige routeplanner. Dit leidde tot een vergrijpboete wegens grove schuld. Daarnaast werden verzuimboetes opgelegd voor het niet tijdig betalen van belasting over meerdere tijdvakken. Het Hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat sprake was van dubbele bestraffing of dat slechts één boete kon worden opgelegd.
De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en boetes verminderd, maar het Hof vernietigde deze uitspraak voor zover het boetebeschikkingen betrof en stelde de boetes vast op de door de rechtbank bepaalde bedragen. Het beroep werd voor het overige ongegrond verklaard. Het Hof gelastte de vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.
De uitspraak werd op 27 juni 2008 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boetes worden vastgesteld op het niveau van de rechtbank.