ECLI:NL:GHSGR:2009:BI2876
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- P.J.J. Vonk
- J.W. baron van Knobelsdorff
- E.J.M. Rosier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale onzuiverheid pensioenregeling bij verdeling nabestaandenpensioen tussen ex- en huidige echtgenote
Belanghebbende, geboren in 1937, was ambtenaar en ontving vanaf 2002 pensioen van het ABP. Na echtscheiding in 1974 van zijn eerste echtgenote en hertrouwen in datzelfde jaar, ontstond discussie over de verdeling van het nabestaandenpensioen tussen beide echtgenotes. Belanghebbende stelde dat de wijze van berekening door het ABP onzuiver was en betwistte de fiscale behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en het hof bevestigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat de pensioenregeling op zich niet onzuiver is en dat de verdeling van het nabestaandenpensioen tussen de eerste en huidige echtgenote volgens het pensioenreglement en de Wet LB 1964 correct is. De berekening van het bijzonder partnerpensioen (BPP) van de eerste echtgenote is gebaseerd op de pensioengrondslag van 1995, inclusief indexering, en niet op de datum van echtscheiding.
Belanghebbende voerde meerdere grieven aan, waaronder strijd met echtscheidingsrecht, ongerechtvaardigde verrijking en schending van het EVRM, maar het hof verwierp deze. De verdeling van het pensioen is een gevolg van wettelijke bepalingen en maatschappelijke belangen, en leidt niet tot onredelijke of onrechtvaardige uitkomsten. Het beroep in hoger beroep faalt, en het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.