ECLI:NL:GHSGR:2009:BK8740
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking renteaftrek op lening tussen verbonden vennootschappen volgens artikel 10d Wet Vpb
Belanghebbende had in 2001 een lening van €453.780 ontvangen van haar Holding met een rente van 5% per jaar. Per 31 december 2004 was de lening gestegen tot €745.000, en de rente bedroeg €35.750. Belanghebbende bracht deze rente volledig in aftrek, maar de Inspecteur weigerde een deel van €8.387 in aftrek te nemen op grond van artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de thin-cap regeling).
Belanghebbende betwistte deze beperking en stelde dat de regeling leidt tot ongeoorloofde discriminatie en strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Het Hof overwoog dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van gelijke gevallen en dat de regeling is gericht tegen grondslagverschuiving binnen concernverband.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende zich in dezelfde positie bevindt als belastingplichtigen binnen een concern en dat de ongelijke behandeling van leningen van verbonden natuurlijke personen gerechtvaardigd is. Ook het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur werd verworpen, omdat de Inspecteur gebonden is aan de wet en de rechter niet de billijkheid van de wet mag toetsen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de beperking van renteaftrek op grond van artikel 10d Wet Vpb en verklaart het hoger beroep ongegrond.