ECLI:NL:PHR:2011:BO2013
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 10d Wet Vpb op binnenlandse concerns niet strijdig met discriminatieverboden
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen uitspraken van de Rechtbank en het Gerechtshof 's-Gravenhage over de toepassing van artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Belanghebbende, een binnenlandse vennootschap die deel uitmaakt van een zuiver Nederlands concern, had een renteaftrekbeperking opgelegd gekregen wegens een teveel aan vreemd vermogen. Zij stelde dat deze regeling in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het fiscaal onderscheiden van gevallen en dat de regeling niet onredelijk of willekeurig is toegepast. De regeling is gericht op het tegengaan van grondslaguitholling binnen concerns en maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en grensoverschrijdende concerns, wat binnen de marge van de wetgever valt.
In cassatie betoogde belanghebbende dat de regeling leidt tot economische dubbele belasting en dat het ontbreken van een tegenbewijsregeling onrechtvaardig is. De Hoge Raad overweegt dat hoewel de regeling in binnenlandse situaties tot dubbele belasting kan leiden, de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven. De belangenafweging tussen het algemeen belang en individuele belastingplichtigen is niet onredelijk, mede gezien de mogelijkheid om fiscale eenheden te vormen of de concerntoets toe te passen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; toepassing van artikel 10d Wet Vpb op binnenlandse concerns is niet in strijd met discriminatieverboden.