ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4491
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aanmerkelijk belang bij verschillende soorten aandelen en navorderingsaanslag
Belanghebbende had in 2000 aandelen in [C], verdeeld in gewone aandelen A en preferente aandelen B. De vraag was of deze aandelen verschillende soorten vormden in de zin van artikel 20a, lid 3, Wet IB 1964, wat gevolgen heeft voor de vaststelling van een aanmerkelijk belang en de navorderingsaanslag.
Het hof heeft vastgesteld dat de aandelen A en B, ondanks enkele bijzondere rechten zoals verjaring van dividendvorderingen en statutaire bepalingen over besluitvorming, naar evenredigheid van nominale waarde recht geven op gelijke verdeling van jaarwinst en winstreserves. Dit betekent dat zij één soort vormen voor het aanmerkelijk belangregime.
De navorderingsaanslag is gebaseerd op de vaststelling dat belanghebbende een aanmerkelijk belang had en winst uit aanmerkelijk belang niet had opgegeven. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht de navorderingsaanslag heeft vernietigd, maar het hof bevestigt de uitspraak op bezwaar van de inspecteur en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Proceskosten worden deels toegewezen aan belanghebbende, en het griffierecht voor het hoger beroep wordt geheven. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 januari 2010.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag wegens winst uit aanmerkelijk belang.