ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0551
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale verwerking van borgstelling en regresvordering bij failliete BV
Belanghebbende was voor 50% aandeelhouder en directeur van een BV die failliet ging. Hij had zich in 2004 borg gesteld voor de schulden van deze BV bij Fortis Bank. Na het faillissement betwistte hij de fiscale verwerking van deze borgstelling in 2005 en 2006.
De kern van het geschil betrof het moment waarop een regresvordering fiscaal op de balans van de werkzaamheid mag worden opgenomen en of deze vordering mocht worden afgewaardeerd. Het hof oordeelde dat de borgstelling niet vanaf het moment van aangaan gelijkgesteld kan worden met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen. Pas bij daadwerkelijke aanwending van deze vermogensbestanddelen ontstaat een fiscale regresvordering.
Belanghebbende kon pas na betaling van € 33.500 in 2006 een regresvordering op de balans opnemen. Over 2005 mocht hij geen regresvordering opnemen wegens het ontbreken van daadwerkelijke aanwending. Het hof stond toe dat de regresvordering in 2006 werd afgewaardeerd tot nihil vanwege de slechte financiële situatie van de BV. Het verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat regresvordering fiscaal pas ontstaat bij daadwerkelijke aanwending en staat afwaardering toe; verzoek voorlopige voorziening wordt afgewezen.