ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0553
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale gevolgen van borgstelling en regresvordering bij faillissement BV
Belanghebbende, aandeelhouder en directeur van een BV, stond borg voor de schulden van die vennootschap bij Fortis Bank. Het geschil betrof de vraag of en wanneer fiscaal een regresvordering op de BV kon worden opgenomen en afgeschreven. Het hof oordeelde dat het aangaan van de borgstelling niet gelijkstaat aan terbeschikkingstelling van vermogen; dit ontstaat pas bij daadwerkelijke aanwending van vermogen ter schuldaflossing.
Belanghebbende kon derhalve pas na betaling van een bedrag van €33.500 in 2006 een regresvordering op de balans opnemen. Tevens mocht hij de vordering afwaarderen tot nihil vanwege de slechte financiële situatie van de BV. Over 2005 was opname van een regresvordering niet mogelijk wegens het ontbreken van daadwerkelijke aanwending.
Het hof verwierp het verzoek om voorlopige voorziening en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De proceskostenveroordeling en vergoeding van vertragingsrente werden afgewezen. De uitspraak sluit aan bij de fiscale beleidslijn dat borgstellingen pas fiscaal relevant worden bij daadwerkelijke uitwinning.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat regresvordering fiscaal pas ontstaat bij daadwerkelijke aanwending van vermogen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.