ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0554
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale gevolgen van borgstelling en regresvordering bij faillissement BV
Belanghebbende, aandeelhouder en directeur van een BV, stond borg voor een kredietfaciliteit van Fortis Bank aan deze BV. Het geschil betrof de fiscale verwerking van de borgstelling en de vraag of en wanneer een regresvordering op de BV kon worden opgenomen in de balans van de werkzaamheid. Het hof oordeelde dat de borgstelling niet vanaf het moment van aangaan gelijkgesteld kan worden met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen, maar pas vanaf het moment dat deze daadwerkelijk worden aangewend ter delging van de schuld.
Belanghebbende mocht de regresvordering in 2006 opnemen en afwaarderen vanwege de slechte financiële situatie van de BV, maar niet voor 2005 omdat toen nog geen daadwerkelijke aanwending had plaatsgevonden. Daarnaast werd geoordeeld dat de Inspecteur niet verplicht was om in hoger beroep reeds griffierecht en proceskosten te vergoeden, en dat het incidenteel hoger beroep ongegrond was.
De procedure omvatte diverse bezwaren, voorlopige aanslagen en beroep bij rechtbank en hof. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De zaak bevatte ook uitgebreide financiële gegevens en correspondentie over de borgstelling, crediteurenakkoord en fiscale aangiften.
Uitkomst: Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenvergoeding af.