Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV3109

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.091.604/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 2 aanhef en onder d FwArt. 350 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nieuw verzoek schuldsaneringsregeling binnen tien jaar na eerdere toepassing

Appellante verzocht op 7 juni 2011 bij de rechtbank om toelating tot de schuldsaneringsregeling met een schuldenlast van €41.610,33. De rechtbank wees dit verzoek af op grond van artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Faillissementswet (Fw), omdat de schuldsaneringsregeling minder dan tien jaar geleden op haar van toepassing was geweest en tussentijds was beëindigd wegens bovenmatige schulden die haar waren toe te rekenen.

Appellante ging in hoger beroep en stelde dat haar persoonlijke omstandigheden en het feit dat zij haar leven weer op orde had gebracht aanleiding gaven tot hernieuwde toelating. Het hof overwoog dat de wettelijke regeling imperatief is en dat geen van de uitzonderingen van artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw van toepassing was.

De eerdere regeling liep van 16 februari 2005 tot 15 juni 2007 en werd beëindigd wegens ernstige tekortkomingen, waaronder het niet nakomen van informatieplicht en het ontstaan van nieuwe schulden. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld, waardoor het onherroepelijk is geworden.

Het hof verwees ook naar relevante jurisprudentie van de Hoge Raad die bevestigt dat binnen de tienjaarstermijn geen nieuwe toelating kan plaatsvinden tenzij aan de uitzonderingen is voldaan. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2011.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het nieuwe verzoek tot schuldsaneringsregeling afwijst vanwege eerdere toepassing binnen tien jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer: 200.091.604/01
Rekestnummer rechtbank: 11.1701
arrest van 6 december 2011
in de zaak van
[appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: voorheen: mr. A.G.H.M. Ganzeboom te Capelle aan den IJssel, thans: mr. N. van Bremen te ’s-Gravenhage.
Het geding
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 1 augustus 2011, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 juli 2011, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof dit vonnis te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling heeft – na een verzoek tot aanhouding van mr. Ganzeboom – plaatsgevonden op 29 november 2011. Verschenen is [appellante], bijgestaan door mr. Van Bremen.
Beoordeling van het hoger beroep
1. [appellante] heeft op 7 juni 2011 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de verklaring ex artikel 285 Fw Pro is sprake van een totale schuldenlast van € 41.610,33.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw, nu gebleken is dat de schuldsaneringsregeling de afgelopen tien jaar op [appellante] van toepassing is geweest. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat nu de minder dan tien jaar geleden van toepassing geweest zijnde schuldsaneringsregeling, blijkens het vonnis van 15 juni 2007, (mede) is beëindigd op de grond dat [appellante] bovenmatige schulden heeft laten ontstaan om redenen die haar toe te rekenen waren, geen van de in dit artikel vermelde uitzonderingen zich voordoet. Bij het ontbreken van een hardheidsclausule kan de rechtbank niet anders oordelen dan overeenkomstig de wetgever met de recente wetswijziging heeft bedoeld.
3. De grieven van [appellante] hebben de kennelijke strekking om de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellante] haar standpunt toegelicht.
4. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting wordt het volgende overwogen.
5. Uitgangspunt is dat op grond van artikel 288 lid Pro 2, aanhef en onder d Fw – gelezen in samenhang met artikel 350 Fw Pro – een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen, indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij de eerdere schuldsanering is beëindigd omdat de schuldenaar de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkte had voldaan, hij weer kon voortgaan met betalen, dan wel omdat hij bovenmatige schulden had doen of laten ontstaan om redenen die hem niet waren toe te rekenen. De afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw – zoals dit artikel luidt sinds de wijziging van de Faillissementswet per 1 januari 2008 – is imperatief, hetgeen betekent dat de rechter een nieuw toelatingsverzoek binnen de periode van tien jaar na een eerdere toepassing van de regeling moet afwijzen, tenzij sprake is van een van de drie hiervoor vermelde uitzonderingssituaties.
6. Vaststaat dat de schuldsaneringsregeling van 16 februari 2005 tot en met 15 juni 2007 op [appellante] van toepassing is geweest en dat de regeling bij vonnis van laatstvermelde datum tussentijds werd beëindigd, omdat [appellante] ernstig tekortgeschoten is in de nakoming van haar informatieplicht en zij een boedelachterstand en bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Tegen het vonnis van 15 juni 2007 is [appellante] niet in hoger beroep gekomen, zodat die uitspraak onherroepelijk is geworden. Daarmee is ook komen vast te staan dat [appellante] niet onder een van de door de wetgever in artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw genoemde uitzonderingen valt, zodat zij in dit stadium dan ook niet opnieuw tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten. De door [appellante] aangevoerde persoonlijke omstandigheden, waaronder een langdurige en ernstige schuldenproblematiek en het, op zichzelf positieve, feit dat zij haar leven thans weer op orde heeft, geven geen aanleiding tot een ander oordeel.
7. Ten overvloede wordt nog overwogen dat ook tegen de achtergrond van de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 12 juni 2009, LJN BH7357, HR 23 april 2010, LJN BL7598 en HR 5 november 2010, LJN BO2918) geen reden bestaat om in dit geval in weerwil van de wettelijke regeling te besluiten tot hernieuwde toepassing van regeling binnen de 10-jaarstermijn.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.
Beslissing
Het hof bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 juli 2011.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, J.W. van Rijkom en R.F. Groos, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2011 in aanwezigheid van de griffier.