ECLI:NL:GHSHE:2002:AE0180
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.J. van Muijen
- P.J.M. Bongaarts
- J.W.J. Huige
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing ontslagvergoeding bij tijdelijke uitzending naar Engeland
Belanghebbende was van 1976 tot 1998 in dienst van een Nederlandse bank en werkte vanaf maart 1996 tot augustus 1998 in Engeland als general manager en lid van de board van Engelse dochterondernemingen. Na ontevredenheid over zijn functioneren wilde de bank hem ontslaan, wat via de kantonrechter per 1 augustus 1998 geschiedde met een ontslagvergoeding van ƒ 1.800.000,--.
De ontslagvergoeding werd deels in Nederland en deels in Engeland uitbetaald, waarbij loonbelasting werd ingehouden over ƒ 600.000,--. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze inhouding en stelde dat Nederland geen heffingsrecht had omdat hij in Engeland woonde en werkte. De Inspecteur stelde primair dat Nederland het volledige bedrag mocht belasten, subsidiair dat een deel aan Engeland toekwam.
Het hof oordeelde dat de ontslagvergoeding onder artikel 15 van Pro het belastingverdrag valt en dat de dienstbetrekking feitelijk uitsluitend in Engeland werd uitgeoefend. Nederland heeft daarom geen heffingsrecht. Ook het argument dat Nederland vermindering mag weigeren omdat het bedrag niet naar Engeland is overgemaakt, werd verworpen. De bestreden uitspraak werd vernietigd en teruggaaf van de ingehouden loonbelasting van ƒ 270.000,-- (€ 122.520,65) werd bevolen.
Daarnaast werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Het arrest bevestigt de toepassing van het belastingverdrag en de criteria voor het heffingsrecht bij grensoverschrijdende dienstbetrekkingen.
Uitkomst: Nederland heeft geen heffingsrecht op de ontslagvergoeding; teruggaaf van ingehouden loonbelasting wordt bevolen.