ECLI:NL:PHR:2004:AF7816
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toerekening van ontslagvergoeding aan woon- en werkstaat onder belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk
De zaak betreft de vraag welke belastingstaat heffingsbevoegdheid heeft over een ontslagvergoeding die in 1998 werd betaald aan een werknemer die van Nederland naar Engeland was verhuisd en daar werkte. De werknemer was van 1976 tot 1998 in dienst bij een Nederlandse bank, woonde en werkte tot 1996 in Nederland en daarna tot 1998 in Engeland. De bank betaalde zijn salaris deels in Nederland en deels in Engeland. De werknemer was in Engeland general manager en lid van de board van enkele Britse dochtervennootschappen. Na ontevredenheid over zijn functioneren werd zijn dienstverband ontbonden en kreeg hij een ontslagvergoeding van ƒ 1.800.000 toegekend.
Het hof oordeelde dat de ontslagvergoeding onder artikel 15 van Pro het belastingverdrag met het VK valt en dat Nederland geen heffingsrecht heeft omdat de dienstbetrekking feitelijk in Engeland werd uitgeoefend. De inspecteur stelde dat de vergoeding deels betrekking had op werkzaamheden die in Nederland zouden worden verricht, wat het hof niet had onderzocht. De Hoge Raad oordeelt dat de toerekening van de vergoeding aan de werkstaat afhangt van de vraag of de vergoeding een beloning is voor werkzaamheden die zonder ontslag in Nederland zouden zijn verricht. Voor het deel dat geen verband houdt met inkomstenderving, geldt de hoofdregel dat de woonstaat heffingsbevoegd is.
Verder bespreekt de conclusie van de procureur-generaal uitgebreid de toepassing van art. 15 van Pro het OESO-Modelverdrag en de temporele toerekening van inkomensbestanddelen. Hij stelt dat voor de hoofdregel van lid 1 (toewijzing aan woonstaat) de woonplaats ten tijde van het genieten van de beloning beslissend is, terwijl voor de uitzondering (toewijzing aan werkstaat) de plaats van uitoefening van de dienstbetrekking in het jaar waarop de beloning betrekking heeft bepalend is. Ook wordt ingegaan op de toerekening van bestuurdersbeloningen en de compartimentering van ontslagvergoedingen in loondervings- en niet-loondervingsdelen. Tenslotte wordt geconcludeerd dat indien een vergoeding voor een bestuurder niet aan zijn werkzaamheden als bestuurder ten laste van de vennootschap komt, deze niet onder art. 16 valt Pro maar onder art. 15.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de toerekening van de ontslagvergoeding aan woon- en werkstaat.