ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0083
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- J.W. de Ruijter
- C.H.W.M. Sterk
- A.R.O. Mooy
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens schending gelijkheidsbeginsel
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, ingesteld door het openbaar ministerie tegen de verdachte die samen met een mededader hard drugs had verhandeld. Het hof overwoog dat het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel discretionair bevoegd is om een ontnemingsvordering in te stellen, maar dat deze bevoegdheid slechts marginaal door de rechter getoetst kan worden.
Het hof concludeerde dat de verdachte en zijn mededader een gelijkwaardige rol hadden in de drugshandel, ondanks dat de verdachte de auto bestuurde en meerderjarig was, terwijl de mededader minderjarig was. Het leeftijdsverschil werd als niet doorslaggevend beoordeeld, mede omdat de minderjarige mededader niet per definitie wordt uitgesloten van ontnemingsvorderingen.
Daarom oordeelde het hof dat het openbaar ministerie door alleen tegen de verdachte een ontnemingsvordering in te stellen en niet tegen de mededader, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en daarmee de beginselen van een goede procesorde heeft geschonden. Dit leidde tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens schending van het gelijkheidsbeginsel.