ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3019
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Etten
- Kleijngeld
- Van Buitenen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering medehuurderschap inwonende zoon na overlijden huurder
In deze civiele zaak vorderden [X.] en [Y.] medehuurderschap van een woning die door [Z.] werd gehuurd. [Z.] was de moeder van [X.] en woonde samen met hem en zijn partner [Y.] in de woning. Na opname van [Z.] in een zorgcentrum en haar daaropvolgende overlijden, werd de vordering tot medehuurderschap ingesteld.
Het hof overwoog dat medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW Pro vereist dat er een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat ten tijde van het verzoek. Hoewel [X.] en [Y.] de woning feitelijk bewoonden en huur betaalden, kan medehuurderschap niet stilzwijgend ontstaan door gedogen van de verhuurder. De duurzame gemeenschappelijke huishouding met [Z.] was echter al in april 2005 geëindigd door haar opname in het zorgcentrum, en er was geen redelijke verwachting dat zij zou terugkeren.
Daarom kon de vordering niet worden toegewezen op grond van artikel 7:267 BW Pro. Ook het beroep op artikel 7:268 lid 2 BW Pro, dat de voortzetting van de huurovereenkomst regelt na overlijden van de huurder, faalde omdat de gemeenschappelijke huishouding al voor het overlijden was beëindigd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde [X.] c.s. in de proceskosten en wees de vordering af.
Uitkomst: De vordering tot medehuurderschap wordt afgewezen omdat de duurzame gemeenschappelijke huishouding vóór het overlijden van de huurder was geëindigd.