ECLI:NL:PHR:2011:BP1079
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Huurvoortzetting na overlijden bij beëindiging gemeenschappelijke huishouding door overmacht
In deze zaak vorderden [Eiser 1] en [Eiseres 2] medehuurderschap en huurvoortzetting van een woning na het overlijden van de huurder, hun moeder. De woning was ontruimd na een kortgedingvonnis, waarna het hof hun vorderingen afwees wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding op het moment van het verzoek.
De Hoge Raad onderzocht of de regeling van artikel 7:268 lid 2 BW Pro vereist dat de gemeenschappelijke huishouding op het moment van overlijden nog voortduurt, of dat ook bescherming kan worden geboden als de huishouding door overmacht, zoals opname in een zorgcentrum, eerder werd beëindigd terwijl de huisgenoten in de woning bleven wonen.
De Raad concludeerde dat de wetgever bescherming beoogt voor nabestaanden die met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden, ook als deze huishouding door overmacht vóór het overlijden is geëindigd. De tekst en wetsgeschiedenis bieden geen overtuigende aanwijzingen dat voortduring tot het overlijden vereist is.
Het hof had onjuiste rechtsopvattingen gehanteerd door de vordering af te wijzen vanwege het ontbreken van voortduring van de huishouding tot aan het overlijden. Ook het argument dat het belang van eisers was komen te vervallen door ontruiming werd verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.
Deze uitspraak verduidelijkt de bescherming van samenwoners bij huurvoortzetting na overlijden en benadrukt dat overmachtsituaties een uitzondering kunnen vormen op de eis van voortduring van de gemeenschappelijke huishouding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en bevestigt dat huurvoortzetting mogelijk is ondanks beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding door overmacht vóór overlijden.