ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2840
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- P. Fortuin
- P.A.M. Pijnenburg
- A.O. Lubbers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing afwaardering regresvordering in resultaat uit overige werkzaamheden
Belanghebbende, DGA van een houdstermaatschappij, was hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van zijn vennootschappen. Na aflossing van een bankkrediet verkreeg hij een regresvordering op de vennootschappen, waarvan de waarde nihil bleek. Hij wilde deze afwaardering in zijn belastingaangifte verwerken als negatief resultaat uit overige werkzaamheden op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001.
De inspecteur stelde dat de afwaardering in de onbelaste aandeelhouderssfeer viel en niet in de belaste sfeer van terbeschikkingstelling. Het hof onderzocht of sprake was van een bodemloze-putlening, maar concludeerde dat de inspecteur de bewijslast hiervoor niet had voldaan. Wel was er sprake van een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, waardoor het verlies niet als negatief resultaat uit overige werkzaamheden kon worden meegenomen.
Belanghebbendes beroep op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 mei 2006 (CPP2006/76M) faalde, omdat dit geen goedkeuring geeft voor afwaardering in situaties als deze. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het griffierecht niet geheven en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat de afwaardering van de regresvordering niet als negatief resultaat uit overige werkzaamheden kan worden meegenomen.