ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ3406
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Kennelijk onredelijke opzegging arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen en onvoldoende compensatie
De werknemer trad in 1997 in dienst als gereedschapsmaker en werkte later als CNC-frezer bij GDO. Door bedrijfseconomische omstandigheden vroeg GDO ontslag aan bij het UWV, dat dit toestond. De werknemer werd ontslagen per 1 juli 2009. Hij stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege zijn slechte arbeidsmarktpositie en het ontbreken van financiële compensatie.
Het hof stelde vast dat de werknemer vanwege zijn leeftijd en functie kansarm was op de arbeidsmarkt en dat GDO onvoldoende had gedaan om hem te herplaatsen of te begeleiden. De werkgever had ook geen financiële vergoeding toegekend, terwijl dit gezien de omstandigheden op zijn plaats was geweest. De werkgever had onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie om het ontbreken van vergoeding te rechtvaardigen.
Daarnaast stelde de werknemer dat het ontslag in strijd was met het anciënniteitsbeginsel omdat andere werknemers met kortere diensttijd niet waren ontslagen. Het hof oordeelde dat de functies van 2D- en 3D-CNC-frezer niet uitwisselbaar waren vanwege wezenlijke verschillen in vaardigheden en kennis, zodat geen sprake was van schending van het anciënniteitsbeginsel.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis alleen voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding en stelde deze vast op €20.000, inclusief wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De overige onderdelen van het vonnis werden bekrachtigd. Proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: GDO wordt veroordeeld tot betaling van €20.000 schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging, met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2009.