Uitspraak
1.[de man],wonende te [woonplaats],
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
6.Het verloop van de procedure
- de memorie na enquête van [appellante] met producties en eiswijziging;
- de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde 1] met één productie.
7.De verdere beoordeling
(…)
Ik ben getrouwd geweest met de zus van mw. [geïntimeerde 2]. (…)
Primair:
In alle gevallen:
Indien [geïntimeerde 1] er ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst van op de hoogte was, of daarvan op de hoogte behoorde te zijn, dat de door hem aangeboden maatregelen, te weten het door Het Zuiden laten aanbrengen van een ventilatierooster en het injecteren van de keukenmuur, geen oplossing zouden opleveren van het door [appellante] geconstateerde vochtprobleem, doet [appellante] terecht een beroep op dwaling bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. In dat geval had [geïntimeerde 1] [appellante] immers behoren in te lichten. Dat is slechts anders indien ook [appellante] daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn. Dat is het geval indien komt vast te staan dat [appellante] evenzeer als [geïntimeerde 1] op de hoogte was van de inhoud van de offertes van Bedi en Het Zuiden en [appellante] desondanks uitdrukkelijk voor de oplossing van Het Zuiden heeft gekozen. Bij dit alles is ook van belang of [geïntimeerde 1] ook aan Het Zuiden heeft gevraagd een onderzoek in te stellen naar de vochtproblematiek, dan wel heeft volstaan met de vraag een offerte uit te brengen voor het injecteren van muren.
zodanig sterk en zodanig essentiële punten betreffend”aan te merken dat zij de door [appellante] afgelegde verklaring voldoende geloofwaardig maken.
Daar komt bij dat [geïntimeerde 2] heeft verklaard dat zij beide offertes met een tijdsverschil van één à twee weken bij [appellante] in de brievenbus heeft gedaan. Weliswaar is er op zichzelf genomen reden om bij de waardering van de verklaring van [geïntimeerde 2] enige terughoudendheid te betrachten, omdat [geïntimeerde 2] de echtgenote is van [geïntimeerde 1] en partij in deze procedure, maar dergelijke terughoudendheid is ook op zijn plaats bij de verklaring van [appellante], die niet alleen als partij een getuigenverklaring heeft afgelegd, maar bovendien heeft verklaard omtrent door haar te bewijzen feiten. De wetgever is helder in de in art. 164 lid 2 Rv Pro. neergelegde beperking van de bewijskracht van een partijgetuigenverklaring omtrent een door deze partij te bewijzen feit.