Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
belanghebbende,
de Inspecteur,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende vroeg voor haar dementerende moeder een persoonsgebonden budget (pgb) aan om de verzorging thuis mogelijk te maken nadat de relatie met het verpleeghuis was beëindigd. Zij en haar broer verzorgden hun moeder zelf vanwege ontevredenheid over de zorg en hoge kosten van professionele zorg.
De Inspecteur rekende het ontvangen pgb-bedrag van €33.670 in 2010 tot het belastbare inkomen uit werk en woning, wat belanghebbende betwistte. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigde dit oordeel. Het Hof oordeelde dat de werkzaamheden waarvoor het pgb werd ontvangen, ook indien door familieleden uitgevoerd, in het economische verkeer plaatsvinden en dat belanghebbende en haar broer bij de aanvraag mede een financieel voordeel beoogden.
Daarmee kwalificeert het ontvangen pgb als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden volgens artikel 3.90 Wet inkomstenbelasting 2001. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat het ontvangen pgb als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden moet worden aangemerkt en verklaart het hoger beroep ongegrond.