Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[het college] College,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep van een docente die stelt dat haar salaris bij indiensttreding onjuist is vastgesteld omdat het niet is gebaseerd op haar laatstgenoten inkomen als ondernemer, maar op het salaris volgens de CAO VO. De kantonrechter wees haar vordering af omdat zij onvoldoende had onderbouwd dat haar ervaring buiten het onderwijs relevant was voor haar salaris.
In hoger beroep stond centraal de uitleg van artikel 12.2 lid 2 en lid 3 van de CAO VO 2008-2010. Het hof overwoog dat het woord "salaris" in lid 2 moet worden uitgelegd als het laatstgenoten salaris binnen het onderwijs, niet het inkomen als ondernemer. Dit voorkomt verstoring van het salarisgebouw en houdt rekening met relevante ervaring via lid 3.
De docente stelde dat het College haar ervaring buiten het onderwijs niet had meegewogen, maar het hof oordeelde dat zij deze grondslag niet voldoende had onderbouwd en dat haar vordering gebaseerd bleef op het ondernemersinkomen. Het hof verwierp haar vorderingen en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij zij werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van appellante af.