Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5 Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- de akte van [appellante] met een productie;
- de antwoordakte van [geïntimeerde].
6.De gronden van het hoger beroep
7.De beoordeling
- [geïntimeerde], geboren op [datum] 1949, is op 9 april 1973 voor onbepaalde tijd bij [appellante] in dienst getreden. [geïntimeerde] was laatstelijk werkzaam als uitvoerder tegen een bruto salaris van € 3.076,50 per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de - algemeen verbindend verklaarde - CAO voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf (1 maart 2009 tot en met 28 februari 2011) van toepassing.
“U heeft ervoor gekozen om uw vroegpensioen-hiaatuitkering in te laten gaan op 1 maart 2011. Als ingangsdatum voor uw vroegpensioenuitkering heeft u gekozen voor 1 augustus 2011.”
“Hiermee bevestigen wij dat jouw dienstverband bij [appellante] is geëindigd vanwege het bereiken van jouw (vroeg)pensioengerechtigde leeftijd.”
.
de leeftijd van [geïntimeerde]
duur van het dienstverband
functioneren [geïntimeerde]
bedrijfseconomische redenen, verval functie van uitvoerder
positie van [geïntimeerde] op de arbeidsmarkt
inspanningen van [appellante]
voorzieningen
inkomens- en pensioenschade
de financiële positie van [appellante]
bedrijfseconomische redenen) en dat sprake was van verlies, een negatief eigen vermogen en een negatieve liquiditeitspositie, is niet aannemelijk geworden dat een (hogere) vergoeding ‘de doodsteek’ voor [appellante] zou betekenen, zoals zij heeft gesteld. Daarbij overweegt het hof dat het argument van [appellante] dat dan aan alle ontslagen werknemers een vergoeding had moeten worden verstrekt niet opgaat, aangezien de 15 schilders in april 2011 weer voor [appellante] zijn gaan werken. Het verstrekken van een vergoeding aan deze schilders lag derhalve niet voor de hand.