Uitspraak
10.Het verdere verloop van de procedure
11.De verdere beoordeling
.Dat dit niet heeft geleid tot vast werk voor [appellant] kan [ICT B.V.] niet worden tegengeworpen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civielrechtelijke arbeidszaak stond de vraag centraal of het ontslag van appellant door ICT B.V. op 1 mei 2011 terecht was en of het ontslag kennelijk onredelijk was. Het hof beoordeelde de financiële situatie van ICT B.V. aan de hand van definitieve jaarcijfers over 2009 tot en met 2012, waaruit bleek dat de onderneming zich in een slechte bedrijfseconomische situatie bevond die ingrijpende kostenbesparingen noodzakelijk maakte.
Appellant voerde aan dat het ontslag was gebaseerd op een voorgewende of valse reden en dat het gevolgencriterium uit artikel 7:681 lid 2 BW Pro was geschonden. Het hof stelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat het ontslag op een valse reden was gebaseerd en dat de financiële situatie van ICT B.V. dit niet ondersteunde. Ook het betoog dat andere kostenbesparende maatregelen mogelijk waren, werd niet aannemelijk gemaakt.
Verder oordeelde het hof dat ICT B.V. voldoende inspanningen had verricht om appellant intern te herplaatsen en extern te begeleiden naar ander werk. Het ontbreken van een ontslagvergoeding en de persoonlijke omstandigheden van appellant, zoals het hebben van een gezin en hypotheeklasten, waren onvoldoende om het ontslag kennelijk onredelijk te achten. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat het ontslag van appellant niet kennelijk onredelijk is en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.