ECLI:NL:GHSHE:2015:3455

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 september 2015
Publicatiedatum
8 september 2015
Zaaknummer
HD 200.128.210_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 3 BWArt. 6:119 BWArt. 164 lid 2 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag op staande voet wegens vernieling en mishandeling

In deze civiele arbeidsrechtelijke procedure stond het ontslag op staande voet van appellant centraal, waarbij het hof het bewijs opnieuw heeft gewogen na toelating van tegenbewijs in hoger beroep. Appellant werd verweten op 27 oktober 2011 goederen van geïntimeerde te hebben proberen te vernielen en geïntimeerde te hebben geslagen of geprobeerd te slaan.

Het hof baseerde zich op de verklaringen van geïntimeerde en diens echtgenote, ondersteund door meerdere getuigen die camerabeelden hadden bekeken, hoewel deze beelden niet meer beschikbaar waren. De verklaringen van appellant en zijn getuigen werden als onvoldoende geloofwaardig beoordeeld vanwege inconsistenties en gebrek aan waarneming van het incident.

De kantonrechter had eerder het bewijs van geïntimeerde geaccepteerd, en het hof bevestigde dit oordeel na hernieuwde bewijswaardering. Ook de vordering van appellant betreffende niet-genoten vakantiedagen werd afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet van appellant wordt bekrachtigd en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.128.210/01
arrest van 8 september 2015
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars te Zundert,
tegen
[geïntimeerde] , h.o.d.n. [geïntimeerde] Autohandel,
wonende te [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 december 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, zittingsplaats Breda onder zaaknummer 712368 CV EXPL 12-2604 gewezen vonnis van 9 januari 2013.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 9 december 2014;
  • het proces-verbaal van de enquête van 23 maart 2015
  • het proces-verbaal van de contra-enquête van 18 mei 2015;
  • de memorie na enquête van [appellant] ;
  • de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6.De verdere beoordeling

6.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tot het (alsnog) leveren van tegenbewijs ter zake dat [appellant] op 27 oktober 2011
a. heeft geprobeerd goederen van [geïntimeerde] te vernielen;
b. [geïntimeerde] in het gezicht heeft geslagen of heeft geprobeerd te slaan.
De kantonrechter achtte [geïntimeerde] in dat bewijs geslaagd.
[appellant] heeft als getuigen doen horen zichzelf, zijn moeder mw. [moeder appellant] (hierna: [moeder appellant] ) en [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ).
In contra-enquête hebben [geïntimeerde] en zijn echtgenote mw. [echtgenote geïntimeerde] (hierna ook: [echtgenote geïntimeerde] ) een verklaring afgelegd.
6.2.
Het hof komt thans tot een hernieuwde bewijswaardering.
Het hof is van oordeel dat het bewijs door [geïntimeerde] van voormelde opdracht b., het slaan van [geïntimeerde] door [appellant] , geleverd is. Dit baseert het hof op de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en diens echtgenote. De getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en diens echtgenote in hoger beroep stemmen daarmee overeen. De verklaring van [geïntimeerde] (partijgetuigenverklaring in de zin van artikel 164 lid 2 Rv Pro.) wordt ondersteund door de verklaring van [echtgenote geïntimeerde] en door de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] , die de beelden, opgenomen door de camera in het bedrijf van [geïntimeerde] , hebben bekeken. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen de kantonrechter daaromtrent in het vonnis waarvan beroep onder 2.6 en 2.7 heeft overwogen. Hieraan kan niet afdoen dat de camerabeelden niet (meer) beschikbaar zijn.
De verklaringen van [appellant] , [moeder appellant] en [getuige 1] acht het hof niet, althans onvoldoende geloofwaardig. In de eerste plaats heeft [appellant] nooit eerder in deze procedure gesteld dat er buiten hem, [geïntimeerde] en diens echtgenote om, iemand bij het incident op 27 oktober 2011 aanwezig is geweest. Zelfs in zijn getuigenverklaring rept [appellant] daar aanvankelijk niet over; desgevraagd verklaarde hij pas in tweede instantie - nadat [moeder appellant] was gehoord - dat zijn moeder niet in het kantoortje is geweest. Een en ander maakt dat bijzonder kritisch naar met name de verklaringen van [moeder appellant] en [getuige 1] gekeken moet worden. Verder komt de verklaring van [getuige 1] er feitelijk op neer dat hij niets heeft gezien. Aan de verklaring van [moeder appellant] moet worden getwijfeld omdat zij heeft verklaard dat zij geen bedreigingen heeft gehoord en dat zij niet weet of er gescholden is. Aangenomen moet worden dat zij, als zij bij het incident in het kantoortje is geweest, dat toch ook gehoord zou moeten hebben. [appellant] bevestigt als getuige overigens de verklaringen van [geïntimeerde] en diens echtgenote voor wat betreft het schelden, hetgeen laatstgenoemde verklaringen ondersteunt.
6.3.
Voor wat betreft de poging tot het vernielen van de goederen, bewijsopdracht a., is het hof eveneens van oordeel dat het bewijs is geleverd. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep onder 2.3, 2.4 en 2.5 heeft overwogen. Het komt erop neer dat ook het hof van oordeel is dat de partijgetuigenverklaring van [geïntimeerde] wordt ondersteund door de verklaringen van [echtgenote geïntimeerde] , [getuige 3] , [getuige 5] en [getuige 6] . Bij de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en diens echtgenote in hoger beroep zijn - anders dan in het in hoger beroep overgelegde procesdossier - kleurenfoto’s gevoegd waarop duidelijk te zien is hetgeen de getuigen [geïntimeerde] en diens echtgenote hebben verklaard over het koffiezetapparaat, de bekers, koffiepads en het kapotte oranje koffiekopje.
Ook hier geldt dat de verklaringen van [appellant] , [moeder appellant] en [getuige 1] niet, althans onvoldoende geloofwaardig worden geacht en moet aan de laatstgenoemde verklaringen worden getwijfeld op de in r.o. 6.2. vermelde gronden.
6.4.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven I, II en ook III en V falen. Er is op grond van het bewezenverklaarde sprake van een dringende reden voor het ontslag op staande voet van [appellant] en [appellant] is schadeplichtig jegens [geïntimeerde] op grond van artikel 7:677 lid 3 BW Pro.
6.5.
Het hof besliste bij het tussenarrest reeds dat grief IV, aangaande de afwijzing van de vordering van [appellant] betreffende de betaling van niet-genoten vakantiedagen, faalt.
6.6.
Het vorenstaande houdt in dat het vonnis waarvan beroep bekrachtigd wordt.
[appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld te worden.

7.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 299,-- aan verschotten en op € 1.896,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, J.P. de Haan en
R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2015.
griffier rolraadsheer