In deze civiele arbeidsrechtelijke zaak vordert een docent loon van Stichting IBA wegens een onjuist vastgestelde werktijdfactor. Het geschil betreft tevens de vraag of het door het bestuur van IBA vastgestelde taakbeleid rechtsgeldig tot stand is gekomen en of dit beleid buiten toepassing dient te blijven.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om relevante vonnissen uit een parallelzaak over te leggen en heeft besloten tot rolvoeging van beide zaken vanwege de samenhang. Tevens is een comparitie van partijen gelast om onder meer de rechtsgeldigheid van het taakbeleid en de feitelijke gang van zaken bij IBA te bespreken.
Tijdens de comparitie zullen ook de belangen van de docent bij een verklaring voor recht worden onderzocht, evenals de wijze waarop medezeggenschap bij IBA is vormgegeven. Het hof heeft de zaak aangehouden en een datum voor de comparitie vastgesteld, waarbij partijen producties kunnen indienen. De uitspraak is gedaan door drie raadsheren op 26 juli 2016.