Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
belanghebbende,
de Inspecteur en,
de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie),
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, uiteindelijk rechthebbende van Holding BV en Benelux NV, verkocht in 2005 aandelen Werk BV I en II aan Benelux NV voor € 2.000.000. De Inspecteur stelde de waarde van deze aandelen hoger vast (€ 10.836.000) en zag het verschil als een vermomde winstuitdeling aan belanghebbende. De Rechtbank had de aanslag deels verminderd, maar het Hof stelt in hoger beroep vast dat de waarde van Werk BV I aandelen € 9.800.000 en van Werk BV II € 1.036.000 bedraagt.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mocht vertrouwen op een lagere waardering zoals bij emigratie in 2002 overeengekomen. De DCF-methode, hoewel door belanghebbende aangevoerd, wordt door het Hof niet gevolgd vanwege de hogere verkoopprijs in 2006 en eerdere biedingen. De winstuitdeling van € 8.836.000 wordt erkend, omdat Holding zich deze winst heeft laten ontgaan en belanghebbende hiervan heeft geprofiteerd.
Verder wordt het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en vermindert de aanslag overeenkomstig de hogere waardering. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn kent het Hof een immateriële schadevergoeding van € 500 toe en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het Hof verklaart het incidentele hoger beroep gegrond, het hoger beroep ongegrond, vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 8.836.000.