Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen.
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag leges van € 53,05 voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart, stellende dat de heffing onrechtmatig was omdat niet voldaan zou zijn aan het vereiste dat werkzaamheden ten behoeve van de aanvraag rechtstreeks en in overheersende mate verband moeten houden met een individualiseerbaar belang. De Rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, maar bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende zou worden vergoed.
In hoger beroep bevestigt het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch deze uitspraak. Het hof verwijst naar de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie, waaronder het arrest van de Hoge Raad van 2011 en de latere Reparatiewet, waarin de wettelijke grondslag voor de heffing van rechten voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart is hersteld en verankerd in artikel 7 van Pro de Paspoortwet. Hierdoor is het vereiste van een individualiseerbaar belang niet langer van toepassing.
Het hof oordeelt dat de heffing van leges op grond van de Paspoortwet rechtmatig is en dat de onjuiste vermelding van de Reparatiewet in de uitspraak op bezwaar geen nadeel voor belanghebbende oplevert. Daarnaast wijst het hof een proceskostenveroordeling af omdat belanghebbende geen vergoeding van kosten heeft aangetoond. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de heffing van leges voor de aanvraag van de Nederlandse identiteitskaart wordt bevestigd.