ECLI:NL:GHSHE:2017:3335

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juli 2017
Publicatiedatum
25 juli 2017
Zaaknummer
200.187.324_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
8 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in erfrechtelijke zaak over ontbrekende financiële stukken

In deze civiele erfrechtelijke procedure in hoger beroep tussen appellant en geïntimeerden staat de vraag centraal of geïntimeerden voldoende hebben voldaan aan een eerder tussenarrest waarin zij werden verzocht bepaalde financiële stukken te overleggen. Het hof constateert dat de stukken over de periode van 11 september 2009 tot 1 maart 2011, waaronder bankafschriften en de aangifte inkomstenbelasting over 2013, ontbreken en dat hiervoor geen aannemelijke verklaring is gegeven.

Het hof stelt vast dat appellant terecht bezwaar maakt tegen het ontbreken van deze stukken, mede omdat de bankrekening een en/of-rekening betrof van de vader en één van de geïntimeerden. Het hof geeft geïntimeerden daarom opnieuw de gelegenheid om de ontbrekende stukken te overleggen, waarna appellant hierop kan reageren.

De aktewisseling is strikt beperkt tot het doel van het tussenarrest en het vervolg daarop; overige aangevoerde kwesties worden buiten beschouwing gelaten. Het hof besluit de zaak aan te houden en verwijst naar een nieuwe rolzitting voor verdere behandeling na overlegging van de gevraagde stukken.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot overlegging van ontbrekende stukken toe en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.187.324/01
arrest van 25 juli 2017
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
verder: [appellant] ,
advocaat: mr. S.R. Baetens te Veldhoven,
tegen:

1.[geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
verder: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. A.B. Noordhof te Eindhoven,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 4 april 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 4324340/rolnummer 15/8257 tussen partijen gewezen vonnis van 26 november 2015.

6.Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 4 april 2017;
  • de akte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 2 mei 2017 met producties;
  • de antwoordakte van [appellant] van 30 mei 2017 met producties.
Partijen hebben arrest gevraagd.

7.De verdere beoordeling

7.1
Bij tussenarrest van 4 april 2017 heeft het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de gelegenheid gesteld om in het geding te brengen:
  • de aangiften en aanslagen IB over 2013 en 2014;
  • een overzicht van de mutaties op bankrekening [bankrekening] vanaf 11 september 2009 tot en met de opheffing ervan,
en de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [appellant] zou daarop bij antwoordakte kunnen reageren.
7.2
Naar aanleiding hiervan hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de volgende stukken overgelegd:
  • de aangifte over 2014 en de aanslagen over 2013 en 2014;
  • de rekeningafschriften van bankrekening [bankrekening] van 1 maart 2011 tot en met 31 maart 2017.
In hun akte vermelden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat de rekeningafschriften vanaf 11 september 2009 tot 1 maart 2011 niet in hun bezit zijn.
7.3
In zijn antwoordakte merkt [appellant] op dat de aangifte IB over 2013 ontbreekt en dat blad 001 van het rekeningafschrift van 31 juli 2012 (volgnummer 8) ontbreekt. Verder maakt [appellant] er bezwaar tegen dat over het ontbreken van de rekeningafschriften vanaf 11 september 2009 tot 1 maart 2011 alleen wordt gemeld dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] deze niet in hun bezit hebben, terwijl nu uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt dat de rekening niet alleen op naam van de vader van partijen stond maar een en/of-rekening van hem en [geïntimeerde 1] was.
7.4
Dit commentaar van [appellant] snijdt hout. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in onvoldoende mate voldaan aan het tussenarrest van 4 april 2017 en daarvoor ook geen aannemelijke verklaring gegeven. Het hof zal hen - opnieuw - in de gelegenheid stellen volledig aan het tussenarrest van 4 april 2017 te voldoen door de ontbrekende stukken alsnog over te leggen. Het gaat hierbij om de volgende stukken:
  • de aangifte IB over 2013;
  • blad 001 van het rekeningafschrift van 31 juli 2012 (volgnummer 8);
  • de rekeningafschriften vanaf 11 september 2009 tot 1 maart 2011.
[appellant] zal hierop wederom bij antwoordakte kunnen reageren.
7.5
In zijn antwoordakte van 30 mei 2017 is [appellant] niet alleen ingegaan op de overgelegde stukken maar ook op een aantal andere onderwerpen. Daarvoor was de aktewisseling niet bestemd, zoals het hof in het tussenarrest van 4 april 2017 uitdrukkelijk heeft vermeld (slotzin r.o. 4.8). Het hof laat al hetgeen [appellant] over die andere kwesties naar voren heeft gebracht dan ook buiten beschouwing. Ook voor de aktewisseling naar aanleiding van dit tweede tussenarrest geldt dat deze niet voor enig ander doel is bestemd.
7.6
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

8.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 22 augustus 2017 voor akte aan de zijde van geïntimeerden met het hiervoor onder 7.4 vermelde doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, W.H.B. den Hartog Jager en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juli 2017.
griffier rolraadsheer